Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

2 november

37. ALLERZIELEN

Na de dood worden de banden met hen die onze metgezellen onderweg waren, niet verbroken. Vandaag wijden wij onze gebeden aan al degenen die in het vagevuur nog gelouterd worden van de sporen die de zonden in hun ziel hebben achtergelaten. De priesters kunnen vandaag driemaal de heilige mis opdragen ter ondersteuning van degenen die ons voorgegaan zijn. De gelovigen kunnen aflaten verdienen en deze ook voor de overledenen bestemmen.

-Het vagevuur, louteringsplaats en voorportaal van de hemel. -Wij kunnen de zielen in het vagevuur in hoge mate en op velerlei wijzen helpen. De goede werken ten behoeve van hen. -Onze eigen loutering in dit leven. Het verlangen in de hemel te komen zonder eerst door het vagevuur heen te gaan.

37.1 In deze novembermaand nodigt de Kerk ons nadrukkelijker uit om te bidden en goede werken aan te bieden voor de overleden gelovigen in het vagevuur. Tegenover deze broeders van ons, die «ook deelachtig zijn geweest aan de broosheid die bij elk menselijk wezen behoort, voelen wij de plicht -die tevens een noodzaak van het hart is- om hun de liefdevolle steun van ons gebed aan te bieden, opdat ieder mogelijk overblijfsel van menselijke zwakheid, dat hun gelukzalige ontmoeting met God zou kunnen vertragen, definitief wordt uitgewist.»1

In de hemel kan niets onreins binnenkomen, niemand die schuldig is aan de onnoembare leugen, maar alleen zij wier namen geschreven staan in het boek des levens.2 De ziel die misvormd is door fouten en dagelijkse zonden kan niet in Gods woonstede binnentreden: om het eeuwige geluk te bereiken moet men vrij van elke schuld zijn. De hemel heeft geen deuren -schrijft de heilige Catharina van Genua- en iedereen die wil kan er binnengaan, want God is een en al barmhartigheid en staat met open armen klaar om ons in zijn heerlijkheid toe te laten. Maar Gods wezen is zo zuiver, dat als een ziel bij zichzelf het geringste spoor van onvolmaaktheid bespeurt en tegelijkertijd ziet dat het vagevuur ingesteld is om dergelijke smetten uit te wissen, zij daar binnen zal gaan en het als een grote genade beschouwt die smetten aldus te kunnen reinigen. Het grootste lijden van die zielen is, dat zij tegen Gods goedheid hebben gezondigd en de ziel niet in dit leven hebben gelouterd.3 Het vagevuur is geen kleine hel, maar het voorportaal van de hemel, waar de ziel gezuiverd en verhelderd wordt.

En als ze haar zonden niet op aarde heeft uitgeboet, dan heeft de ziel daar veel te reinigen: dagelijkse zonden, die de vereniging met God zozeer vertragen; gebrek aan liefde en tederheid jegens de Heer; ook de neiging tot de zonde, die verkregen werd bij de eerste val en door onze persoonlijke zonden vergroot wordt... Bovendien laten alle zonden en fouten die in de biecht reeds zijn vergeven, in de ziel een onvoldane schuld achter, een verbroken evenwicht, dat in dit of in het andere leven hersteld dient te worden. En het is mogelijk, dat de geneigdheid tot de reeds vergeven zonden nog steeds in de ziel geworteld ligt in het uur van de dood, indien deze niet door een voortdurende en edelmoedige loutering in dit leven werd verwijderd. Bij het sterven bemerkt de ziel deze neiging met absolute helderheid en zij zal, vanuit het verlangen bij God te zijn, hevig ernaar hunkeren zich van deze kwade geneigdheid te bevrijden. Het vagevuur dient zich op dat ogenblik als de enige mogelijkheid aan om dit te bereiken.

In dit louteringsoord ervaart de ziel een uiterst hevig lijden en smart: een vuur dat «smartelijker is dan alles wat een mens in dit leven kan lijden.»4 Maar er heerst ook grote blijdschap, omdat zij weet dat zij uiteindelijk de slag heeft gewonnen en dat vroeg of laat de ontmoeting met God haar wacht.

