Vierde
zondag van de advent
21. ADVENT, TIJD VAN HOOP EN VERWACHTING
-Maria, Meesteres van de hoop. Oorsprong van
moedeloosheid en ontmoediging. Jezus Christus, het hoogste goed. -Het voorwerp
van onze hoop. -Vertrouwen in de Heer. Hij is nooit te laat met het geven van
de benodigde genade en hulp.
21.1 De
geest van de advent bestaat voor een groot deel in het dicht bij Maria leven,
in deze tijd waarin zij Jezus in haar schoot draagt. Ons leven is ook een wat
langere advent, de verwachting van het definitieve moment waarop we de Heer ten
slotte voor altijd zullen ontmoeten. De katholiek weet, dat alle dagen van zijn
leven als een 'advent' in verbondenheid met de maagd Maria moeten worden
doorgebracht. Het geeft hem de zekerheid te slagen in het enige dat echt telt
in zijn bestaan: Christus ontmoeten in dit leven en later in de eeuwigheid.
Om Kerstmis voor te
bereiden, dat nu al zo dichtbij is, is er geen beter middel dan Maria te
vergezellen door met meer liefde en vertrouwen met haar om te gaan. Onze Lieve
Vrouw doet de blijdschap in de ziel toenemen, omdat zij ons met haar omgang
naar Christus leidt. «Leermeesteres van de Hoop. Maria verkondigde: van
heden af prijst elk geslacht mij zalig (Lc 1,48). In menselijke termen zou
men zich kunnen afvragen waar die verwachting op gebaseerd was? Wie was zij
voor de mannen en vrouwen van toen? De grote vrouwen van het Oude Testament
-Judit, Ester, Debora- verwierven al hier op aarde menselijke roem [...] Wat
steekt de hoop van onze Lieve Vrouw schril af tegen ons ongeduld. We dringen er
vaak bij God op aan, dat Hij ons het kleine beetje goeds dat we voor Hem tot
stand gebracht hebben, terstond beloont. De eerste moeilijkheid doet zich nog
niet voor, of we beklagen ons. Wij zijn vaak niet in staat de poging door te
zetten, de hoop niet te verliezen.»1
Wie moeilijkheden en
lijden verdraagt, raakt niet ontmoedigd, maar wel degene die niet haakt naar de
heiligheid en het eeuwig leven, en die
wanhoopt dat ooit te bereiken. Die eerste houding, dat gemis aan streven
naar heiligheid, wordt bepaald door ongeloof, door oppervlakkigheid, door
lauwheid en buitensporige gehechtheid aan de aardse goederen die beschouwd
worden als het enige dat telt. Als ontmoediging niet genezen wordt, verlamt zij
de pogingen het goede te doen en moeilijkheden te overwinnen. In sommige
gevallen wordt de moedeloosheid om de eigen heiligheid bepaald door de zwakte
van het willen, door vrees voor de inspanning die bij de ascetische strijd
hoort en voor het moeten opgeven van de verknochtheden en ongeordendheden van
de zintuigen. Ook schijnbare mislukkingen van onze innerlijke strijd en
apostolische ijver kunnen ons ontmoedigen. Wie de zaken omwille van God en
diens glorie doet, mislukt nooit: «Overtuig je
van deze waarheid: jouw succes, nu en in deze aangelegenheid, bestond erin te
mislukken. - Dank de Heer en begin opnieuw!»2 «Je mislukte niet: je hebt ervaring opgedaan. -
Vooruit!»3
Binnen een paar dagen
zullen we in het stalletje Jezus in de kribbe zien, dat is een bewijs van de
barmhartigheid en de liefde van God. En wij zullen kunnen zeggen: «In deze
hoogheilige nacht staat alles in mij stil. Ik sta tegenover Hem: in de
oneindige witheid is er niets dan Hij. Hij zegt niets, maar Hij is hier... Hij is
God die mij bemint.»4 En
als God mens wordt en mij liefheeft, hoe kan het dan zijn, dat ik Hem niet zou
zoeken? Waarom de hoop Hem te ontmoeten verliezen, als Hij op zoek is naar
mij? Weg met die eventuele moedeloosheid. Noch uitwendige oorzaken, noch onze
persoonlijke ellende vermogen iets tegenover de blijdschap van de Geboorte die
gaat plaatshebben.
