25 maart. Hoogfeest
(1)
28. AANKONDIGING VAN DE HEER
De Kerk viert vandaag het geheim van de
menswording van het Woord van God en tegelijkertijd de boodschap aan Onze Lieve
Vrouw, die door de engel de wil van God met haar leert kennen. Met haar antwoord
-haar 'fiat'- begint de verlossing.
Dit hoogfeest is zowel in de oudste
kalenders als in de huidige, een feest van de Heer. Niettemin verwijzen de
teksten heel bijzonder naar de Maagd Maria, en vele eeuwen lang werd het als
een Mariafeest beschouwd. De Traditie van de Kerk erkent een hecht
parallellisme tussen Eva, de moeder van alle levenden, door wier ongehoorzaamheid
de zonde in de wereld kwam, en Maria -de nieuwe Eva-, de Moeder van de verloste
mensheid, door wie het Leven van de wereld kwam: Jezus Christus, onze Heer.
Het
vaststellen van het feest op 25 maart, houdt verband met Kerstmis; bovendien
moesten volgens een oude traditie in de lentenachtevening de schepping van de wereld, het begin en het einde van de verlossing vallen: de menswording en de dood en
verrijzenis van Christus.
-Waarlijk God en volmaakte mens. -Het
hoogtepunt van de goddelijke liefde. -Consequenties voor ons leven.
28.1 Toen de
volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een
vrouw.1
Als toppunt van
zijn liefde voor ons heeft God zijn eniggeboren Zoon
gezonden: Hij werd mens om ons te redden en ons de onvergelijkbare waardigheid
van kinderen te schenken. Met zijn komst, zo kunnen we bevestigen, is de volheid van de tijd gekomen. Sint Paulus zegt letterlijk, dat
Hij geboren werd uit een vrouw.2 Jezus verscheen niet op aarde als een flitsend
visioen, maar Hij werd werkelijk mens zoals
wij, door de menselijke natuur aan te nemen in de allerreinste schoot van de Maagd Maria. Vandaag is het eigenlijk het feest van Jezus en Maria. «Daarom
-zo merkt Fray Luis de Granada op- is er alle reden voor om onze ogen te
richten op de zuiverheid en heiligheid van deze Vrouw die door God ab aeterno werd uitverkoren
om uit haar het vlees aan te nemen.
»Want zoals Hij,
toen Hij bepaald had de eerste mens te scheppen, voor deze
eerst het huis heeft gereed gemaakt waarin Hij hem kon onderbrengen -het aards
paradijs-, zo heeft Hij, toen Hij de tweede mens in de wereld wilde zenden -Christus-, eerst
de plaats voor Hem bereid waarin
Hij zijn intrek kon nemen: het lichaam en de ziel van de heilige Maagd.»3 God bereidde de
woning van zijn Zoon, de heilige Maria, met de grootste waardigheid die
ooit geschapen is, met alle mogelijke gaven en vol van genade.
Op dit hoogfeest
zien we Jezus meer dan ooit met Maria verenigd. Toen Onze
Lieve Vrouw haar instemming gaf, «nam Gods Woord de menselijke natuur aan: de redelijke ziel en het lichaam in de allerzuiverste
schoot van Maria. De goddelijke en de
menselijke natuur zijn in een enkele persoon verenigd: Jezus Christus,
waarlijk God en vanaf dat moment waarlijk mens; eniggeboren van eeuwigheid, voortkomend uit de Vader; en eveneens vanaf dat moment
als mens de echte zoon van Maria. Daarom is de allerheiligste Maagd de Moeder
van het vleesgeworden Woord, van de tweede persoon van de Heilige Drieëenheid
die -zonder vermenging- voor altijd de menselijke natuur tot de zijne had
gemaakt. Wij kunnen als grootste lof met luide stem deze woorden tot Maria zeggen, die de uitdrukking zijn van haar hoogste
waardigheid: Moeder van God.»4 Hoe vaak
hebben we het niet tot haar gezegd: Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons...! Hoe vaak
hebben we dat niet overwogen, als we het eerste van de blijde geheimen van de
heilige Rozenkrans beschouwden!
