De Boog tekst
home best verkocht alle titels aanbiedingen cadeau bestellijst help contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Eerste zondag van de advent

1. ADVENT: IN AFWACHTING VAN DE HEER

-Waakzaam zijn in de periode voor de komst van de Messias. -De aartsvijanden van onze heiligheid: de drie begeerten. De biecht: voorbereiding op Kerstmis. -Blijf waakzaam door gebed, versterving en gewetensonderzoek.

1.1 Almachtige God, wij vragen U: geef uw gelovigen de bereidheid Christus, die komende is, tegemoet te gaan met werken van gerechtigheid, om eens verzameld te worden aan zijn rechterhand en bezit te nemen van het hemels Rijk.1

«Iedereen weet, zelfs degenen onder ons die het minst avontuurlijk geleefd hebben -zegt Ronald Knox in een preek over de advent- wat het betekent mijlen, althans het lijken wel mijlen, voort te ploeteren met de ogen strak gericht op de lichten die op de een of andere manier thuis betekenen. Wat is het moeilijk, als je dat doet, afstanden te schatten! In het pikdonker lijkt het misschien een paar mijl naar je bestemming, misschien is het maar een paar honderd meter. Zo was het, denk ik, ook met de profeten van Israël, toen zij uitkeken naar de verlossing van hun volk. Zij zouden je niet binnen een marge van honderd jaar, niet binnen een marge van vijfhonderd jaar hebben kunnen vertellen wanneer de bevrijding zou komen. Zij wisten alleen, dat ooit de stam van David opnieuw zou uitbotten. Ooit zou de sleutel gevonden worden die zou passen op de deur van hun gevangenis. Ooit zou het licht, dat nu enkel scheen als een dwaallicht aan de horizon, uiteindelijk uitgroeien tot een volmaakte dag. Het volk van God moest echter nog wachten.

»Deze houding van verwachting is er een die de Kerk graag in ons, in haar kinderen, doorlopend aanmoedigt. Zij ziet het als een wezenlijk onderdeel van onze christelijke instelling, dat we ons nog verheugen op wat gaat komen; het is nu al bijna tweeduizend jaar geleden dat de eerste Kerstdag kwam en ging, en nog moeten we ons blijven verheugen op wat komen gaat. Zo spoort de Kerk ons aan, gedurende de advent, de herders tot gids te nemen en in onze verbeelding met hen mee te reizen, te middernacht, turend naar dat straaltje licht afkomstig uit de stal van Bethlehem.»2 Toen de Messias kwam, waren er niet veel die Hem echt verwachtten. Hij kwam onder de zijnen, maar de zijnen namen Hem niet aan.3 De meeste mensen uit die dagen waren blind geworden voor het wezenlijkste in hun leven en in het leven van de wereld.

Weest dus waakzaam, zegt de Heer vandaag in het evangelie. Wordt wakker uit uw slaap4, weerklinkt het in de woorden van Paulus. Want ook wij kunnen vergeten wat het allerbelangrijkste in ons bestaan is.

Verzamelt de volkeren en meldt aan de naties: zie, God onze redder zal komen! Maakt het bekend en laat het horen, schreeuwt het uit.5 De Kerk herinnert ons hieraan met een voorbereidingsperiode van vier weken, zodat we ons kun­nen gereedmaken om Kerstmis opnieuw te vieren. En zij herinnert ons er tegelijkertijd aan, dat we, met de eerste komst van de mensgeworden God, bedacht moeten zijn op die andere 'komsten' van God, eerst als we sterven en later nog eens op het einde der tijden. De advent is op die manier een tijd van voorbereiding en van hoop.

Kom, o Heer, en draal niet meer. Laten wij zijn weg recht maken. De Heer zal spoedig komen. Als we ons ervan bewust zijn, dat onze blik vertroebeld is, dat we de straling die van Bethlehem, van het Kind uitgaat, niet helder zien, is het tijd om onszelf te ontdoen van wat ons gezichtsvermogen schaadt. Dit is het moment voor een extra goed gewetensonderzoek en voor een grondige innerlijke schoonmaakbeurt, waardoor we de verwachte Gast -God zelf- op passende wijze zullen kunnen ontvangen. Het is het moment aandacht te geven aan de dingen die ons van Hem afhouden, om aan de greep ervan te ontkomen en ons ervan te ontdoen. Dan moet ons onder­zoek helemaal dóórdringen tot in de wortels van ons handelen en diep in ons hart nauwkeurig de drijfveren onderzoeken die de motor van ons handelen zijn.

