Veertiende zondag door het jaar (C)
57. Als een rivier van vrede
-De Heer komt vrede brengen in een wereld die de vrede niet
heeft. -Geweld en angst hebben hun wortels in de harten van de mensen; zij zijn
de gevolgen van de zonden. -Vrede begint in de ziel wanneer we met een diep
beleefde akte van berouw alles erkennen wat ons van God scheidt. Het verspreiden
van de vrede door de wereld, te beginnen met de mensen naast ons.
57.1 De liturgie van deze zondag
concentreert zich op een bijzondere manier op de vrede als zijnde een grote weldaad
voor de individuele ziel en voor de maatschappij. In de eerste lezing1 kondigt de profeet Jesaja aan dat het tijdperk van
de Messias gekenmerkt zal zijn door zijn overvloedigheid van deze goddelijke
gave; het zal zijn als een stortvloed van vrede, als
een beek die buiten zijn oevers treedt. Het moet een
tijdperk worden dat alles wat goed is bijeen zal brengen: vreugde, geluk,
troost en de welvaart door God beloofd toen Jeruzalem na de Babylonische ballingschap
opnieuw was opgebouwd. Zoals een moeder haar kind troost,
zo zal Ik u troosten. Jesaja verwijst met deze woorden naar de Messias,
de Brenger van die vrede, die tegelijkertijd genade en eeuwigdurende redding is
voor elk individu en voor het gehele volk van God. Het nieuwe Jeruzalem is een
beeld van de Kerk en van ieder van ons.
Het evangelie van de mis van vandaag2
verhaalt hoe de Heer de leerlingen uitstuurt om de komst van het Koninkrijk van
God bekend te maken. Waar ze ook gingen, gebeurden er keer op keer wonderen:
blinden kregen hun zicht terug, melaatsen werden gereinigd, zondaars werden tot
berouw bewogen. Waar zij ook gingen, brachten zij de vrede van Christus met zich
mee. Alvorens hen op die apostolische missie te sturen, had de Heer zelf hun
opgedragen: Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste
woord zijn, 'Vrede aan dit huis!'. Woont daar een vredelievend mens, dan zal uw
vrede op hem rusten. De Kerk zal deze boodschap herhalen tot het einde
van de wereld.
Niettemin, na zovele jaren, kunnen we nog steeds zien dat de
wereld niet in vrede leeft; zij verlangt vrede en schreeuwt erom, maar vindt
haar niet. Er zijn weinig eeuwen waarin het woord vrede zo dikwijls is uitgesproken,
en er zijn misschien weinig eeuwen waarin de vrede verder van de wereld
verwijderd is geweest. Er wordt zelfs gezegd «dat de algemene toestand in vele
naties en landen weinig met vrede te maken heeft. Er is weliswaar geen oorlog
of tenminste wat wij daaronder gewoonlijk verstaan, maar er is beslist gebrek
aan vrede. Rassenstrijd, klassenstrijd, de strijd tussen ideologieën en
politieke partijen. Terrorisme, guerrilla, ontvoeringen en moordaanslagen.
Onveiligheid, rellen, twisten, geweld. Haat die rancune, beschuldigingen en
tegenbeschuldigingen met zich meebrengt.»3 'Het gaat goed! Alles gaat goed!', zeggen ze, maar het gaat
helemaal niet goed.4 Er is geen vrede
in de maatschappij, of in het gezin of in de zielen. Wat gebeurt er, dat er geen
vrede is? Waarom is er zoveel spanning en zoveel geweld? Waarom zijn onze
zielen bevangen door zoveel angst en zoveel droefheid, als wat iedereen
verlangt vrede is?
Misschien dat de wereld naar vrede zoekt waar de vrede niet
kan worden gevonden; misschien verwarren we de vrede met een rustig leventje.
Het is goed mogelijk dat wij denken dat vrede afhangt van uiterlijke omstandigheden
die niets van doen hebben met de mens zelf. Vrede komt van God en ze is een
gave van God die alle begrip te boven gaat.5 Ze wordt alleen geschonken aan mensen van goede wil6, aan hen die met al hun krachten ernaar streven hun
leven te leiden in overeenstemming met Gods wil. «Vrede, en de vreugde die ze
met zich meebrengt, kan niet door de wereld worden gegeven. Mensen zijn altijd
bezig met 'vrede sluiten' maar raken altijd in oorlogen verwikkeld, omdat ze de
raad vergeten zijn met zichzelf te strijden en naar God toe te gaan om hulp.
