2 november
37. ALLERZIELEN
Na de dood worden de banden met hen die onze metgezellen
onderweg waren, niet verbroken. Vandaag wijden wij onze gebeden aan al degenen
die in het vagevuur nog gelouterd worden van de sporen die de zonden in hun
ziel hebben achtergelaten. De priesters kunnen vandaag driemaal de heilige mis
opdragen ter ondersteuning van degenen die ons voorgegaan zijn. De gelovigen
kunnen aflaten verdienen en deze ook voor de overledenen bestemmen.
-Het vagevuur, louteringsplaats en voorportaal van de hemel.
-Wij kunnen de zielen in het vagevuur in hoge mate en op velerlei wijzen helpen.
De goede werken ten behoeve van hen. -Onze eigen loutering in dit leven. Het
verlangen in de hemel te komen zonder eerst door het vagevuur heen te gaan.
37.1 In deze novembermaand nodigt
de Kerk ons nadrukkelijker uit om te bidden en goede werken aan te bieden voor
de overleden gelovigen in het vagevuur. Tegenover deze broeders van ons, die
«ook deelachtig zijn geweest aan de broosheid die bij elk menselijk wezen
behoort, voelen wij de plicht -die tevens een noodzaak van het hart is- om hun
de liefdevolle steun van ons gebed aan te bieden, opdat ieder mogelijk
overblijfsel van menselijke zwakheid, dat hun gelukzalige ontmoeting met God
zou kunnen vertragen, definitief wordt uitgewist.»1
In de hemel kan niets onreins binnenkomen, niemand die schuldig is aan de onnoembare leugen, maar alleen zij
wier namen geschreven staan in het boek des levens.2 De ziel die misvormd is door fouten en dagelijkse
zonden kan niet in Gods woonstede binnentreden: om het eeuwige geluk te
bereiken moet men vrij van elke schuld zijn. De hemel heeft geen deuren
-schrijft de heilige Catharina van Genua- en iedereen die wil kan er
binnengaan, want God is een en al barmhartigheid en staat met open armen klaar
om ons in zijn heerlijkheid toe te laten. Maar Gods wezen is zo zuiver, dat als
een ziel bij zichzelf het geringste spoor van onvolmaaktheid bespeurt en
tegelijkertijd ziet dat het vagevuur ingesteld is om dergelijke smetten uit te
wissen, zij daar binnen zal gaan en het als een grote genade beschouwt die
smetten aldus te kunnen reinigen. Het grootste lijden van die zielen is, dat zij
tegen Gods goedheid hebben gezondigd en de ziel niet in dit leven hebben
gelouterd.3 Het vagevuur is geen kleine hel,
maar het voorportaal van de hemel, waar de ziel gezuiverd en verhelderd wordt.
En als ze haar zonden niet op aarde heeft uitgeboet, dan heeft
de ziel daar veel te reinigen: dagelijkse zonden, die de vereniging met God
zozeer vertragen; gebrek aan liefde en tederheid jegens de Heer; ook de neiging
tot de zonde, die verkregen werd bij de eerste val en door onze persoonlijke
zonden vergroot wordt... Bovendien laten alle zonden en fouten die in de biecht
reeds zijn vergeven, in de ziel een onvoldane schuld achter, een verbroken
evenwicht, dat in dit of in het andere leven hersteld dient te worden. En het
is mogelijk, dat de geneigdheid tot de reeds vergeven zonden nog steeds in de
ziel geworteld ligt in het uur van de dood, indien deze niet door een
voortdurende en edelmoedige loutering in dit leven werd verwijderd. Bij het
sterven bemerkt de ziel deze neiging met absolute helderheid en zij zal, vanuit
het verlangen bij God te zijn, hevig ernaar hunkeren zich van deze kwade geneigdheid
te bevrijden. Het vagevuur dient zich op dat ogenblik als de enige mogelijkheid
aan om dit te bereiken.
In dit louteringsoord ervaart de ziel een uiterst hevig lijden
en smart: een vuur dat «smartelijker is dan alles wat een mens in dit leven kan
lijden.»4 Maar er heerst ook grote blijdschap,
omdat zij weet dat zij uiteindelijk de slag heeft gewonnen en dat vroeg of laat
de ontmoeting met God haar wacht.
