Veertiende zondag door het jaar (A)
55. Anderen helpen hun lasten te dragen
-Christus' voorbeeld. -Wij behoren meedogend en barmhartig
te zijn. De last van de zonde en van onwetendheid. -Wij moeten ons tot Christus
wenden wanneer het leven voor ons moeilijk wordt, en van Onze Lieve Vrouw leren
hoe onszelf te vergeten.
55.1 Jezus gedroeg zich heel
anders jegens de mensen als de manier waarop veel Farizeeën zich tegenover hen
gedroegen. Hij kwam om mensen te verlossen van hun zwaarste lasten door die op
zich te nemen. Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en
onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk
op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en
gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is
licht.1
Naast Christus worden al onze inspanningen en inderdaad al
die dingen die wij zeer moeilijk te dragen vinden, als wij Gods wil zoeken te
vervullen, zelfs aangenaam. Offers opgedragen met Christus brengt geen gevoel
van norse opstandigheid met zich mee, maar integendeel één van vreugdevol
geven. Hij nam onze smarten en onze zwaarste lasten op zich. De evangeliën
geven ons een trouw voorbeeld van zijn zorg voor alle mensen. De heilige
Gregorius de Grote schrijft: «Overal liet Hij voorbeelden achter van Zijn
barmhartigheid».2
Hij wekt doden op, geneest blinden, melaatsen, stommen, en bevrijdt door
de duivel bezetenen. Er zijn gevallen waarin Hij zelfs niet eens wacht tot de
zieke bij Hem wordt gebracht, maar zegt: Ik zal hem komen
genezen.3 Zelfs op het ogenblik van zijn
eigen dood toont Hij zijn zorg voor de mensen rondom Hem. Hij geeft zichzelf met
liefde over aan de dood; Hij is het die al onze zonden
goedmaakt, en niet alleen die van ons maar die van de hele wereld. 4
Wij moeten de Heer navolgen, niet alleen door te vermijden de
oorzaak te zijn van onnodige zorgen van anderen, maar ook mensen te helpen de
zorgen te dragen die ze al hebben. Telkens wanneer mogelijk zullen wij anderen
helpen hun menselijke opdracht te vervullen. Wij zullen helpen de lasten te
dragen die het leven zelf hun oplegt: «Als je klaar bent met je werk, doe dan
dat van je broeder, hem zo helpend terwille van Christus, met zoveel tact en
vanzelfsprekendheid, dat niemand, zelfs niet hijzelf, bemerkt dat je meer doet
dan je strikt genomen moet doen. -Dat is nou wat je noemt een fijne deugd van
een kind van God!» 5
Wij moeten nooit denken dat enige daad van zelfverloochening
of offer, opgedragen voor het goede van een ander, meer is dan we behoren te
doen. De naastenliefde moet ons aansporen ons respect voor anderen op zeer
specifieke wijzen te tonen. Het moet ons ertoe leiden naar gelegenheden te
zoeken ons nuttig te maken, om de lasten van anderen te verlichten en vreugde
te geven aan allen die wij op enigerlei wijze kunnen helpen, zelfs ofschoon we
weten dat we nooit zoveel zullen doen als we behoren te doen.
We moeten altijd proberen anderen te ontlasten van wat hen
neerdrukt, precies zoals Christus in onze plaats zou hebben gedaan. Soms
betekent dit dat wij een kleine dienst moeten bewijzen. Soms betekent het dat
wij een woord van bemoediging of van hoop geven. Op een ander moment zullen we
iemand helpen op te kijken naar de Meester zodat hij ertoe komt zijn toestand
in een meer positief daglicht te zien; het kan een toestand zijn die hem scheen
te verpletteren, eenvoudig omdat hij tot dan toe gevoeld had er alleen voor te
staan. Wij moeten ook denken aan die kanten van ons gedrag waarmee wij soms,
zonder het werkelijk zo te bedoelen, het leven voor anderen een beetje
moeilijker maken; onze grillen en invallen, ons onbezonnen oordeel, negatieve
kritiek, gebrek aan welwillendheid voor anderen, een onvriendelijk woord.
