Negenentwintigste zondag door het jaar (A)
1. Aan God geven wat God toekomt
-Trouwe medewerkers bij de zorg voor het
algemeen welzijn. -De religieuze dimensie van de mens. -Het geloof, een
krachtig licht.
1.1 De eerste lezing van de Mis van vandaag
laat ons zien hoe God zijn werktuigen voor de verlossing kiest waar het Hem behaagt.1 Om zijn volk uit de ballingschap te leiden zou Hij
zich bedienen van Cyrus, een heidense koning. De Heer gebruikt ook het aardse
gezag om goed te doen. Er is niets in het heelal dat buiten zijn vaderlijke heerschappij
valt.
In het evangelie van vandaag2 bevestigt Jezus opnieuw de plicht van ons allen om
de burgerlijke overheid te gehoorzamen. De Farizeeën en de Herodianen hadden
geprobeerd Hem in de val te laten lopen met hun vraag: Is het geoorloofd belasting te betalen aan de
keizer? Er waren er onder de Joden die betoogden
dat zulke betalingen de overheersing van een buitenlandse mogendheid over het
uitverkoren volk alleen maar versterkten wat, naar zij meenden, de heerschappij
van God over zijn volk zou inperken. Als de Meester zou instemmen met deze betaling,
zouden de Farizeeën Hem kunnen beschuldigen van samenwerking met de Romeinen.
Zo zou Hij door een groot deel van het volk gewantrouwd worden. Maar als Hij
tégen de belasting zou zijn, zouden de Herodianen, die nauw samenwerkten met de
bezettende Romeinen, redenen hebben om Hem bij de Romeinen aan te klagen.
Jezus geeft zijn vijanden een antwoord met
goddelijke diepgang, dat veel verder ging dan hun verwrongen verwachtingen. Hij
beperkt zich niet tot een 'ja' of 'nee'. De Meester zegt: Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt. Geeft aan de keizer wat hem rechtmatig toekomt: belasting,
gehoorzaamheid aan rechtvaardige wetten... maar meer niet. De staat geniet geen
absolute macht en heerschappij. Als gewone burgers hebben christenen «de plicht
om aan de staat alle materiële en persoonlijke diensten te bewijzen die nodig
zijn voor het algemeen welzijn.»3 Wat hun
aandeel betreft zijn de burgerlijke autoriteiten verplicht onpartijdig en rechtvaardig
te handelen bij het verdelen van hun goederen en diensten. Zij moeten het algemeen
belang dienen zonder op persoonlijke winst uit te zijn. Zij moeten wetten uitvaardigen
en besturen met het allergrootste respect voor de natuurwet en de
mensenrechten. Dit houdt de bescherming in van het leven vanaf de conceptie, de
verdediging van het gezin, godsdienstvrijheid, de rechten van ouders met
betrekking tot de opvoeding van hun kinderen. De Heer spreekt door de profeet
Jesaja: Wee hen die onrechtvaardige
wetten uitvaardigen.4
Christenen hebben de plicht te bidden voor de
burgerlijke overheid. Bestuurders en regeringen hebben een grote verantwoordelijkheid
te dragen. Christenen moeten hun plichten ten opzichte van de maatschappij met
een gewetensvolle nauwgezetheid vervullen. Er zouden geen trouwere medewerkers
voor het algemeen welzijn mogen zijn dan gelovige christenen. Deze trouw zal
natuurlijkerwijze voortkomen vanuit een goed gevormd geweten. Hun betrekkingen
met de burgerlijke overheid moeten in feite een weg tot heiligheid worden: de
betaling van belasting, het recht om te stemmen, onze betrokkenheid met
instellingen voor algemeen welzijn, actieve deelname in de politiek als dat
onze roeping is... Laten wij vandaag bij onszelf nagaan, of wij echt goede
voorbeelden zijn voor anderen bij de zorg voor het algemeen welzijn.
1.2 De Heer erkende de burgerlijke overheid
en haar rechten, maar Hij stelde ook heel duidelijk dat wij de rechten van God
moeten erkennen.5 De menselijke activiteit kan
niet beperkt worden tot het louter sociale en politieke terrein. Ieder individu
heeft een diep religieuze dimensie. Deze dringt door in al zijn werken, geeft
er een enorme waarde aan. Dit verklaart, waarom de Heer deze belangrijke
woorden toevoegt: Geeft aan God wat
God toekomt!
Wanneer een christen een rol speelt in het
openbare leven, in het onderwijs bijvoorbeeld, of in het culturele leven, kan
hij of zij niet doen alsof het geloof gereserveerd moet worden voor een betere
gelegenheid in de toekomst. «Het onderscheid dat Christus maakte, was niet
bedoeld om godsdienst naar de tempel -naar de sacristie- te verbannen, zodat de
tijdelijke zaken zich los van godsdienstige en christelijke wetten zouden
ontwikkelen.»6 Integendeel, christenen worden
uitgedaagd om licht en zout te zijn, midden in de wereld. Wij zijn geroepen de
omgeving waarin wij leven en werken, menselijker te maken. Wij behoren ons in
te spannen om de weg naar God toegankelijk te maken voor onze medemensen. In de
woorden van het Tweede Vaticaans Concilie: «Deze zending van de Kerk in de
wereld vervullen de leken vooral door een leven dat overeenkomt met hun geloof,
waardoor zij het licht van de wereld worden; door absolute onkreukbaarheid trekken
ze allen tot liefde voor het ware en het goede, tot Christus en de Kerk; door
broederlijke liefde en lotsverbondenheid, in gelijke levensomstandigheden,
onder gelijke arbeidsvoorwaarden, in hetzelfde leed en met dezelfde verlangens
bereiden zij anderen ongemerkt voor op de genadewerking; zo worden zij zich
bewust van hun aandeel in de opbouw van de samenleving en zullen zij hun werk
in hun gezin, op sociaal terrein en in hun beroep met christelijke
edelmoedigheid trachten te verrichten.»7
1.3 Wanneer een christen zijn mening geeft
over fundamentele kwesties van de sociale moraal, beschikt de christen over een
krachtig licht, het licht van het geloof. De leer van God en zijn Kerk staan
menselijk welzijn of wetenschappelijke vooruitgang niet in de weg. Zij zijn
eerder een veilige gids voor het bereiken van deze waardevolle doeleinden.
