Eerste zondag van de advent
1. ADVENT: IN AFWACHTING VAN DE HEER
-Waakzaam zijn in de
periode voor de komst van de Messias. -De aartsvijanden van onze heiligheid: de
drie begeerten. De biecht: voorbereiding op Kerstmis. -Blijf waakzaam door
gebed, versterving en gewetensonderzoek.
1.1 Almachtige
God, wij vragen U: geef uw gelovigen de bereidheid Christus, die komende is,
tegemoet te gaan met werken van gerechtigheid, om eens verzameld te worden aan
zijn rechterhand en bezit te nemen van het hemels Rijk.1
«Iedereen
weet, zelfs degenen onder ons die het minst avontuurlijk geleefd hebben -zegt
Ronald Knox in een preek over de advent- wat het betekent mijlen, althans het
lijken wel mijlen, voort te ploeteren met de ogen strak gericht op de lichten
die op de een of andere manier thuis betekenen. Wat is het moeilijk, als je dat
doet, afstanden te schatten! In het pikdonker lijkt het misschien een paar mijl
naar je bestemming, misschien is het maar een paar honderd meter. Zo was het,
denk ik, ook met de profeten van Israël, toen zij uitkeken naar de verlossing
van hun volk. Zij zouden je niet binnen een marge van honderd jaar, niet binnen
een marge van vijfhonderd jaar hebben kunnen vertellen wanneer de bevrijding
zou komen. Zij wisten alleen, dat ooit de stam van David opnieuw zou uitbotten.
Ooit zou de sleutel gevonden worden die zou passen op de deur van hun
gevangenis. Ooit zou het licht, dat nu enkel scheen als een dwaallicht aan de
horizon, uiteindelijk uitgroeien tot een volmaakte dag. Het volk van God moest
echter nog wachten.
»Deze houding van
verwachting is er een die de Kerk graag in ons, in haar kinderen, doorlopend
aanmoedigt. Zij ziet het als een wezenlijk onderdeel van onze christelijke
instelling, dat we ons nog verheugen op wat gaat komen; het is nu al bijna
tweeduizend jaar geleden dat de eerste Kerstdag kwam en ging, en nog moeten we
ons blijven verheugen op wat komen gaat. Zo spoort de Kerk ons aan, gedurende
de advent, de herders tot gids te nemen en in onze verbeelding met hen mee te
reizen, te middernacht, turend naar dat straaltje licht afkomstig uit de stal
van Bethlehem.»2 Toen
de Messias kwam, waren er niet veel die Hem echt verwachtten. Hij kwam onder
de zijnen, maar de zijnen namen Hem niet aan.3 De meeste mensen uit die dagen waren
blind geworden voor het wezenlijkste in hun leven en in het leven van de
wereld.
Weest dus waakzaam,
zegt de Heer vandaag in het evangelie. Wordt wakker uit uw slaap4, weerklinkt het
in de woorden van Paulus. Want ook wij kunnen vergeten wat het
allerbelangrijkste in ons bestaan is.
Verzamelt de volkeren
en meldt aan de naties: zie, God onze redder zal komen! Maakt het bekend en
laat het horen, schreeuwt het uit.5 De Kerk herinnert ons hieraan met een
voorbereidingsperiode van vier weken, zodat we ons kunnen gereedmaken om
Kerstmis opnieuw te vieren. En zij herinnert ons er tegelijkertijd aan, dat we,
met de eerste komst van de mensgeworden God, bedacht moeten zijn op die andere
'komsten' van God, eerst als we sterven en later nog eens op het einde der
tijden. De advent is op die manier een tijd van voorbereiding en van hoop.
Kom, o Heer, en draal
niet meer. Laten wij zijn weg recht maken. De Heer zal spoedig komen. Als
we ons ervan bewust zijn, dat onze blik vertroebeld is, dat we de straling die
van Bethlehem, van het Kind uitgaat, niet helder zien, is het tijd om onszelf
te ontdoen van wat ons gezichtsvermogen schaadt. Dit is het moment voor een
extra goed gewetensonderzoek en voor een grondige innerlijke schoonmaakbeurt,
waardoor we de verwachte Gast -God zelf- op passende wijze zullen kunnen
ontvangen. Het is het moment aandacht te geven aan de dingen die ons van Hem
afhouden, om aan de greep ervan te ontkomen en ons ervan te ontdoen. Dan moet
ons onderzoek helemaal dóórdringen tot in de wortels van ons handelen en diep
in ons hart nauwkeurig de drijfveren onderzoeken die de motor van ons handelen
zijn.