De ziel die naar het vagevuur moet gaan lijkt op een avonturier aan de rand van de woestijn. De zon brandt, de hitte is verstikkend, hij beschikt maar over een beetje water; hij ontwaart in de verte, aan de overkant van de grote woestijn tussen hen in, de berg waarop zich zijn schat bevindt, de berg waar een koele bries waait en waar hij eeuwig zal kunnen uitrusten. En hij begeeft zich op weg, bereid om heel die lange afstand te voet af te leggen, terwijl de verzengende hitte hem keer op keer doet vallen.

Het verschil tussen beide is dat de ziel, anders dan die avonturier, met alle stelligheid weet dat zij de berg die in de verte op haar wacht, zal bereiken: hoe verstikkend ze ook mogen zijn, de zon en het zand zullen haar niet van God kunnen scheiden.5

Wij hier op aarde kunnen deze zielen ten zeerste steunen om sneller door die grote woestijn die hen van God scheidt heen te trekken. Eveneens zullen wij, door het uitboeten van onze fouten en zonden onze doortocht door dat oord van loutering kunnen verkorten. Indien wij, met de hulp van de genade, edelmoedig boetedoening beoefenen, ons lijden aanbieden en het sacrament van vergeving liefhebben, dan kunnen wij rechtstreeks naar de hemel gaan. Dat hebben de heiligen gedaan. En zij nodigen ons uit hen na te volgen.

37.2 We kunnen in hoge mate en op onderscheiden manieren de zielen steunen die zich voorbereiden op hun binnentreden in de hemel en nu nog in het vagevuur verblijven, te midden van onuitsprekelijke pijn en lijden. Wij weten dat «de verbinding van de reiziger op weg naar de eeuwigheid met de broeders die in de vrede van Christus ontslapen zijn, geenszins wordt verbroken, maar veeleer [...] door de uitwisseling van geestelijke goederen verstevigd.»6 Laten wij nu meer verbonden zijn met degenen die ons zijn voorgegaan!

De tweede lezing van de heilige mis verhaalt ons dat Judas de Makkabeeër een inzameling hield en tweeduizend drachmen zilver naar Jeruzalem zond om daar een zoenoffer aan te bieden voor de zonden van degenen die in de veldslag waren omgekomen, want hij overwoog, dat voor degenen die godvruchtig ontslapen een heerlijke beloning is weggelegd. En de gewijde schrijver voegt eraan toe: het is inderdaad een heilige en vrome gedachte voor de overledenen een zoenoffer op te dragen, opdat zij van hun zonden worden vrijgesproken.7 De Kerk heeft altijd goede werken en gebeden aangeboden voor de zielen van de overledenen. De heilige Isidorus van Sevilla bevestigde reeds in zijn tijd, dat het aanbieden van offers en gebeden een gewoonte was die in heel de Kerk werd nageleefd. Daarom -zo verzekert de heilige- denkt men, dat het om een gewoonte gaat die door de apostelen zelf is geleerd.8

De heilige mis, die een oneindige waarde heeft, is het belangrijkste wat wij voor het heil van de zielen in het vagevuur kunnen aanbieden.9 Ook kunnen we voor hen de aflaten aanbieden die wij op aarde verdienen10; onze gebeden, met name de heilige rozenkrans; het werk, het lijden, de tegenslagen enz. Deze goede werken zijn de beste manier om onze liefde te tonen voor hen die ons zijn voorgegaan en op hun onmoeting met God wachten; heel bijzonder moeten we bidden voor onze verwanten en vrienden. Onze ouders zullen altijd een ereplaats in deze gebeden moeten innemen. Zij helpen ons eveneens ten zeerste in deze uitwisseling van geestelijke goederen van de Gemeenschap van de Heiligen. «De zielen in het vagevuur. -Denk vaak aan hen in je offers en gebeden, uit naastenliefde, uit rechtvaardigheid en uit een vergeeflijk egoïsme. -Want zij vermogen zoveel bij God!