1.2 Als wij op dit moment werkelijk, niet halfslachtig maar serieus, dichter bij God willen komen en naar Hem toegetrokken willen worden, dan moeten wij tot in het binnenste van onze ziel kijken. Daar zullen we de echte vijanden vinden die onophoudelijk strijd voeren om ons van Hem af te houden. Daar bevinden zich, in een of andere vorm, de voornaamste hinderpalen die de groei van ons leven als christen tegenwerken en verhinderen: begeerte van het vlees, begeerte van de ogen en hovaardij van het geld.6 «De begeerte van het vlees bestaat niet alleen in de ongeorden­de neiging van de zinnen in het algemeen [...], is niet be­perkt tot de wanorde der zinnelijkheid, maar ze omvat ook de zucht naar gemak, het gebrek aan geestdrift, waardoor wij zoeken naar de meest gemakkelijke en aangename weg, de schijnbaar kortste weg, zelfs als wij daarvoor concessies moeten doen aan onze trouw aan God [...].

»De andere vijand [...] is de begeerlijkheid der ogen. Dat is een eindeloze gretigheid die ons ertoe drijft alleen maar waarde te hechten aan wat tastbaar is [...].

»De ogen van de ziel worden troebel. Onze zelfgenoegzame rede meent alles te kunnen begrijpen uit eigen kracht, zonder God nodig te hebben: een subtiele bekoring die zich verschuilt achter het door God, onze Vader, aan de mens geschonken edele verstand, waardoor die mens Hem vrij kan kennen en beminnen. Door zo'n bekoring meegesleept, meent het menselijk verstand ten slotte dat het de spil van het heelal is, gelooft het opnieuw aan het Ge zult als goden zijn (Gn 3,5). Geheel van eigenliefde vervuld, zal dit verstand uiteindelijk Gods liefde de rug toekeren.

»Zo kunnen wij ons onvoorwaardelijk overleveren in de handen van onze derde vijand: de superbia vitae, de hovaardij des levens. Die heeft niet alleen betrekking op kortstondige gedachten van ijdelheid en eigenliefde, maar veeleer op een zelfverheffing van heel ons wezen. Laten we onszelf niets wijsmaken, dit is de ergste van alle kwaden, de wortel van alle ontsporingen.»7

God komt naar ons toe, daar moeten we dus klaar voor zijn. Als het Kerstmis wordt, moet God ons vol verwachting aantreffen met alles op orde en onze ziel klaar om Hem te ontvangen; zoals Hij ons ook zou moeten aantreffen bij onze laatste ontmoeting met Hem. We moeten aanpassen wat aangepast moet worden, onze levensloop verbeteren en ons tot God wenden die ook naar ons toekomt. Het hele bestaan van de mens is een voortdurende voorbereiding op de ontmoeting met God die steeds dichterbij komt. We hebben een afspraak. Maar in de advent helpt de Kerk ons met deze plechtige overweging in gedachten ons op bijzon­dere wijze te vragen: Heer, laat mij uw wegen kennen. Heer, toon mij uw paden. Laat mij wandelen in waarheid en onderricht mij: want Gij zijt God mijn Redder.8

Laten we ons voorbereiden op die ontmoeting in het sacrament van de biecht. Vlak voor Kerstmis 1980 was paus Johannes Paulus ii bij meer dan tweeduizend kinderen in een Romeinse parochie. Hij begon zijn catechese met deze dialoog: «Hoe bereiden jullie je voor op Kerstmis?» «Met gebed», riepen de kinderen terug. «Heel goed: door te bidden», zei de Paus, «maar ook door te gaan biechten. Jullie moeten gaan biechten zodat jullie daarna te communie kunnen gaan. Zullen jullie dat doen?» En nog harder zeiden de kinderen: «Ja, dat doen we!» Johannes Paulus ii zegt: «Zo hoort het ook.» Hij laat zijn stem dalen en fluistert: «De paus gaat ook biechten om het Christuskind waardig te ontvangen.»

