Tweeëndertigste week. Donderdag
34. Als een ommuurde stad
-De onderlinge liefde van de eerste christenen. -Sterkte
die door de liefde verleend wordt. -Deugden die met de liefde hand in hand
gaan.
34.1 Een van de lezingen van
de heilige Mis van vandaag biedt ons de Brief aan Filemon, de kortste brief van
Paulus en een van de meest innige. Het is een vertrouwelijke brief, verzonden
aan een christen in Kolosse betreffende een slaaf, Onesimus, die uit Filemons
huis was gevlucht en in Rome door de ijver van de apostel tot het geloof was
bekeerd. Het is eens te meer een bewijs, van de andere kant, van de universele
geest van het eerste christendom, dat in zijn schoot machtige mensen als Filemon
opnam, maar ook slaven als Onesimus. De heilige Johannes Chrysostomus drukte
het helder uit: «Ieder oefende zijn handwerk uit; de purperverkoopster,
tegenover een werkplaats; een ander als gevangenbewaker; en de honderdman,
zoals Cornelius; weer een ander ziek, zoals Timoteüs; nog een ander, Onesimus,
was een slaaf en vluchteling. En toch was dat alles voor niemand van hen een
hindernis, en allen schitterden door hun heiligheid: mannen en vrouwen, jong en
oud, slaven en vrijen, soldaten en burgers.»1
Mogelijkerwijs heeft Paulus er eerst aan
gedacht Onesimus in Rome te houden om zich door hem te laten helpen2, maar spoedig veranderde hij van gedachte en besloot
hij hem terug te zenden naar Filemon, aan wie hij dan ook schrijft, hem als
broeder in het geloof op te nemen. De toon van de apostel is er niet een van
gebod, ofschoon hij dat, op grond van zijn gezag, had kunnen doen, maar van een
nederige smeekbede in naam van de
liefde. De smeekbede openbaart het grote hart van
Paulus: Paulus is het die u schrijft,
een oud man, nu bovendien een gevangene van Christus Jezus, en mijn verzoek
geldt het kind dat ik hier in de gevangenis heb verwekt. Ik bedoel Onesimus,
die u in het verleden bijzonder weinig voordeel heeft opgeleverd, maar die nu
terdege nuttig is, zowel voor u als voor mij. Ik stuur hem terug naar u en met
hem heel mijn liefde. Gaarne had ik hem hier gehouden, als uw plaatsvervanger,
om voor mij te zorgen in mijn gevangenschap voor het evangelie.3
Terwijl de slaaf destijds onnuttig voor zijn
meester was, zal hij thans nuttig zijn. Het woordspel slaat op de naam Onesimus (nuttig), alsof hij
wilde zeggen dat hij nu wel nuttig is, al heeft hij inderdaad voorheen zijn
naam geen eer aangedaan. Meer nog, hij is niet alleen van voordeel voor de
apostel maar ook voor Filemon zelf, die hem moet opnemen alsof het Paulus in
eigen persoon betrof: als gij u dus
met mij verbonden voelt, heet hem dan welkom zoals ge het mij zoudt doen4, zo zegt hij hem.
«Zie hoe Paulus ten gunste van Onesimus, een gevluchte slaaf, schrijft -zegt de
heilige Johannes Chrysostomus-: hij schaamt zich er niet voor hem zijn zoon te
noemen, zijn eigen binnenste, zijn broeder, zijn welbeminde. Wat zou ik gezegd
hebben? Jezus Christus heeft zich zelfs verlaagd om onze slaven als zijn
broeders te beschouwen. Als zij dan broeders van Jezus Christus zijn, zijn zij
het ook van ons.»5 Juist in die tijd die bekend
stond om het geringe, soms zelfs totaal geen mededogen dat men met slaven had,
verkrijgen deze woorden al hun kracht en beleefde men de liefde zodanig, dat
dit verklaart waarom de eerste christenen de wereld verstomd deden staan. Als
de eerste christenen aldus handelden, overeenkomstig Jezus' gebod, mogen wij
dan iemand van het omgaan met ons, van onze vriendschap uitsluiten om
maatschappelijke redenen, vanwege ras, opvoeding...?
Met een goed humeur en grote genegenheid zegt
de apostel tot Filemon: Mocht hij u
schade hebben berokkend of iets schuldig zijn, zet het maar op mijn rekening.