28.2 En het
Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond...5
Door de eeuwen
heen hebben heiligen en theologen, om beter te kunnen
begrijpen, gezocht naar de redenen die God tot
zulk een uitzonderlijk feit zouden hebben kunnen bewegen. Het was immers
geenszins noodzakelijk, dat Gods Zoon mens werd, zelfs niet om deze mens te
redden, want God -zo stelt de heilige Thomas van Aquino- «had de menselijke
natuur op velerlei manieren kunnen herstellen.»6
De menswording is de hoogste blijk van Gods liefde voor de mens, en alleen de
onmetelijkheid van deze liefde kan de
menswording verklaren: Zozeer
heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven...7, het unieke voorwerp van zijn liefde. Door zijn
neerdaling heeft God de dialoog van de mens met Hem vergemakkelijkt. Meer nog,
heel de heilsgeschiedenis is een zoeken van deze ontmoeting; het katholieke
geloof is een openbaring van de goedheid, de barmhartigheid en de liefde van
God voor ons.
Vanaf het begin heeft God de mensen gewezen op
zijn toenadering om niet. De menswording is de volheid van deze nabijheid. De Emmanuel, de God met ons, krijgt zijn
volledige uitdrukking in de gebeurtenis die ons vandaag vervult van vreugde. De
eniggeboren Zoon van God wordt mens, zoals wij, en zo zal Hij voor altijd
blijven, mens geworden in een menselijke natuur: de aanvaarding van een lichaam
in de allerzuiverste schoot van Maria was geenszins iets onzekers of
voorlopigs. Het mensgeworden Woord, Jezus Christus, blijft voor altijd de
volmaakte God en ware mens. Dit is het grote geheim dat ons overrompelt: God heeft in zijn liefde de mens
serieus willen nemen en, hoezeer ook werk van zuivere liefde, heeft Hij
een antwoord verlangd waarin het schepsel zich verplicht tegenover Christus,
die van zijn zelfde ras is. «Wanneer wij in herinnering roepen, dat het Woord
vlees geworden is, dat wil zeggen, dat de Zoon van God mens geworden is, dan
moeten we beseffen hoe groot de mens wordt door dit mysterie; ofwel, door de
menswording van de Zoon van God! Christus werd inderdaad ontvangen in de schoot
van Maria en Hij is mens geworden om de eeuwige liefde van de Schepper en Vader
te openbaren, evenals om de waardigheid van ieder van ons duidelijk te maken.»8
Als de Kerk gedurende de eeuwen de ware
werkelijkheid van de menswording verklaarde, was zij zich ervan bewust, dat zij
niet alleen de persoon van Christus verdedigde, maar haarzelf, de mens en de
wereld. «Hij die het Beeld van de
onzichtbare God is (Kol 1,15), is de volmaakte mens, die aan het
nageslacht van Adam, de door de eerste zonde vervormde gelijkenis van de mens
met God heeft hersteld. Daar de menselijke natuur in Hem onverkort is opgenomen, is juist daardoor deze
natuur ook in ons tot hoge waardigheid verheven. Hij heeft zich immers,
als Zoon van God, door zijn menswording in zekere zin met iedere mens verenigd.