Ook wij zullen in de weken tussen nu en Kerstmis hetzelfde doen, met een steeds grotere liefde en dieper berouw, want we kunnen dit sacrament van goddelijke barmhartigheid altijd in nog betere gesteldheid ontvangen door een diepgaander onderzoek van onze ziel.

1.3 In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Weest op uw hoede, weest waakzaam, want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is [...]. Weest dus waakzaam, want ge weet niet, wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of midden in de nacht, bij het hanengekraai of 's morgens vroeg. Als hij onverwachts komt, laat hij u dan niet slapend vinden. En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen: Weest waakzaam! 9

Om deze staat van paraatheid te handhaven moeten we strijden, want wij allen hebben de neiging te leven met onze ogen gericht op de aardse zaken. Laten we vooral in deze adventstijd niet vergeten dat onze harten verduisterd zijn door gulzigheid en dronkenschap en de zorg om dit leven, waardoor we de bovennatuurlijke dimensie uit het oog verliezen die in het centrum van heel ons handelen zou moeten staan. De heilige Paulus vergelijkt deze wacht over onszelf met die van de goedbewapende soldaat die ervoor zorgt niet bij verrassing overvallen te worden.10 «Alleen onze tegenstander en vijand tracht ons waar hij kan te benadelen; hij ligt steeds op de loer; laten wij derhalve altijd op onze hoede zijn.»11

We zullen op onze hoede blijven als we attent blijven letten op het persoonlijk gebed, waardoor wordt vermeden dat we lauw worden en dat ons verlangen naar heiligheid vermindert en verkoelt. Wij zullen zonder onderbreking waakzaam zijn als we niet slordig omgaan met die kleine verstervingen die onze aandacht op de zaken van God gericht houden. Wij zullen op onze hoede blijven door een verfijnd gewetensonderzoek waardoor we naar die punten kijken waardoor we -bijna zonder het te merken- van ons pad afraken.

«Broeders -zegt de heilige Bernardus ons- God openbaart u, zoals Hij de kinderen deed, wat verborgen is voor geleerden en wijzen: de ware wegen tot het heil. Denk daarover na met de grootste aandacht. Doordrenk uzelf met de betekenis van deze adventstijd. Maar vooral, geef aandacht aan Wie komen gaat; bedenk wanneer Hij komt en waarheen Hij gaat; beschouw het doel van zijn komst, de weg die Hij voor zijn komst zal nemen. Zulke gedachten kunnen alleen maar goed zijn. Onze nieuwsgierigheid is zeker niet voor niets. De universele Kerk zou deze adventstijd niet met zo'n plechtige devotie vieren als de advent geen groot geheimenis zou bevatten.»12

Laat ons voortgaan met een zuiver hart om de opperste Koning te ontvangen, want Hij zal weldra komen, en zal niet talmen, lezen we in de antifonen van de adventsliturgie.

De heilige maagd Maria, onze hoop, zal ons helpen in deze adventstijd vooruit te gaan. Zij verwacht met grote ingetogenheid haar Kind, en dat is de Messias. Al haar gedachten zijn op Jezus gericht, die in Bethlehem geboren zal worden. Aan haar zijde zal het voor ons makkelijk zijn de gesteldheid van onze ziel zo te verbeteren, dat Jezus bij zijn komst ons niet zal aantreffen terwijl we afgeleid zijn door andere zaken die, vergeleken met de komst van God, van weinig of geen belang zijn.

-1. Gebed uit de Mis van de dag. -2. R.A. Knox, Sermon on advent, 21 december 1947. -3. Joh 1,11. -4. Vgl. Rom 13,11. -5. Vgl. Joël 2,16; Jes 62,11; Jer 4,5. -6. 1 Joh 2,16. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 5 en 6. -8. Ps 25(24),4-5. -9. Mc 13,33; 35-37. -10. Vgl. 1 Tes 5,4-11. -11. H. Theresia van Avila, De Weg der Volmaaktheid, 19,13. -12. H. Bernardus, Preek over de zes aspecten van de advent, 1.



Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
Spreken met God Deel 5
van € 17,95 voor € 15,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Priester zijn
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 50 vragen over Jezus
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps:   xml   html      ©De Boog 2009