Zesentwintigste zondag door het jaar (B)
38. apostolaatsWerk voor iedereen
-Verschillende apostolische werkwijzen. Eenheid in het
wezenlijke. Het afwijzen van een 'één-partij-mentaliteit' in de Kerk. -Elke
omstandigheid is goed voor het apostolaat. -Liefde is de eenheidsband en
grondslag van het apostolaat.
38.1 De
eerste lezing van vandaag uit het Oude Testament vertelt hoe Mozes de Heer
vroeg om zijn geest aan andere oudsten van de stam te geven.1 Mozes voelde dat hij niet genoeg kracht had om alle
verantwoording zelf te dragen. De Heer legde een deel van de geest die op Mozes rustte, op die
zeventig oudsten. Deze mannen kwamen samen bij de tent en
begonnen onmiddellijk te profeteren. Nu waren er twee mannen in het kamp gebleven. De een heette
Eldat, de ander Medad. Ook op hen rustte de geest. Zij stonden op de lijst, al
waren zij niet naar de tent gegaan en zij profeteerden in het kamp.
Jozua vroeg Mozes hun te verbieden dit te doen. Mozes antwoordde: Ik zou willen, dat heel het volk van
Jahwe profeteerde en dat Jahwe zijn geest op hen legde!
Het evangelie van vandaag gaat over een min of meer gelijke
gebeurtenis.2 Johannes wendt zich tot Jezus om
te vertellen, dat de apostelen een man hebben gezien die duivels uitdrijft in
Jezus' naam. Aangezien deze man niet tot de kring van volgelingen van Jezus
behoorde, probeerden de apostelen hem te doen ophouden. Maar Jezus tikt
Johannes op de vingers en zegt: Belet
het hem niet, want iemand die een wonder doet in mijn Naam, zal niet zo grif
ongunstig over Mij spreken.
Jezus wijst deze onverzoenlijke houding van zijn leerlingen
af. Hij opent hun harten voor een apostolaat zonder grenzen. Christenen moeten
geen 'één-partij-mentaliteit' hebben die geen verschillen tolereert. Waar het
om gaat is eenheid in wezenlijke zaken, eenheid in datgene wat het fundament
van de Kerk is. Paus Johannes Paulus ii
heeft bevestigd dat door het doopsel alle christenen het recht hebben om
verenigingen binnen de Kerk te organiseren. Hij heeft de fundamentele criteria
genoemd om vast te stellen of een bepaalde groep in overeenstemming met de Kerk
is.3 Zulke verenigingen moeten op de allereerste
plaats beoordeeld worden op de voorrang die zij geven aan de roeping van iedere
christen tot heiligheid. Dit is de beste uitdrukking van de volheid van
christelijk leven. In dit opzicht moet iedere groepering van deze aard fungeren
als een instrument dat tot heiligheid voert.
De paus legt ook de nadruk op het apostolaat: de
verantwoordelijkheid om het katholieke geloof te belijden, en vooral de
waarheid over Christus, de Kerk en de mens te verkondigen in gehoorzaamheid aan
het leergezag van de Kerk dat deze waarheid van de juiste uitleg voorziet.
Hierom moet iedere gemeenschap van gelovigen een forum zijn waar het geloof
wordt verkondigd en ook wordt onderwezen in zijn totale omvang. Iedere christen
heeft een taak in het apostolisch werk van de Kerk. De Heer wil dat er
apostelen zijn in de fabriek, op kantoor, aan de universiteit, thuis... Als
uitvloeisel van hun geloof moeten gelovigen in een kinderlijke verbondenheid
met de paus en de bisschoppen leven. Katholieke verenigingen moeten loyaal zijn
aan het leergezag van de Kerk en de richtlijnen volgen die van het leergezag
komen. Deze eenheid blijkt ook uit de erkennening van de rechtmatige
verscheidenheid en veelvormigheid van deze verenigingen die tegelijkertijd
bereid zijn tot loyale samenwerking.