Met menselijke handen heeft Hij werk
verricht, met een menselijke geest heeft Hij gedacht, met een menselijke wil heeft Hij gehandeld, met een
menselijk hart heeft Hij liefgehad. Geboren uit de Maagd Maria, is Hij
werkelijk één van de onzen geworden, in alles aan ons gelijk, behalve in de
zonde.»9 Wat moet het menselijk schepsel dan
toch waardevol zijn tegenover God, «als het zo'n grote Redder heeft verdiend!»10 Laten we vandaag, in de loop van de dag, dankzeggen
voor zulk een onmetelijke weldaad; laten we dat doen door de heilige Maria,
want zij «is het werktuig geweest van de vereniging van Jezus met de gehele mensheid.»11
28.3 De menswording moet vele consequenties hebben in het leven van de
christen. Zij is waarlijk datgene dat zijn heden
en toekomst bepaalt. Zonder Christus mist het leven zijn zin. Alleen Hij
«openbaart de mens volledig wie hij
eigenlijk is.»12 Alleen in Christus kennen wij
ons diepste wezen en datgene dat ons
het meest beroert: de zin van het lijden en de goed afgemaakte arbeid,
de ware vreugde en vrede die boven de gemoedstoestanden en de verschillende gebeurtenissen in het leven verheven
zijn, de gemoedsrust, met inbegrip van de vreugde tegenover de gedachte
aan het hiernamaals, want Jezus, die wij
thans trachten te dienen, staat ons op te wachten... Het is Christus die
«de mens definitief de waardigheid en de zin van zijn bestaan in de wereld
heeft teruggegeven, de zin die hij grotendeels door de zonde had verloren.»13
Het aannemen van al het edel menselijke door
Gods Zoon (werk, vriendschap, gezin, smart, vreugde...) is voor ons een
aanwijzing, dat al deze werkelijkheden bemind en verheven dienen te worden. Het menselijke wordt een weg naar de
vereniging met God. Innerlijke strijd krijgt dan een uitgesproken positief
karakter, het gaat niet om de vernietiging
van de mens, opdat het goddelijke kan schitteren, noch om een vlucht voor de
dagelijkse werkelijkheid om een heilig leven te kunnen leiden. Niet het
menselijke botst met het goddelijke, maar de zonde en de sporen die de erfzonde
en de persoonlijke zonde in de ziel hebben achtergelaten. Ons streven op
Christus te gelijken brengt de strijd met zich mee tegen alles wat ons minder menselijk en zelfs onmenselijk maakt: egoïsme,
afgunst, zinnelijkheid, bekrompenheid van geest... De ware ijver van de
christen om de heiligheid te bereiken brengt de ontwikkeling van de eigen
persoonlijkheid met zich mee, in alle opzichten: een goede naam in het
beroepsleven, natuurlijke deugden, deugden die de menselijke omgang bevorderen,
liefde voor alles wat waarlijk menselijk is...
Zoals in Christus
het menselijke door zijn vereniging met het goddelijke menselijk blijft, zo
houdt het aardse door de menswording niet op aards te zijn, maar sindsdien kan wel alles door de mens op Hem
gericht worden. Et ego, si
exaltatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum.14 En
wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken. «Door zijn menswording en zijn leven van arbeid in Nazaret, door zijn prediking en zijn wonderen in
de streken van Judea en Galilea, door zijn dood aan het kruis en zijn
opstanding is Christus het middelpunt van de schepping, de Eerstgeborene en de
Heer van alle schepselen. [...]
»De Heer wil de
zijnen op alle kruiswegen van de aarde hebben. Sommigen
roept Hij naar de eenzaamheid, opdat ze verre blijven van de drukte van de
wereld en zo voor de andere mensen
getuigenis afleggen, dat God bestaat. Anderen vertrouwt Hij het priesterambt
toe. De meesten wil Hij midden in de
wereld en in de aardse dingen hebben. Daarom moeten deze christenen
Christus overal uitdragen, waar mensen werken: in de fabriek, het laboratorium en de werkplaats, op het veld, de
drukke straten van de grote stad en de eenzame bergpaden.»15 Dàt is onze opdracht.
Wij besluiten ons gebed en gaan naar de Moeder
van Jezus, onze Moeder. «O Maria, heden heeft uw land ons de Redder
voortgebracht... O Maria! Gezegend zijt Gij onder alle vrouwen van alle eeuwen...
Heden heeft de Godheid zich verenigd en vermengd met onze mensheid, zo
krachtig, dat deze vereniging nooit meer gescheiden kon worden, noch door de
dood noch door onze ondankbaarheid.»16 Gezegend
zijt Gij!
-1.
Getijdenboek, antifoon 1 van
de lezingendienst. Vgl. Gal 4,4-5. -2. Vgl. The Navarre Bible, noot bij Gal 4,4.
-3. Fray Luis
de Granada, Vida de
Jesucristo, I. -4. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 274.
-5. Joh 1,14.
-6. H. Thomas van Aquino,
Summa Theologiae,
III q1 a2. -7. Joh
3,16. -8. Johannes
Paulus ii, Engel des Heren in Jasna Gora, 5-VI-1979. -9. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 22. -10. Altaarmissaal, Hymne Exsultet uit de Vigilie van Pasen. -11. Johannes Paulus ii, Algemene
audiëntie, 28-I-1987. -12. Idem, Enc. Redemptor hominis, 4-III-1979, 11. -13. Ibidem. -14. Joh 12,32.
-15. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 105. -16. H. Catharina van Siëna, Elevationes, 15.