Hier is mijn handtekening: Paulus. En hij voegt
eraan toe: Ik zal betalen... Of zullen
we zeggen: zet het op uw eigen rekening? Ge zijt me toch al uzelf schuldig! Hij herinnert hem eraan, dat als zij werkelijk de rekening zouden
opmaken, de apostel als winnaar te voorschijn zou komen, omdat Filemon aan
Paulus het kostbaarste schuldig is dat hij bezit: zijn staat als gedoopte.
Wij moeten van die eerste christenen leren de
liefde te beleven met de diepgang waarmee zij die in praktijk hebben gebracht,
heel in het bijzonder met onze broeders in het geloof -dat is tenslotte ons
eerste apostolaat- opdat zij daarin volharden, en met degenen die nog ver van
Christus af staan, opdat zij door onze achting tot Hem naderen en Hem volgen.
34.2 Frater qui adiuvatur a fratre quasi civitas firma.6 De broeder die geholpen wordt door
zijn broeder, is zo sterk als een ommuurde stad, zo lezen we in het Boek
Spreuken. In die tijden, waarin zij die het geloof aannamen, voor zoveel
moeilijkheden van buitenaf kwamen te staan, was broederschap de beste
verdediging tegen alle vijanden. En inderdaad, goed beleefde naastenliefde
maakt ons sterk en veilig als een ommuurde stad, als een krachtig fort dat alle
aanvallen weerstaat. De aanbevelingen om met uiterste fijnzinnigheid het gebod
van de Heer te beleven, zijn zeer overvloedig: Helpt elkaar zulke lasten te dragen; op die manier zult ge de wet van
Christus vervullen7, spoort de heilige Paulus de Galaten aan. Onze natuurlijke houding
tegenover de ander die we overladen aantreffen, overbelast met werk, met
moeilijkheden, moet er altijd een zijn van hulp om deze lasten samen te dragen,
ook al zijn die vaak nog zo zwaar. «Laad -zo luidde de raad van de heilige
Ignatius van Antiochië aan zijn leerling de heilige Polycarpus- als een
volmaakt atleet van Christus de ziekten van allen op je.»8
Dit is een verantwoordelijkheid van alle
christenen. Ieder moet altijd bedacht zijn op het welzijn van de ander, met
name van hen die de Heer ons om verschillende redenen heeft toevertrouwd. «Dit
zijn uw dienaren, mijn broeders -schrijft Augustinus-, van wie U wilde dat het
uw zonen waren, mijn meesters, en die ik van U moest dienen als ik met U vanuit
U wilde leven.»9 De zorg om de ander te helpen
zal ons van onszelf losmaken en ons hart groot maken. Noch tijdgebrek noch een
teveel aan zorgen, en evenmin de vrees dat we ons leven in problemen brengen,
kunnen nalatigheid in deze deugd rechtvaardigen. Vaak zal dit inhouden, dat we
begaan zijn met hun zorgen, hun vrije tijd, hun vreugde en vooral hun geloof.
Zieken verdienen bijzondere aandacht: gezelschap, oprechte belangstelling voor
hun genezing, het hun mogelijk maken pijn aan de Heer op te offeren en hun
ziekte te heiligen, hen helpen naar vermogen te bidden...
De goed beleefde liefde geeft ons een grote
kracht in het zicht van hindernissen, die vaak veel lijken op die welke de
eerste christenen op hun weg vonden. Wij moeten sterk in het geloof verenigd
tot God komen, elkaar behoedend, en niet toelaten, dat iemand de hardheid van
de eenzaamheid voelt in de moeilijkste ogenblikken die wij allemaal moeten
doormaken, «want als een stad zich verdedigt en met krachtige muren omringt,
als zij zich overal beschermt met waakzame wachters maar er door onachtzaamheid
een gat onverdedigd blijft, dan zal de vijand ongetwijfeld juist daar
binnendringen.»10 Laten we hem niet een kans geven
om binnen te komen!