Als wij echte christenen zijn, zullen wij ons geloof meenemen
naar de plaats waar wij werken. Wij zullen onze omgeving willen verlichten met
de sociale leer van de Kerk. Daarom moeten verenigingen van leken vruchtbare
instrumenten worden voor een rechtvaardiger en liefdevoller maatschappij.
Als wij de liefde van Christus hebben, hoe makkelijk zal het
dan zijn de apostolische werkzaamheid van anderen te waarderen. Deze
veelvormigheid in eenheid zal dan een reden zijn tot blijdschap. Het enige waar
het om gaat, is dat Christus gekend en bemind wordt.
De Blijde Boodschap moet iedere hoek van de aarde bereiken.
Bij dit werk rekent de Heer op de medewerking van iedereen: mannen en vrouwen,
priesters en leken, jong en oud, weduwen, gehuwden, religieuzen... al dan niet
georganiseerd, ieder volgens zijn eigen van God ontvangen roeping, binnen
initiatieven die voortspruiten uit de rijkdom van het menselijk verstand en de
telkens nieuwe inspiratie van de Heilige Geest.
38.2 Iedere
christen wordt geroepen het Koninkrijk van Christus uit te breiden. Iedere
maatschappelijke omstandigheid is een goede gelegenheid dit te verwerkelijken.
«Overal waar God een deur opent voor de prediking om over het geheim van
Christus te spreken, moet aan alle mensen vrijmoedig en standvastig worden
verkondigd de levende God en degene die Hij gezonden heeft tot heil van allen,
Jezus Christus.»4 Bij lafheid, luiheid en
uitvluchten, moeten wij voor ogen houden, dat veel mensen afhankelijk zijn van
ons woord en voorbeeld om de genade te krijgen Christus meer van nabij te
volgen. Wij kunnen nooit een moment niet apostolisch bezig zijn ten behoeve van
de mensen die God naast ons geplaatst heeft. De middelen die gebruikt worden
mogen verschillen, maar het doel is altijd hetzelfde. Er zijn heel veel
verschillende manieren waarop mensen naar de Heer gevoerd worden.
«Laten wij daarom het vuur van de geest levend houden. Laten
wij de zoete en bemoedigende vreugde bewaren om het evangelie te verkondigen,
zelfs wanneer wij in tranen moeten zaaien.»5 Wij
kunnen niet toegeven aan de gedachte, dat tegenwerkende omstandigheden het
apostolaat in de weg staan. Moeilijkheden kunnen dienen als een middel om het
onderricht van Christus uit te breiden, zoals dat duidelijk gemaakt werd door
de eerste christenen en door zoveel anderen die voor hun geloof geleden hebben.
De heilige Paulus schreef aan de christenen van Filippi vanuit zijn
gevangeniscel: En het merendeel
van de broeders heeft uit mijn gevangenschap kracht geput om, in vertrouwen op
de Heer en met groter moed dan eerst, onbevreesd het woord te verkondigen.
Ofschoon sommigen gepredikt hadden uit afgunst, met gebrek aan de juiste
intentie, roept de apostel toch uit: Wat dan nog? Hoe dan ook, Christus wordt verkondigd, met of
zonder bijbedoeling. En daarover verheug ik mij. En ik zal mij ook blijven
verheugen.6 Ons belangrijkste doel
is, dat wij van dag tot dag dichter bij Christus komen. De Heer nodigt iedereen
uit voor zijn werk. Hier is geen plaats voor een monopolistische mentaliteit.
De Kerk heeft nooit eenvormigheid willen afdwingen, integendeel, zij heeft de
verscheidenheid in spiritualiteiten en apostolaten altijd als een rijkdom
beschouwd.
Het is duidelijk, dat werk, rust, sociaal leven en sport, al
deze zaken, mogelijkheden kunnen bieden om mensen naar God te brengen. Verzet
en zelfs totale vervolging kunnen ons leren anderen met liefde te behandelen.