Dan zal Hij overwinnen, en wij zullen vrede verkrijgen voor onszelf en voor ons
thuis, voor de maatschappij en voor de wereld.
»Als we de dingen zo doen, zullen jij en ik vreugde bezitten,
want dat is het eigendom van hen die overwinnen. En met de genade van God -die
nooit veldslagen verliest- zullen wij in staat zijn onszelf overwinnaars te
noemen zolang we nederig zijn.»7 Dan zullen we
de brengers zijn van de ware vrede, die we zullen meedragen als een onschatbare
parel waar we ook gaan of staan. We zullen die ware vrede meenemen naar onze
gezinnen, naar de plaats waar we werken, naar onze vrienden, naar de hele
wereld.
57.2 In het begin, vóór de eerste
zonde was gepleegd, was alles zo geordend dat het glorie gaf aan God en geluk
aan de mensen. Er waren geen dingen zoals oorlogen, haat, woede, onbegrip, onrechtvaardigheid.
Door die eerste zonde, waaraan vervolgens de persoonlijke zonden werden
toegevoegd, veranderde de mens in een wezen dat egoïstisch was, trots, gemeen,
hebzuchtig. Als wij naar de zonde kijken zullen we er de oorzaak in ontdekken
van al de mislukkingen die we rondom ons zien. Johannes Paulus ii heeft erop gewezen dat «geweld en onrechtvaardigheid
hun wortels hebben diep in het hart van elk individu, in ieder van ons».8 Vanuit het hart komen «alle ongeregeldheden die mensen
tegenover God, tegenover hun broeders en tegenover zichzelf kunnen begaan,
waardoor zij diep in hun bewustzijn een kloof teweegbrengen, diepe bitterheid,
een gebrek aan vrede, dat noodzakelijkerwijs weerspiegeld wordt in het netwerk
van het maatschappelijk leven. Maar evenzo kunnen, vruchtbaar gemaakt door
Christus' genade, uit het menselijk hart, vanuit zijn groot vermogen tot
liefhebben, door zijn edelmoedigheid in het gewillig aanvaarden van opofferingen,
gevoelens van broederlijkheid opwellen en werken van dienstbaarheid aan de
mensen, die als een rivier van vrede (Jes 66,12)
samenwerken aan de bouw van een rechtvaardiger wereld, waarin vrede het kenmerk
van burgerschap wordt en alle structuren van de maatschappij doordringt.»9 Vrede is het gevolg van heiligmakende genade,
precies zoals geweld, in al zijn uitingen, het gevolg van de zonde is. De
algehele toekomst van de vrede ligt in ons hart10,
want de zonde is niet zó sterk geworden dat die het beeld van God in de mens
volledig kon uitwissen, maar alleen «bezoedelen, vervormen en verzwakken. Zij
kon zijn ziel wel verwonden, maar niet vernietigen. Zij was in staat zijn
verstand te verduisteren, maar zij kon het niet verwoesten. Zonde opende de weg
voor haat, maar kon het vermogen van de mens om lief te hebben niet uitwissen.
Zij verwrong de menselijke wil, maar niet zo sterk, dat herstel onmogelijk werd
gemaakt.»11 Ofschoon de mens tot het kwade
geneigd is wanneer hij zich door zijn gevallen natuur laat leiden, kan hij
daarom niettemin met de hulp van de genade die wanordelijke hartstochten
overwinnen, en de vrede die Christus voor ons won, bezitten en aan anderen
mededelen. Dan wordt het leven van een christen een opgewekte strijd om het
kwade te overwinnen en Christus te bereiken. In die strijd vindt hij zekerheid
vol met optimisme. Indien hij ooit een overeenkomst sluit met de zonde en zijn
eigen ellendigheid, verliest hij dat gevoel van zekerheid en wordt hij een bron
van onrust en zelfs van geweld voor zichzelf en voor anderen.