21.2 Het
hele Oude Testament door is er sprake van hoop als een van de wezenlijkste
kenmerken van het ware volk van God. Alle ogen zijn gericht op de verre
toekomst, omdat dan ooit de Messias zal komen: «De boeken van het Oude
Testament beschrijven de heilsgeschiedenis waardoor de komst van Christus in de
wereld langzaam wordt voorbereid.»5 In
Genesis is sprake van de overwinning van de Vrouw op het kwaad, en van
een nieuwe wereld.6 De profeet
Hosea kondigt aan dat Israël zal terugkeren naar de oude liefde en daarin zal
bloeien.7 Jesaja kondigt te midden van de tegenvallers tijdens de
regering van Hizkia de komst van de
Messias aan.8 Micha duidde op Bethlehem in het land van Juda als de
geboorteplaats van de Messias.9
Nog maar een paar dagen en
dan zien we in het stalletje de Heer. Profeten hebben Hem geschouwd en
voorzegd: een vrouw, die Maagd en Moeder was, heeft Hem gedragen; Johannes
heeft verkondigd dat Hij komen zou, en Hem herkend en aangewezen toen Hij
eenmaal was gekomen. Hij zelf ontsteekt in ons de vreugde en de kracht om toe
te leven naar de dag van zijn geboorte. Laat Hij ons vinden, waakzaam, biddend,
vol van dat geheim, zingend van alle grote dingen die Hij heeft gedaan.10
Jezus Christus verkondigt,
vanaf de kribbe in Bethlehem tot aan zijn Hemelvaart, een boodschap van hoop
en verwachting. Jezus zelf is onze enige hoop.11 Hij is de totale garantie, dat
wij het beloofde heil zullen verwerven. Laten we naar de grot van Bethlehem
kijken, «in waakzame verwachting», en begrijpen dat wij alleen met Hem vol
vertrouwen naar God de Vader kunnen gaan.12
De Heer zelf wijst erop
dat het belangrijkste voorwerp van de christelijke hoop niet de goederen van
dit leven zijn, die door worm en mot vergaan en waar dieven inbreken om te
stelen13,
maar de schatten van het onvervreemdbaar erfdeel, en op de eerste plaats het
opperste geluk God voor eeuwig te bezitten.
Laat ons vol vertrouwen
hopen, dat ons ooit de eeuwige zaligheid toegedeeld zal worden, en voor nu,
vergiffenis voor onze zonden en zijn genade. Als gevolg hiervan strekt de
verwachtingsvolle hoop zich uit tot alle middelen die nodig zijn om dat doel
te bereiken. Onder dit bijzonder opzicht kunnen de aardse goederen ook tot het
gebied van de hoop behoren, maar alleen in de mate waarin en op de wijze waarop
God het gebruik van deze goederen tot ons heil geordend heeft.
Laten we, deze dagen en
altijd, met al onze krachten strijden tegen die kleinere vormen van wanhoop,
zoals moedeloosheid, ontmoediging, en het bijna uitsluitend bezig zijn met de
aardse goederen. Door de hoop zullen we ons in God verliezen en alle middelen
binnen bereik plaatsen voor een ascetische strijd die ons zal aanzetten vaak
opnieuw te beginnen, volhardend te zijn in het apostolaat en geduldig bij
tegenstand, en een veel bovennatuurlijker visie te hebben op het leven en de
voorvallen van het leven. «In de mate waarin de wereld de christelijke hoop moe
wordt, is het alternatief dat overblijft materialisme, van een soort waar we
reeds bekend mee zijn; dat en niets anders. De ervaring die de wereld heeft met
het christendom is er een van grote liefde, van levenslange liefde [...]. Geen
nieuwe stem [...] zal voor ons enige aantrekkingskracht hebben, tenzij die ons
terugbrengt naar de stal van Bethlehem -om onze trots daar te vernederen, onze
liefde te vergroten en ons gevoel van eerbied bij het zien van een
ontzagwekkende reinheid te verdiepen.»14
21.3 Luistert
naar Mij, gij moedelozen, gij die meent ver van de overwinning te zijn. Ik
breng mijn overwinning; die is niet ver, mijn redding zal niet talmen.15
Onze hoop op de Heer dient
groter te zijn naarmate de middelen waarover men beschikt kleiner zijn, of de
moeilijkheden groter. Bij een bepaalde gelegenheid, toen Jezus naar Kafarnaüm
terugkeerde, zegt de heilige Lucas16 dat iedereen Hem verwachtte. Te midden van de
menigte steekt een persoon boven de rest uit die door de evangelist getypeerd
wordt met de woorden dat hij een overste van de synagoge was en Jezus om
genezing vraagt voor zijn dochter: Hij viel Jezus te voet. Hij maakt er
helemaal geen probleem van in het openbaar een dergelijk blijk van nederigheid
en geloof in Hem te geven.