Met de hulp van de ander zullen we een ommuurde stad, een krachtig fort11 zijn en zullen
we komen waar we in ons eentje niet kunnen komen. We zullen meer en beter
weerstand bieden aan de moeilijkheden die opdoemen op de weg naar God, want -zoals
de Heilige Schrift zegt- een
driedubbel koord krijg je heel moeilijk stuk.12 De liefde is onze kracht. «Frater qui adiuvatur a fratre quasi civitas firma: de broeder die geholpen wordt door zijn broeder, is zo sterk als een
ommuurde stad. -Denk een ogenblik na en neem het besluit, die broederlijkheid
in praktijk te brengen die ik je altijd aanbeveel.»13
34.3 Paulus
vroeg Filemon niet rechtstreeks om de vrijheid van
Onesimus, maar hij maakt er heel fijntjes een toespeling op, hem die wel te verlenen
zonder zijn vrije beslissing overigens aan te vechten. Hij maakt hem opmerkzaam
op de edelmoedigheid die hij jegens hem heeft gehad, opdat hij een even zo
groot hart heeft tegenover zijn slaaf, die
nu zijn broeder in het geloof is. Aan het einde zegt hij tot hem: Ik weet zeker dat gij nog meer zult doen dan ik
vraag. «Het is de herhaling van hetzelfde
getuigenis dat hij hem aan het begin van zijn brief had gegeven, verklaart de
heilige Johannes Chrysostomus: Omdat
ik weet dat gij nog meer zult doen dan ik u zeg.
Men kan moeilijk iets bedenken dat meer overtuigingskracht heeft; geen enkele
meer overtuigende reden dan deze tedere achting van de edelmoedigheid die
Paulus hem toont, zodat Filemon niet meer aan zijn bede zou kunnen weerstaan.»14 Het is de fijnzinnigheid van wie weet te vragen,
omdat hij steunt op een innige vriendschap die als uiteindelijke grondslag het
geloof in Christus heeft.
Liefde brengt een reeks deugden met zich mee,
die er nauw mee verbonden en tegelijkertijd haar steun en verdediging zijn.
Deze deugden waardoor zich de liefde zelf openbaart, zijn: eerlijkheid,
dankbaarheid, wederzijds respect, vriendschap, inschikkelijkheid, minzaamheid,
fijnzinnigheid in de omgang... Als we het gebod van de Heer willen beleven, zal
dat vaak van ons vragen dat we onze gemoedstoestand beheersen, hartelijkheid,
goed humeur, gemoedsrust, optimisme bevorderen. Daarentegen openbaren barse en
heftige uitingen: gebrek aan wellevendheid, ongeduld, het bovenmatig letten op
de gebreken van anderen, negatieve oordelen over anderen, onverzorgd
taalgebruik... gewoonlijk de afwezigheid van innerlijke verfijndheid, van
bovennatuurlijk leven, van vereniging met God.
De heilige Johannes heeft ons deze samenvatting
nagelaten van hetgeen ons leven moet zijn: Wat liefde is, hebben wij geleerd van Christus: Hij heeft zijn leven
voor ons gegeven. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze
broeders.15 Dit wegschenken
van ons leven voor de ander moet dag in dag uit geschieden, te midden van het
werk, in het huisgezin, met vrienden, mensen met wie we te maken hebben. Aldus
zullen we het Gebod van de Heer vervullen: Gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij
elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen
zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.16
Door dit gebod «heeft Jezus de christenen door
alle eeuwen onderscheiden van de andere mensen die nog niet in zijn Kerk zijn
binnengegaan. Als wij dit kenmerk van de christenen niet laten blijken, zullen
we uiteindelijk de wereld in verwarring brengen en de eer verliezen als
kinderen van God beschouwd te worden. In zo'n geval benutten we -als dwazen-
niet het wellicht machtigste wapen om getuigenis af te leggen van God in onze
omgeving, die bevroren is door heidens, onverschillig en bijgelovig atheïsme.
Moge de wereld, stomverbaasd, een schouwspel zien van broederlijke eendracht en
van ons zeggen, zoals van hen die ons zijn voorgegaan: Ziet hoe zij elkaar liefhebben!»17
-1. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 43. -2. Vgl. Flm 13-14. -3. Flm 9-13. -4. Vgl. The Navarre Bible, noot
bij Flm 6.
-5. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Brief aan Filemon, 2,15-16. -6. Spr 18,19. -7. Gal 6,2. -8. H. Ignatius van
Antiochië, Brief aan de H. Polycarpus, 1,3. -9. H. Augustinus, Belijdenissen, 10,4,6. -10. H. Gregorius de Grote, Moralia, 19,21,33. -11.
Vgl. Getijdenboek, Vierde zondag van de Veertigdagentijd, gebeden van de 2de
Vespers. -12. Spr 4,12. -13. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 460. -14. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over de Brief aan Filemon, 21. -15. 1 Joh 3, 16. -16. Joh 13,34-35. -17. Ch. Lubich, Meditaties, Nijmegen 1983.
|