55.2 Liefde stelt ons in staat in
anderen het goddelijke beeld te ontdekken naar Wiens gelijkenis wij allen zijn
gemaakt. Wij moeten in iedereen de enorme prijs herkennen die voor zijn vrijlating
is betaald -de onschatbare verlossing- het eigen Bloed van Christus.6 Hoe groter onze liefde, hoe meer wij onze naaste
naar waarde kunnen schatten, en als gevolg onze zorg voor zijn noden en
verdriet kunnen tonen. Dan zien wij niet alleen een ander mens die lijdt of een
moeilijke tijd doormaakt, we zien Christus in die persoon, Christus die zich
met alle mensen vereenzelfdigde: Voorwaar, Ik zeg u: al wat
gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij
gedaan.7 Christus stelt zich onder ons
tegenwoordig door naastenliefde. Op elk ogenblik handelt Hij in de wereld door
de ledematen van zijn Mystiek Lichaam. Onze onveranderlijke eendracht met Jezus
maakt het ons mogelijk te zeggen: Komt allen tot Mij die
uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verlichting
schenken. De naastenliefde is de volle verwezenlijking van het
Koninkrijk van God in de wereld.
Indien wij getrouwe volgelingen van Christus willen zijn,
moeten wij Hem onophoudelijk vragen ons een hart te geven zoals het zijne, in
staat om verdriet te voelen voor al het kwaad dat de mens met zich meesleept.
In het bijzonder moeten wij spijt hebben over het kwaad dat de zonde is, dat,
meer dan welk ander kwaad, de mens neerhaalt en hem overmeestert. Jezus
reageerde altijd met medelijden wanneer Hij al de beperkingen en de zwakheden
van de mensen zag: Ik heb medelijden met deze mensen8 noteren de evangelisten ieder op hun eigen manier.
Christus was ontroerd door al de rampspoed die Hij gedurende zijn tijd op aarde
tegenkwam. Wij weten dat Hij altijd met barmhartigheid neerkijkt op de hoop van
menselijke ellende die door de eeuwen heen opeengestapeld werd. Als wij onszelf
volgelingen van Christus willen noemen, moeten wij in ons hart dezelfde
gevoelens van barmhartigheid dragen als de Meester had.
Laat ons in ons persoonlijk gebed de Heer vragen ons met zijn
genade te helpen echt medelijden te voelen, bovenal voor hen die onder het
onmetelijke kwaad van de zonde lijden, voor hen die ver weg van God zijn. Dan
kunnen wij beter begrijpen waarom het apostolaat van de biecht het grootste van
alle werken van barmhartigheid is. Het is door dit apostolaat dat we God de
gelegenheid geven zijn edelmoedige vergeving uit te storten over die berouwvolle
zoon die het huis van zijn Vader verliet. Van wat een grote last bevrijden we
de mens die beladen was met de zonde en nu te biechten gaat! Wat een werkelijke
opluchting! Vandaag zou het een goed moment kunnen zijn ons af te vragen:
hoeveel mensen heb ik geholpen een goede biecht te spreken. Wie kan ik nog meer
helpen?