Zoals een moeder haar kind troost, zo zal
Ik u troosten. Alleen in Christus zullen wij de vrede vinden die we
zozeer voor onszelf willen en voor hen naast ons. Laat ons naar Hem toegaan
wanneer de moeilijkheden van het leven de kalmte van onze ziel bedreigen. Laat
ons naar het sacrament van de boete gaan en naar de geestelijke leiding indien
zorg en angst in ons hart zijn binnengeslopen, omdat we niet hard genoeg
gestreden hebben.
57.3 De tegenwoordigheid van
Christus in het hart van zijn volgelingen is het begin van de echte vrede. Zo'n
vrede brengt rijke voldoening met zich mee; het is niet zo maar een gemakkelijk
leven of de afwezigheid van strijd. Sint Paulus bevestigt dat Christus zelf
onze vrede is12; Hem te bezitten en Hem lief te
hebben is de oorsprong van alle echte kalmte.
Deze vloed van vrede in onze ziel, een
overlopende stroom, begint met de erkenning
van onze zonden, fouten, nalatigheden en vergissingen. Dan, als wij nederig
zijn en naar Christus kijken, zal Hij ons zijn grote barmhartigheid onthullen,
«alsof Hij, achter een sluier verborgen, tot ons zegt: Dat zijn de
tekortkomingen die Ik zelf op mij heb genomen om u de liefde van de Vader heel
persoonlijk te tonen door eenzaamheid en verdriet. Zijn liefde is de enige
liefde die ons kan bevrijden van onze ellende, deze bij wijze van spreken kan
doen omkeren en ze aanwenden voor uw heil. Dan zullen in het oor van uw hart de
woorden weerklinken: uw geloof heeft u gered en genezen. Ga
heen in vrede.»13 Er is geen vrede zonder
berouw. Er is geen vrede tenzij we zeer oprecht met onszelf zijn en die dingen
in ons leven erkennen die ons van God en onze medemensen scheiden. Er is geen
vrede zonder diepgaande en onvervalste oprechtheid in de biecht.
Met deze innerlijke rust zullen we ontdekken dat, door keer
op keer opnieuw te beginnen en nooit aan onze gebreken en onze tekortkomingen
toe te geven, we in staat zijn uit te gaan naar de wereld, naar de omgeving
waarin we elke dag van ons leven doorbrengen, en rondom ons de vrede te
verspreiden die de wereld niet heeft en dus niet kan geven. «Wanneer ge een huis binnentreedt, zegt dan eerst: Vrede aan dit
huis... Dat is niet slechts een groet; het is Christus' vrede die zijn
volgelingen moeten uitdragen over alle paden van de wereld. Wij moeten tot
iedereen zeggen, dat de ware vrede is gebaseerd op rechtvaardigheid, op het
besef van de onschendbare waardigheid van de mens, op de aanvaarding van een
onuitwisbare en wenselijke gelijkheid van de mensen, op het grondbeginsel van
menselijke broederlijkheid, dat wil zeggen, op de eerbied en liefde die men
ieder mens verschuldigd is.»14 De vrede van de
wereld begint in het hart van elk mens afzonderlijk.
De christen die leeft in geloof, is een mens van vrede die rust
om zich heen verspreidt; mensen voelen zich bij hem op hun gemak en anderen
zoeken zijn gezelschap. Laat ons Onze Lieve Vrouw vragen, nu wij deze ogenblikken
van gebed beëindigen, ons te leren om nederig naar de bron van vrede te gaan
(het tabernakel, de biecht, de geestelijke leiding) als we ooit merken dat
angst, vrees, droefheid of zorgen zich een weg in ons hart zoeken. Regina pacis, ora pro nobis, ora pro me.
-1. Jes 66,10-14. -2. Lc 10,1-12.17-20. -3. F. Suárez, La paz os dejo, Madrid 1973, bl. 47 -4. Vgl. Jer 6,14. -5. Fil 4,7. -6. Vgl.
Lc 2,14. -7. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 102. -8. Johannes Paulus ii, Boodschap
voor de Werelddag voor de Vrede, 8 december 1984. -9. A. del Portillo, Preek in het
internationale jaar van de jeugd, 30 maart 1985. -10. Vgl. Johannes Paulus ii, o.c., n.3.
-11. F. Suárez, o.c. -12.
Ef 2,14. -13. S. Pinckaers, La quête du bonheur.-14. Paulus vi,
Boodschap voor de Werelddag voor de Vrede, 1971.
|