De ziel die naar het vagevuur moet gaan lijkt op een
avonturier aan de rand van de woestijn. De zon brandt, de hitte is verstikkend,
hij beschikt maar over een beetje water; hij ontwaart in de verte, aan de
overkant van de grote woestijn tussen hen in, de berg waarop zich zijn schat
bevindt, de berg waar een koele bries waait en waar hij eeuwig zal kunnen
uitrusten. En hij begeeft zich op weg, bereid om heel die lange afstand te voet
af te leggen, terwijl de verzengende hitte hem keer op keer doet vallen.
Het verschil tussen beide is dat de ziel, anders dan die
avonturier, met alle stelligheid weet dat zij de berg die in de verte op haar
wacht, zal bereiken: hoe verstikkend ze ook mogen zijn, de zon en het zand
zullen haar niet van God kunnen scheiden.5
Wij hier op aarde kunnen deze zielen ten zeerste steunen om
sneller door die grote woestijn die hen van God scheidt heen te trekken.
Eveneens zullen wij, door het uitboeten van onze fouten en zonden onze
doortocht door dat oord van loutering kunnen verkorten. Indien wij, met de hulp
van de genade, edelmoedig boetedoening beoefenen, ons lijden aanbieden en het
sacrament van vergeving liefhebben, dan kunnen wij rechtstreeks naar de hemel
gaan. Dat hebben de heiligen gedaan. En zij nodigen ons uit hen na te volgen.
37.2 We kunnen in hoge mate en op
onderscheiden manieren de zielen steunen die zich voorbereiden op hun
binnentreden in de hemel en nu nog in het vagevuur verblijven, te midden van
onuitsprekelijke pijn en lijden. Wij weten dat «de verbinding van de reiziger
op weg naar de eeuwigheid met de broeders die in de vrede van Christus
ontslapen zijn, geenszins wordt verbroken, maar veeleer [...] door de
uitwisseling van geestelijke goederen verstevigd.»6
Laten wij nu meer verbonden zijn met degenen die ons zijn voorgegaan!
De tweede lezing van de heilige mis verhaalt ons dat Judas de
Makkabeeër een inzameling hield en tweeduizend drachmen zilver naar Jeruzalem
zond om daar een zoenoffer aan te bieden voor de zonden van degenen die in de
veldslag waren omgekomen, want hij overwoog, dat voor
degenen die godvruchtig ontslapen een heerlijke beloning is weggelegd.
En de gewijde schrijver voegt eraan toe: het is inderdaad
een heilige en vrome gedachte voor de overledenen een zoenoffer op te dragen,
opdat zij van hun zonden worden vrijgesproken.7
De Kerk heeft altijd goede werken en gebeden aangeboden voor de zielen van de
overledenen. De heilige Isidorus van Sevilla bevestigde reeds in zijn tijd, dat
het aanbieden van offers en gebeden een gewoonte was die in heel de Kerk werd
nageleefd. Daarom -zo verzekert de heilige- denkt men, dat het om een gewoonte
gaat die door de apostelen zelf is geleerd.8
De heilige mis, die een oneindige waarde heeft, is het belangrijkste
wat wij voor het heil van de zielen in het vagevuur kunnen aanbieden.9 Ook kunnen we voor hen de aflaten aanbieden die wij
op aarde verdienen10; onze gebeden, met name de
heilige rozenkrans; het werk, het lijden, de tegenslagen enz. Deze goede werken
zijn de beste manier om onze liefde te tonen voor hen die ons zijn voorgegaan
en op hun onmoeting met God wachten; heel bijzonder moeten we bidden voor onze
verwanten en vrienden. Onze ouders zullen altijd een ereplaats in deze gebeden
moeten innemen. Zij helpen ons eveneens ten zeerste in deze uitwisseling van
geestelijke goederen van de Gemeenschap van de Heiligen. «De zielen in het
vagevuur. -Denk vaak aan hen in je offers en gebeden, uit naastenliefde, uit
rechtvaardigheid en uit een vergeeflijk egoïsme. -Want zij vermogen zoveel bij
God!