Na een aanwijzing van de
Heer zetten allen zich onmiddellijk in beweging naar het huis van Jaïrus. Het
meisje, twaalf jaar oud, enig kind, lag op sterven. De doodsstrijd had al
ingezet. Juist als ze al een deel van de weg hebben afgelegd is er een vrouw,
verscholen tussen de menigte, die aan een ziekte lijdt, waardoor zij volgens de
wet onrein is en anderen niet mag naderen. Zij raakt de zoom van het kleed van
de Heer aan. Ook een vrouw met een diepe nederigheid. Jaïrus heeft zijn hoop en
nederigheid getoond door ten overstaan van allen Jezus te voet te vallen. Deze
vrouw doet alsof zij onopgemerkt voorbijgaat. Zij zou geen tijd van de Meester
in beslag willen nemen. Zij achtte zichzelf veel te onbeduidend om door de Heer
te worden opgemerkt. Het is haar voldoende zijn mantel aan te raken. Beide
wonderen zullen volmaakt verricht worden. De vrouw wie de kennis van zoveel
medici niet had mogen baten, werd voor altijd genezen. En het dochtertje van
Jaïrus zou een volledig gezond leven leiden, ondanks het feit dat zij, toen de
groep mensen na het oponthoud onderweg arriveerde, gestorven was.
Wat deed Jaïrus tijdens
dat oponthoud met die vrouw die leed aan vloeiïngen? Het lijkt, dat hij naar
het tweede plan geschoven was. Het is niet moeilijk je een voorstelling te
maken hoe ongeduldig hij was, want toen hij van huis ging om de Meester te
halen, lag zijn kind op sterven. Jezus echter haast zich kennelijk niet. Het
lijkt zelfs of Hij het niet belangrijk vindt wat er in het huis van Jaïrus
gebeurt. Als Jezus aankomt, is het meisje gestorven. Er is nu geen mogelijkheid
meer haar voor de dood te behoeden. Het lijkt dat Jezus te laat is gekomen.
Juist dan, als er menselijkerwijs niets meer gedaan kan worden, als er niets
meer is om niet moedeloos van te worden, heeft het uur geslagen voor de
bovennatuurlijke hoop.
Jezus komt nooit te laat.
Hij vraagt alleen een groter geloof. Hij heeft gewacht tot het volstrekt te
laat was om ons te onderrichten dat de bovennatuurlijke hoop ook gegrondvest
kan worden op de ruïnes van de menselijke verwachting, en dat het alleen nodig
is een grenzeloos vertrouwen te hebben in Hem die alles kan, op elk moment.
Deze passage verwijst ons
naar ons eigen leven, als het lijkt of Jezus niets doet aan onze noden,
verleent Hij ons een grotere genade. Deze passage laat ons terugdenken aan
zoveel momenten voor het tabernakel, waarin we woorden meenden te horen die
heel veel hierop leken : Wees niet bang, maar heb geloof. Hopen op Jezus
is vertrouwen op Hem en daden aan Hem overlaten. Veel vertrouwen, wanneer de
menselijke elementen waarop we nog zouden kunnen steunen zwakker zijn.
De devotie tot de heilige Maagd
is de beste garantie om de vereiste middelen te verwerven en het eeuwig geluk
waartoe we bestemd zijn. Maria is heel echt «een haven voor bedreigden in de
storm, het herstel van onze rampen, de troost van de ongelukkigen en de
blijdschap van de zieken.»17 Laten we haar vragen dat we hoop mogen hebben. Nu, in de
dagen die ons resten tot Kerstmis -en altijd- die zo vol geloof zijn in haar
Zoon Jezus Christus, de door de profeten aangekondigde Messias. «Zij licht hier
op aarde het volk Gods op pelgrimstocht voor als een teken van vaste hoop en
van troost, totdat eens de dag des Heren komt (2 Pe 3,10).»18
-1. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 286. -2. Idem, De Weg,
404. -3. Ibidem, 405. -4. J.
Leclercq, En suivant l'année liturgique. -5. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 55. -6. Vgl. Gn 3,15. -7. Hos 2,16-25. -8. Jes
7,9-14. -9. Mi 5,1-5. -10. Prefatie II van de advent. -11. Vgl. 1
Tim 1,1. -12. Vgl. 1 Tes 3,13. -13. Mt 6,19. -14. R.A. Knox, Kerstpreek,
29.12.1953. -15. Vgl. Jes 46,12-13. -16. Lc 8,40-46. -17. H. Alfonsus van Liguori, Bezoeken
aan het Allerheiligst Sacrament, 28. -18. Vaticanum ii,
o.c., 68.
|