Meditaties over de
Heilige Eucharistie (6)
47. «REINIG MIJ met uw bloed...»
-Christus' overgave aan het kruis, hernieuwd
in de eucharistie, zuivert onze zwakheden. -Jezus in eigen persoon komt ons
genezen, troosten en kracht geven. -De allerheiligste mensheid van Christus in
de eucharistie.
47.1 Pie pellicane, Iesu Domine, me immundum munda tuo sanguine... Milde pelikaan, Gij,
Jezus mijn Heer, reinig mij, onreine, met uw bloed, waarvan slechts één druppel
zalig maken kan heel de wereld uit haar zondigheid.1
Volgens een oude legende gaf de pelikaan haar
dode jongen het leven terug door zichzelf te verwonden en hen met zijn bloed te
besproeien.2 Dit beeld werd reeds in heel vroege
tijden door de christenen toegepast op Jezus Christus. Eén druppel van het
allerheiligste Bloed van Jezus, op Calvarië
vergoten, zou voldoende zijn geweest om alle misdaden, haat, onzuiverheid, afgunst te herstellen..., van
alle mensen aller tijden, van het verleden en van de toekomst. Maar Christus
wilde méér: Hij vergoot zelfs de laatste druppel van zijn Bloed voor de
mensheid en voor ieder mens afzonderlijk, alsof die alleen op aarde had
bestaan: dit is de beker met mijn
bloed, van het nieuwe, altijddurende verbond, dat voor u en alle mensen wordt
vergoten tot vergeving van de zonden, zal Jezus tijdens het Laatste Avondmaal zeggen; en elke dag herhaalt de
priester deze woorden tijdens de heilige mis, waardoor hij dit offer van
de Heer hernieuwt tot het einde der tijden. De dag daarna, op Calvarië, wanneer
Hij zijn leven reeds aan de Vader had
overgeleverd, doorstak een van de
soldaten zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit3, het laatste dat Hij nog over had. De kerkvaders
zien de sacramenten en het leven van de Kerk
zelf ontspringen uit deze doorstoken zijde van Christus: «O dood die
leven schenkt aan de doden! -roept de
heilige Augustinus uit-. Wat is er nog zuiverder dan dit bloed? Welke
wonde heilzamer dan deze?»4 Hierdoor worden wij
genezen.
Bij zijn bespreking van deze evangeliepassage
laat de heilige Thomas van Aquino duidelijk uitkomen, dat de heilige Johannes
heel betekenisvol spreekt van aperuit,
non vulneravit, dat hij de zijde doorstak, opende, maar niet
verwondde, «want door deze zijde opende zich voor ons de poort naar het eeuwige
leven.»5 Dit alles geschiedde -zo bevestigt de
heilige op dezelfde plaats- om ons te tonen, dat wij door het Lijden van
Christus de schoonwassing van onze zonden en smetten verkrijgen.
De Joden dachten, dat in het bloed het
leven zat. Jezus vergiet zijn bloed voor ons, Hij geeft
zijn leven over voor ons leven. Hij heeft zijn liefde voor ons getoond door ons
met zijn eigen bloed schoon te wassen van onze zonden en ons tot een nieuw
leven op te wekken.6 De heilige Paulus stelt,
dat Jezus openlijk voor ons aan het kruis tentoongesteld werd: Hij hing daar
als een aankondiging om de aandacht van iedereen die voorbij kwam te trekken.
Om onze aandacht te trekken. Daarom zeggen wij vandaag tot Hem, in ons innigste gebed: Milde pelikaan, Gij, Jezus, mijn Heer, reinig mij, onreine, reinig
mij met uw bloed...