Wanneer bijvoorbeeld een christen de onontbindbaarheid van het huwelijk in ere
houdt, laat hij de manier zien waarop de gezondheid van de maatschappij veilig
gesteld kan worden.8 Op die manier bewijst hij
iedereen een grote weldaad. Het gaat niet om het veilig stellen van onze eigen
speciale voorrechten. Wij kunnen zoveel geven voor het welzijn van de
samenleving! Dit kunnen wij leren van het voorbeeld van de eerste christenen.
Iemand met een goed gevormd geweten kan een geweldige bijdrage leveren aan het
werkelijke welzijn van zijn of haar medeburgers. De christen kan een heel kostbaar
licht aanbieden te midden van zoveel duisternis!
Zoals kardinaal Luciani, de latere paus
Johannes Paulus I schreef: «In deze maatschappij is een verschrikkelijke
morele en godsdienstige leegte. Iedereen lijkt tegenwoordig krampachtig
materiële zaken na te jagen: winst maken, zich omringen met nieuw comfort, in
'goeden doen' zijn. Weinigen denken eraan dat men ook 'het goede' doen moet.
God -die ons leven zou moeten doordringen- is een ver verwijderde ster
geworden, waar we slechts op heel bepaalde
ogenblikken naar kijken. Men denkt godsdienstig te zijn door naar de
kerk te gaan; en meent buiten de kerk verder een leven te kunnen leiden gelijk
aan dat van vele anderen: een leven waarbij kleine en grote listigheden,
onrechtvaardigheden en inbreuken op de naastenliefde schering en inslag zijn,
een leven dat elke logische samenhang mist.»9
Dit is niet de wijze om God te geven
wat aan God toekomt. De juiste weg ligt in een
consequent geloofsleven. Wij moeten, zowel in officiële als in informele
gesprekken, handelen als kinderen van God. Wij moeten er vast van overtuigd
zijn dat de Kerk een niet te stuiten bron van waarheid is, de enige bron die in
staat is die 'verschrikkelijke morele en godsdienstige leegte' van onze moderne
tijd te vullen. Een maatschappij zonder deze waarden zal de agressiviteit en de
ontmenselijking zien toenemen. God is geen verre ster die geen contact heeft
met de mensheid. Hij is een heel sterk licht dat inhoud en betekenis geeft aan
alle menselijke aangelegenheden. Wij christenen zijn dus degenen die de wereld
waarin wij leven moeten veranderen, samen met alle mensen van goede wil. Hoe
kunnen wij afzijdig blijven toekijken bij de verdediging van het menselijke
leven vanaf het allereerste begin? Of bij de verdediging van de waardigheid van
de mens tegenover de risico's van de genetische manipulatie? Of bij de
verdediging van het recht van de ouders op een godsdienstige opvoeding voor hun
kinderen?
Geeft aan God wat God
toekomt. Van God is het leven van iedere mens vanaf
het ogenblik van de conceptie. De Heer heiligde het leven van het gezin in
Nazaret en leerde ons later de onontbindbaarheid van het huwelijk te respecteren.
De Heer openbaarde deze waarheden, ook al ergerden veel van zijn toehoorders
zich aan zijn boodschap. Ondanks alle sociale druk en propaganda voor het tegenovergestelde
moeten getrouwde christenen ervoor zorgen de bronnen van het leven open te
houden. Werkelijk, iedereen moet een ernstige poging doen om zijn geweten goed
te vormen.
Ons hele leven en alles wat erin gebeurt, is
voor God. Hoe is het mogelijk, dat wij een bepaald gebied ervan willen
afzonderen als ons persoonlijk domein? Laten wij Onze Lieve Vrouw vragen om de
vreugde van het kindschap Gods. Zij zal ons helpen om onze persoonlijke verantwoordelijkheid
ten opzichte van de maatschappij waar te maken.
-1. Js 45,1.4-6. -2. Mt 22,15-21. -3. Vaticanum ii, Gaudium et spes, 75. -4. Js 10,1. -5. Vgl. Vaticanum ii, Dignitatis humanae, 11. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 9 januari 1959. -7. Vaticanum ii,
Apostolicam actuositatem, 13. -8. Vgl. J.M. Pero-Sanz,
Creyentes en la Sociedad, Madrid 1981, bl. 30. -9. A.
Luciani, Brieven aan beroemde
mensen,
Haarlem 1978, bl. 167-168.
|