1.2 Als wij
op dit moment werkelijk, niet halfslachtig maar serieus, dichter bij God willen
komen en naar Hem toegetrokken willen worden, dan moeten wij tot in het
binnenste van onze ziel kijken. Daar zullen we de echte vijanden vinden die
onophoudelijk strijd voeren om ons van Hem af te houden. Daar bevinden zich, in
een of andere vorm, de voornaamste hinderpalen die de groei van ons leven als
christen tegenwerken en verhinderen: begeerte van het vlees, begeerte van de
ogen en hovaardij van het geld.6 «De
begeerte van het vlees bestaat niet alleen in de ongeordende neiging van de
zinnen in het algemeen [...], is niet beperkt tot de wanorde der zinnelijkheid,
maar ze omvat ook de zucht naar gemak, het gebrek aan geestdrift, waardoor wij
zoeken naar de meest gemakkelijke en aangename weg, de schijnbaar kortste weg,
zelfs als wij daarvoor concessies moeten doen aan onze trouw aan God [...].
»De andere vijand [...] is
de begeerlijkheid der ogen. Dat is een eindeloze gretigheid die ons ertoe
drijft alleen maar waarde te hechten aan wat tastbaar is [...].
»De ogen van de ziel
worden troebel. Onze zelfgenoegzame rede meent alles te kunnen begrijpen uit
eigen kracht, zonder God nodig te hebben: een subtiele bekoring die zich
verschuilt achter het door God, onze Vader, aan de mens geschonken edele
verstand, waardoor die mens Hem vrij kan kennen en beminnen. Door zo'n bekoring
meegesleept, meent het menselijk verstand ten slotte dat het de spil van het
heelal is, gelooft het opnieuw aan het Ge zult als goden zijn (Gn 3,5).
Geheel van eigenliefde vervuld, zal dit verstand uiteindelijk Gods liefde de
rug toekeren.
»Zo kunnen wij ons
onvoorwaardelijk overleveren in de handen van onze derde vijand: de superbia
vitae, de hovaardij des levens. Die heeft niet alleen betrekking op
kortstondige gedachten van ijdelheid en eigenliefde, maar veeleer op een
zelfverheffing van heel ons wezen. Laten we onszelf niets wijsmaken, dit is de
ergste van alle kwaden, de wortel van alle ontsporingen.»7
God komt naar ons toe,
daar moeten we dus klaar voor zijn. Als het Kerstmis wordt, moet God ons vol
verwachting aantreffen met alles op orde en onze ziel klaar om Hem te
ontvangen; zoals Hij ons ook zou moeten aantreffen bij onze laatste ontmoeting
met Hem. We moeten aanpassen wat aangepast moet worden, onze levensloop
verbeteren en ons tot God wenden die ook naar ons toekomt. Het hele bestaan van
de mens is een voortdurende voorbereiding op de ontmoeting met God die steeds
dichterbij komt. We hebben een afspraak. Maar in de advent helpt de Kerk ons
met deze plechtige overweging in gedachten ons op bijzondere wijze te vragen: Heer,
laat mij uw wegen kennen. Heer, toon mij uw paden. Laat mij wandelen in waarheid en onderricht mij: want Gij zijt God
mijn Redder.8
Laten we ons voorbereiden
op die ontmoeting in het sacrament van de biecht. Vlak voor Kerstmis 1980 was
paus Johannes Paulus ii bij meer
dan tweeduizend kinderen in een Romeinse parochie. Hij begon zijn catechese met
deze dialoog: «Hoe bereiden jullie je voor op Kerstmis?» «Met gebed», riepen de
kinderen terug. «Heel goed: door te bidden», zei de Paus, «maar ook door te
gaan biechten. Jullie moeten gaan biechten zodat jullie daarna te communie
kunnen gaan. Zullen jullie dat doen?» En nog harder zeiden de kinderen: «Ja,
dat doen we!» Johannes Paulus ii zegt:
«Zo hoort het ook.» Hij laat zijn stem dalen en fluistert: «De paus gaat ook
biechten om het Christuskind waardig te ontvangen.»