47.2 In de heilige eucharistie komt de Heer als een geneesheer om de wonden
die zoveel schade in de ziel aanrichten te reinigen en te genezen. Wanneer wij
Hem zijn gaan bezoeken, worden wij gezuiverd door zijn blik vanuit het tabernakel. Maar Hij doet iedere dag
veel méér, als wij dat willen: Hij komt in ons hart en vervult het met
genaden. Vóór de communie toont de priester ons de heilige hostie en herhaalt
enige woorden die herinneren aan de woorden die Johannes de Doper Johannes en
Andreas in het oor fluisterde, toen Hij hen wees op Jezus die voorbij kwam: Dit is het Lam Gods dat de
zonden van de wereld wegneemt. En de gelovigen
antwoorden met die andere woorden, van de honderdman uit Kafarnaüm, vol van
geloof en liefde: Heer,
ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt... Bij die
gelegenheid genas Jezus op afstand de knecht van die heiden, die echter vervuld
was van groot geloof. Maar in de communie wil Jezus, ook al zeggen wij tot Hem
dat wij niet waardig zijn, dat onze ziel nooit voldoende voorbereid is, in
eigen persoon, met zijn Lichaam en zijn Ziel, in ons hart komen, dat door
zoveel onreinheden besmet is. Iedere dag
herhaalt Hij de woorden die Hij tot zijn leerlingen richtte aan het
begin van het Laatste Avondmaal: Desiderio desideravi... Vurig heb Ik verlangd dit paasmaal met
u te eten...7 Hoe zeer kan ons hart vervuld worden met vreugde en liefde, als wij
vaak het overgrote verlangen van Jezus om in onze ziel te komen overwegen!
Men kan zeer wel denken, dat «het wonder van de
transsubstantiatie uitsluitend voor u geschied is. Jezus kwam en nam alleen
voor u zijn intrek bij u [...]. Geen enkele tussenpersoon, geen enkele secondant
zal ons de invloed die onze ziel nodig heeft
verlenen; Hij zelf zal komen. Wat moet Hij ons dan toch liefhebben, als Hij
zoiets doet! Hoe vastbesloten moet Hij zijn, dat er van zijn kant uit niets ontbreekt, dat wij geen enkele verontschuldiging
hebben om hetgeen Hij ons aanbiedt af te
wijzen, wanneer Hij zelf het komt brengen! En wat zijn wij dan toch
blind, aarzelend, laatdunkend, weinig bereid om ons volledig te geven aan Hem
die zich helemaal voor ons geeft!»8
De dagelijkse fouten en ellende, waarvan
niemand gevrijwaard is, vormen geen
hindernis voor het ontvangen van de communie. «Niet omdat we erkennen
dat we zondaars zijn, mag ons van de gemeenschap met de Heer afhouden; we
moeten ons veeleer daarheen haasten, telkens met groter verlangen. Tot
geneesmiddel van de ziel en zuivering van de geest, maar met zulk een nederigheid
en zo'n geloof dat wij, ook al beschouwen we ons onwaardig om zo'n grote gunst
te ontvangen, veeleer het geneesmiddel van onze wonden gaan zoeken.»9 Alleen de doodzonden verhinderen een waardig
ontvangen van de heilige eucharistie, als tevoren geen sacramentele belijdenis
heeft plaats gevonden, waarin de priester, die de rol van Christus vervult, de
zonden vergeeft.
De verlossing, het Bloed dat Hij vergoten
heeft, wordt ons op velerlei wijzen
verleend. Heel bijzonder in de heilige mis,
de onbloedige hernieuwing van het offer van Calvarië. Op het ogenblik
van de communie uit handen van de priester wordt de ziel tot een tweede hemel,
vol van schittering en heerlijkheid, waartegenover de engelen verrast en
verwonderd staan. «Wanneer u Hem ontvangt, zeg Hem dan: Heer, ik hoop op U; ik
aanbid U, ik bemin U, vermeerder mijn geloof. Wees mijn steun in mijn zwakheid,
Gij, die weerloos in de eucharistie gebleven zijt, om de zwakheid van de
schepselen te genezen.»10
47.3 Me immundum, munda tuo sanguine..., Reinig mij,
onreine, met uw bloed...
Wij moeten de Heer bidden om een groot
verlangen naar zuiverheid in ons hart. Minstens zoals die melaatse die zich in
Kafarnaüm ooit voor Hem ter aarde wierp en Hem smeekte om hem te genezen van
zijn ziekte, die al in een vergevorderd
stadium moet hebben verkeerd, want de evangelist zegt, dat hij overdekt was met melaatsheid.11 En Jezus strekte zijn hand uit, raakte zijn
onreinheid aan en zei: Ik wil, word rein. En terstond verdween de melaatsheid.