»Hoe graag zou ik zien dat je, wanneer je over hen spreekt, kon zeggen: 'Mijn goede vrienden, de zielen in het vagevuur...'»11

37.3 Laten we ons inspannen om tijdens dit leven boete te doen, zo spoort de heilige Theresia ons aan. «Hoe zoet zal de dood zijn van hem, die boete heeft gedaan voor al zijn zonden en niet naar het vagevuur behoeft te gaan!»12

De zielen in het vagevuur verwerven tijdens hun loutering geen enkele verdienste. Hun opdracht is veel bitterder, moeilijker en smartelijker dan welke andere op aarde: zij ondergaan alle verschrikkingen van degene die in de woestijn sterft... en toch doet hen dit niet groeien in liefde, zoals dat op aarde zou zijn gebeurd als men het lijden uit liefde tot God aanvaardt. Maar in het vagevuur heerst geen opstandigheid: ook al zouden zij daar tot het einde der tijden moeten verblijven, zij zouden daar graag blijven, zo groot is hun verlangen naar loutering.

Wij kunnen hen verlichten en hun louteringstijd verkorten, en bovendien kunnen wij wel verdiensten verwerven en derhalve sneller en doeltreffender onze eigen ongecontroleerde neigingen zuiveren.

Pijn, ziekte, lijden zijn een buitengewone genade van de Heer om onze fouten en zonden te herstellen. Onze doortocht op aarde zou, terwijl wij God hopen te aanschouwen, een tijd van loutering dienen te zijn. Door boetedoening verjongt de ziel zich en maakt zij zich gereed voor het Leven. «Vergeet het nooit: na de dood zult u ontvangen worden door de Liefde. En in die liefde van God zult u bovendien alle zuivere liefde vinden die u op aarde bezat. De Heer heeft het zo beschikt, dat wij deze korte reis van ons bestaan afleggen met werken en, zoals zijn Eniggeborene, weldoende rondgaan (Hnd 10,38). Ondertussen moeten wij alert zijn op het horen van de roep die de heilige Ignatius van Antiochië waarnam in zijn ziel, toen het uur van zijn marteldood aanbrak: 'Kom naar de Vader' (H. Ignatius van Antiochië, Epistola ad Romanos 7; PG 56,94), kom naar uw Vader die vol verlangen op u wacht.»13

Hoe goed en groot is het verlangen om in de hemel aan te komen zonder eerst door het vagevuur te moeten gaan! Maar het moet een daadkrachtig verlangen zijn, dat ons ook ertoe aanzet ons leven, met de hulp van de genade, te louteren. Onze Moeder, die de Toevlucht van de zondaars is -onze toevlucht-, zal voor ons de benodigde genade verkrijgen, als wij daadwerkelijk vastberaden zijn ons leven te maken tot een spatium verae paenitentiae, een tijd van herstel voor zoveel slechte en nutteloze zaken.

-1. Johannes Paulus ii, Op het kerkhof van Almudena, Madrid 2‑XI-1982. -2. Vgl. Apok 21,27. -3. Vgl. H. Catharina van Genua, Tractaat over het Vagevuur, 12. -4. H. Augustinus, Commentaren op de Psalmen, 37,3. -5. Vgl. W. Macken, El Purgatorio, in Palabra 244. -6. Vaticanum ii, Const. Lumen gentium, 49. -7. Lezing van de 2e mis van Allerzielen; 2 Mak 12,43-44. -8. Vgl. H. Isidorus van Sevilla, De ecclesiasticis officiis, 1. -9. Vgl. Concilie van Trente, Sessie 25. -10. Vgl. Paulus vi, Apost. const. Sacrarum indulgentiarum recognitio, 1-I-1967,5. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 571. -12. H. Theresia van Ávila, De weg van volmaaaktheid, 40,9. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 221.



Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 05 feb 2012