Ook wij zullen in de weken
tussen nu en Kerstmis hetzelfde doen, met een steeds grotere liefde en dieper
berouw, want we kunnen dit sacrament van goddelijke barmhartigheid altijd in
nog betere gesteldheid ontvangen door een diepgaander onderzoek van onze ziel.
1.3 In
die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Weest op uw hoede, weest waakzaam, want
gij weet niet wanneer het ogenblik daar is [...]. Weest dus waakzaam, want ge
weet niet, wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of midden in de
nacht, bij het hanengekraai of 's morgens vroeg. Als hij onverwachts komt, laat
hij u dan niet slapend vinden. En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen: Weest
waakzaam! 9
Om deze staat van
paraatheid te handhaven moeten we strijden, want wij allen hebben de neiging te
leven met onze ogen gericht op de aardse zaken. Laten we vooral in deze
adventstijd niet vergeten dat onze harten verduisterd zijn door gulzigheid
en dronkenschap en de zorg om dit leven, waardoor we de bovennatuurlijke
dimensie uit het oog verliezen die in het centrum van heel ons handelen zou
moeten staan. De heilige Paulus vergelijkt deze wacht over onszelf met die van
de goedbewapende soldaat die ervoor zorgt niet bij verrassing overvallen te
worden.10 «Alleen
onze tegenstander en vijand tracht ons waar hij kan te benadelen; hij ligt
steeds op de loer; laten wij derhalve altijd op onze hoede zijn.»11
We zullen op onze hoede
blijven als we attent blijven letten op het persoonlijk gebed, waardoor wordt
vermeden dat we lauw worden en dat ons verlangen naar heiligheid vermindert en
verkoelt. Wij zullen zonder onderbreking waakzaam zijn als we niet slordig
omgaan met die kleine verstervingen die onze aandacht op de zaken van God
gericht houden. Wij zullen op onze hoede blijven door een verfijnd
gewetensonderzoek waardoor we naar die punten kijken waardoor we -bijna zonder
het te merken- van ons pad afraken.
«Broeders -zegt de heilige
Bernardus ons- God openbaart u, zoals Hij de kinderen deed, wat verborgen is
voor geleerden en wijzen: de ware wegen tot het heil. Denk daarover na met de grootste
aandacht. Doordrenk uzelf met de betekenis van deze adventstijd. Maar vooral,
geef aandacht aan Wie komen gaat; bedenk wanneer Hij komt en waarheen Hij gaat;
beschouw het doel van zijn komst, de weg die Hij voor zijn komst zal nemen.
Zulke gedachten kunnen alleen maar goed zijn. Onze nieuwsgierigheid is zeker
niet voor niets. De universele Kerk zou deze adventstijd niet met zo'n
plechtige devotie vieren als de advent geen groot geheimenis zou bevatten.»12
Laat ons voortgaan met
een zuiver hart om de opperste Koning te ontvangen, want Hij zal weldra komen,
en zal niet talmen, lezen we in de antifonen van de adventsliturgie.
De heilige maagd Maria,
onze hoop, zal ons helpen in deze adventstijd vooruit te gaan. Zij verwacht met
grote ingetogenheid haar Kind, en dat is de Messias. Al haar gedachten zijn op
Jezus gericht, die in Bethlehem geboren zal worden. Aan haar zijde zal het voor
ons makkelijk zijn de gesteldheid van onze ziel zo te verbeteren, dat Jezus bij
zijn komst ons niet zal aantreffen terwijl we afgeleid zijn door andere zaken
die, vergeleken met de komst van God, van weinig of geen belang zijn.
-1. Gebed uit
de Mis van de dag. -2. R.A. Knox,
Sermon on advent, 21 december 1947. -3. Joh 1,11. -4. Vgl. Rom
13,11. -5. Vgl. Joël 2,16; Jes 62,11; Jer 4,5. -6. 1
Joh 2,16. -7. H. Jozefmaria Escrivá,
Als Christus nu langs komt, 5 en 6. -8. Ps 25(24),4-5. -9. Mc
13,33; 35-37. -10. Vgl. 1 Tes 5,4-11. -11. H. Theresia van Avila, De Weg der Volmaaktheid, 19,13.
-12. H. Bernardus, Preek over
de zes aspecten van de advent, 1.
|