Wij behoren in het bijzonder de lasten te verlichten van de
mensen die nauwer met ons zijn verbonden omdat zij hetzelfde geloof delen,
dezelfde geest, dezelfde banden van bloed, hetzelfde werk. De heilige Leo de
Grote zei nadrukkelijk: «Sla zeker met algehele welwillendheid acht op iedereen
die te lijden heeft, maar wees heel bijzonder bekommerd om degenen die deel
uitmaken van Christus' Lichaam en door het katholiek geloof met ons verenigd
zijn. Want wij hebben meer te danken aan hen die tot ons behoren door de
vereniging in genade dan tot vreemden door de gemeenschappelijke natuur.»9
Laten we, zover als we kunnen, allen verlichten die de zware
last van de onwetendheid dragen, in het bijzonder de onwetendheid van hun
geloof, die «heden ten dage in sommige landen van christelijke traditie een
omvang als nooit tevoren heeft bereikt. Wellicht vanwege de dwang van een
geseculariseerde wereld of vanwege een beklagenswaardige desoriëntatie en
verwaarlozing zijn hele menigten van kinderen die gedoopt zijn, bij het
bereiken van de puberteit volslagen onbekend met de meest elementaire begrippen
van geloof en moraal en zelfs van de beginselen van godsvrucht. Het
onderrichten van de onwetenden betekent thans vooral het onderrichten van hen
die niets van godsdienst weten, oftewel 'evangeliseren', dat wil zeggen: met
hen over God en het christelijk leven spreken.»10 Wat een groot
gewicht moet er gedragen worden door hen die Christus niet kennen, door hen die
zijn beroofd van de christelijke leer of die doordrenkt zijn met dwaling!
55.3 Wij zullen ontdekken dat
geen weg zekerder naar Christus en het geluk leidt, dan die van een oprechte
zorg hen te bevrijden die vermoeid zijn en zwaar beladen met wat het dan ook is
dat hen neerdrukt. God heeft de dingen op zo'n manier beschikt «dat wij zouden
leren elkanders lasten te dragen: omdat er niemand is zonder enig gebrek;
niemand zichzelf genoeg is; inderdaad niemand voldoende wijs is uit zichzelf.»11 Wij hebben elkaar allemaal nodig. Leven met andere
mensen vereist die wederzijdse hulp zonder welke we het moeilijk zouden vinden
vol te houden.
Als wij soms met een taak worstelen die onze krachten te boven
gaat, moeten we niet nalaten naar de woorden van de Heer te luisteren: Kom tot Mij. Alleen Hij kan onze kracht herstellen, alleen
Hij kan onze dorst lessen. «Jezus zegt nu en altijd: Komt
allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en
verlichting schenken. Wij mogen zeker ervan zijn, dat Jezus ons
onophoudelijk uitnodigt tot Hem te komen, dat Hij onze moeilijkheden ziet en
medelijden met ons heeft. Nog steeds biedt Hij ons zijn beloften aan, zijn
vriendschap, de hoop op goedheid, op een heilzaam geneesmiddel voor onze
ziekten, op troost; en nog steeds biedt Hij ons voedsel aan, brood, de ware
bron van kracht en leven.»12 Christus is onze
rust.
Onze voortdurende conversatie met onze Moeder Maria leert ons
begrip te hebben voor onze naaste ten tijde van zijn nood. Er was niets dat zij
niet opmerkte, want zelfs de kleinste zorgen waren van belang voor de liefde
die haar hart altijd vervulde. Zij zal ons helpen de weg te volgen die naar
Christus leidt, juist op die momenten wanneer onze nood, die wij op Hem willen
ontladen, nog groter is: «U zult er de kracht uit putten om de Wil van God
volledig te vervullen, u zult vol zijn van verlangen om de mensen te dienen. U zult
die christen worden die u soms droomt te zijn: overlopend van werken van
liefdadigheid en rechtvaardigheid, blij en sterk, met begrip voor anderen en
veeleisend jegens uzelf.»13
-1. Mt 11,28-30. -2. H. Gregorius de Grote, Preken over
de Evangelië, 25,6. -3. Mt 8,7 -4. 1 Joh 2,2. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 440. -6. Vgl. 1 Pe
1,18. -7. Mt 25,40. -8. Mc
8,2. -9. H. Leo de Grote, Preek
89. - 10. J. Orlandis, De
Acht Zaligsprekingen. -11. Thomas à Kempis, De Navolging van Christus, I, 16,4. -12. Paulus vi, Preek, 12 juni
1977. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 293.
|