Zó zal de Heer met ons doen, want Hij raakt ons niet alleen aan, maar Hij komt
in onze ziel wonen en giet daarin zijn genaden en gaven uit.
Op het moment van
de communie bezitten wij werkelijk het Leven. «Wij hebben
het mens geworden Woord, geheel en al, met alles wat Hij is en alles wat Hij
doet, Jezus God en Mens, alle genaden van zijn mensheid en alle schatten van
zijn godheid, of om met sint Paulus te spreken, de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus (Ef
3,8).»12 In de eerste plaats is Jezus als mens in ons. De
communie giet het werkelijke, hemelse en verheerlijkte leven van zijn mensheid,
van zijn hart en zijn ziel in ons uit. In de hemel lopen de engelen over van
geluk door de uitstraling van dit Leven.
Enkele heiligen mochten het visioen beleven van
het verheerlijkte Lichaam van Christus, zoals dit in de hemel is, stralend van
glorie, en hoe het in de ziel is op het ogenblik van de communie, wanneer de
heilige gedaanten in ons verblijven. De heilige Angela van Foligno zegt: «het
was een schoonheid die het menselijk woord deed sterven», en gedurende lange
tijd bewaarde zij van dit visioen «een immense vreugde, een subliem licht, een
onuitsprekelijk en voortdurend genot, een verblindend genot dat alle
verblinding overtreft.»13 Dit is dezelfde Jezus
die ons iedere dag in dit Sacrament komt bezoeken en dezelfde wonderen
verricht.
De Heer komt ook
als God in onze ziel. Met name in deze ogenblikken zijn wij verenigd met het goddelijk leven van Jezus, met zijn leven als Eniggeboren Zoon van de Vader. «Hij zelf
zegt ons: Ik leef door de Vader
(Joh 6,58).
Van eeuwigheid af geeft de Vader aan zijn Zoon het leven dat Hij in zijn schoot
heeft. En Hij geeft het Hem volkomen, mateloos, en met zulk een edelmoedige
liefde, dat zij, hoewel ze onderscheiden blijven, slechts één godheid vormen
met eenzelfde leven, volheid van liefde, vreugde en vrede. - Dàt is het leven
dat wij ontvangen.»14
Tegenover zulk een ondoorgrondelijk mysterie,
zoveel gaven moeten wij toch wel gaan verlangen naar de biecht die ons in de gesteldheid brengt om Jezus beter te
ontvangen! Dan moeten we Hem toch wel bidden, wanneer Hij in de ziel in staat van genade vertoeft, dat Hij al
onze smetten, al onze zwakheden
zuivert! Als de melaatse genezen werd, doordat Jezus' hand hem
aanraakte, dan moet ons hart toch wel gezuiverd worden, als ons gebrek aan
geloof en liefde dat niet verhindert!
Vandaag zeggen wij tot Jezus in innig gebed: «Heer, als Gij wilt -en Gij
wilt het altijd- kunt Gij mij genezen. Gij kent mijn zwakheid; ik ben mij bewust van dit of dat tekort, ik lijd aan bepaalde
gebreken. En dan laten we Hem eenvoudigweg de wonden zien en, zo nodig,
de verzwering. Heer, Gij hebt zoveel zielen verzorgd, laat mij, wanneer ik U in
mij draag of U aanbid in het tabernakel, in U een goddelijk geneesheer zien.»15
-1. Hymne Adoro te devote [Ned. vert. vgl. Laus Deo, p. 103].
-2. Vgl. H. Isidorus van Sevilla, Etimologías, 12,
7, 26, BAC, Madrid 1982, bl. 111. -3. Joh 19,34. -4. H.
Augustinus, Tractaat
over het Evangelie van de heilige Johannes, 120,2. -5. H. Thomas van Aquino, Lezing over het Evangelie van de
heilige Johannes, in loc., 2458. -6. Vgl. Apok 1,5. -7. Lc 22,15. -8. R.A. Knox, Pastoral Sermons,
23, Burns and Oates, London 1960, bl. 306. -9. Johannes
Cassianus, Collationes, 23,21. -10. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse,
832. -11. Vgl. Lc 5,12
vv. -12. M.V. Bernadot, De l'Eucharistie à la Trinité. -13.
Vgl. Ibidem.
-15. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 93.