»Hoe graag zou ik zien dat je, wanneer je over hen spreekt,
kon zeggen: 'Mijn goede vrienden, de zielen in het vagevuur...'»11
37.3 Laten we ons inspannen om
tijdens dit leven boete te doen, zo spoort de heilige Theresia ons aan. «Hoe
zoet zal de dood zijn van hem, die boete heeft gedaan voor al zijn zonden en
niet naar het vagevuur behoeft te gaan!»12
De zielen in het vagevuur verwerven tijdens hun loutering
geen enkele verdienste. Hun opdracht is veel bitterder, moeilijker en
smartelijker dan welke andere op aarde: zij ondergaan alle verschrikkingen van
degene die in de woestijn sterft... en toch doet hen dit niet groeien in
liefde, zoals dat op aarde zou zijn gebeurd als men het lijden uit liefde tot
God aanvaardt. Maar in het vagevuur heerst geen opstandigheid: ook al zouden
zij daar tot het einde der tijden moeten verblijven, zij zouden daar graag
blijven, zo groot is hun verlangen naar loutering.
Wij kunnen hen verlichten en hun louteringstijd verkorten, en
bovendien kunnen wij wel verdiensten verwerven en derhalve sneller en
doeltreffender onze eigen ongecontroleerde neigingen zuiveren.
Pijn, ziekte, lijden zijn een buitengewone genade van de Heer
om onze fouten en zonden te herstellen. Onze doortocht op aarde zou, terwijl
wij God hopen te aanschouwen, een tijd van loutering dienen te zijn. Door
boetedoening verjongt de ziel zich en maakt zij zich gereed voor het Leven.
«Vergeet het nooit: na de dood zult u ontvangen worden door de Liefde. En in
die liefde van God zult u bovendien alle zuivere liefde vinden die u op aarde
bezat. De Heer heeft het zo beschikt, dat wij deze korte reis van ons bestaan
afleggen met werken en, zoals zijn Eniggeborene, weldoende
rondgaan (Hnd 10,38). Ondertussen moeten wij alert zijn op het horen van
de roep die de heilige Ignatius van Antiochië waarnam in zijn ziel, toen het
uur van zijn marteldood aanbrak: 'Kom naar de Vader' (H. Ignatius van
Antiochië, Epistola ad Romanos 7; PG 56,94), kom naar uw Vader die vol
verlangen op u wacht.»13
Hoe goed en groot is het verlangen om in de hemel aan te komen
zonder eerst door het vagevuur te moeten gaan! Maar het moet een daadkrachtig
verlangen zijn, dat ons ook ertoe aanzet ons leven, met de hulp van de genade,
te louteren. Onze Moeder, die de Toevlucht van de zondaars
is -onze toevlucht-, zal voor ons de benodigde genade verkrijgen, als wij
daadwerkelijk vastberaden zijn ons leven te maken tot een spatium
verae paenitentiae, een tijd van herstel voor zoveel slechte en
nutteloze zaken.
-1. Johannes Paulus ii, Op het kerkhof van Almudena, Madrid 2‑XI-1982. -2.
Vgl. Apok 21,27. -3. Vgl. H. Catharina
van Genua, Tractaat over het Vagevuur,
12. -4. H. Augustinus, Commentaren
op de Psalmen, 37,3. -5. Vgl. W. Macken, El Purgatorio, in Palabra 244. -6. Vaticanum ii, Const. Lumen gentium,
49. -7. Lezing van de 2e mis van Allerzielen;
2 Mak 12,43-44. -8. Vgl. H. Isidorus van
Sevilla, De ecclesiasticis officiis,
1. -9. Vgl. Concilie van Trente, Sessie 25. -10. Vgl. Paulus vi, Apost.
const. Sacrarum indulgentiarum recognitio,
1-I-1967,5. -11. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 571. -12. H. Theresia van
Ávila, De weg van volmaaaktheid, 40,9.
-13. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 221.