Deze omstandigheden kunnen ons leren hoe wij onze vijand moeten liefhebben. De
heilige Polycarpus, bisschop en martelaar, schreef over deze vorm van leren in
zijn brief aan de christenen van Filippi die vandaag in het getijdengebed
staat. Hij vraagt de gelovigen zich te onthouden van «kwaadsprekerij en valse
beschuldigingen, waarbij kwaad met kwaad, belediging met belediging en slaag
met slaag vergolden wordt. Neem in plaats hiervan in herinnering de woorden van
de Heer, die ons leerde: Oordeel
niet en u zult niet geoordeeld worden; vergeef, en u zal worden vergeven, heb
medelijden en u zal begrepen worden. De maat waarmede u meet, daarmee zal ook u
gemeten worden. Gezegend zijn zij die vervolgd worden, want voor hen is het
koninkrijk van God.»7 Wij moeten
een slechte behandeling niet met gelijke munt terugbetalen. Als wij onszelf
moeten verdedigen, dan zullen we het doen met respect voor de persoon die erbij
betrokken is. Wij moeten anderen leren dat ons handelen geïnspireerd is door de
liefde van Christus. Elk apostolaat dat plaatsheeft in de schaduw van het
kruis, is vruchtbaar.
38.3 Welke
vorm ons apostolaat ook aanneemt en hoe het ook ontvangen wordt, liefde moet
onze activiteit altijd bezielen. De Heer maakte dit heel duidelijk toen Hij
zei: Hieruit zullen allen kunnen
opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.8
Toen de heilige Paulus schreef aan de christenen van Tessalonica
en zich zijn bezoek aan hen voor de geest haalde, vond hij het heel belangrijk
het volgende in hun herinnering te roepen: Gij weet het, als een vader hebben wij ieder van u vermaand
en aangemoedigd; wij hebben u bezworen een leven te leiden, God waardig, die u
roept tot de heerlijkheid van zijn koninkrijk.9 Hij zegt: Ieder van u. Iedereen. De apostel beperkte
zichzelf niet tot preken in de synagogen en openbare plaatsen, zoals zeker zijn
gewoonte was. Hij vergewiste zich ervan, dat hij aandacht gaf aan ieder
afzonderlijk in de christelijke gemeenschap. Hij gaf vriendelijke bemoediging
en advies aan ieder afzonderlijk. Zo zouden wij ons moeten gedragen ten
opzichte van de mensen op het werk, thuis, in de klas..., in de buurt. We moeten
mensen om ons heen benaderen met een zeer levendige liefde, basis van elk apostolaat,
en hen van harte accepteren, ook al is de omgang aanvankelijk misschien stroef,
zonder toe te laten dat schijnbare of werkelijke tekortkomingen ons van hen
scheiden. «Het dienstwerk van de evangelisatie verlangt van degene die het
evangelie verkondigt, een broederlijke en steeds sterker wordende liefde voor
degene aan wie hij het evangelie verkondigt.»10
We moeten in iedere persoon de oneindige waarde zien van het kind van God. Dit
inzicht zal ons ertoe brengen een diep respect voor onze naasten te hebben, een
respect dat sterker zal zijn dan welke tekorten of problemen ook.
Wij, die de gave van het geloof ontvangen hebben, zullen de
noodzaak voelen deze gave aan anderen door te geven, door hen deelgenoot te
maken van de grote ontdekking van ons leven. De apostolische zending is niet de
exclusieve verantwoordelijkheid van de zielenherders: Het is een taak van
allen. Met het leven van de eerste christenen als voorbeeld moeten wij onderzoeken
of onze invloed op de omgeving is, wat de heer van ons verwacht. Laten wij de
troostende woorden van Jezus in het evangelie van vandaag niet vergeten: Als iemand u een beker water te drinken
geeft omdat gij van Jezus Christus zijt, voorwaar Ik zeg u: zijn loon zal hem
zeker niet ontgaan. Wat zal de beloning van de Heer zijn voor
ons, als wij veel mensen naar Hem toebrengen?
-1. Nu
11,25-29. -2. Mc
9,38-41. -3. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Christifideles laici,
30 december 1988, 30. -4.
Vaticanum ii, Decr. Ad gentes, 13. -5. Paulus vi, Evangelii
nuntiandi, 8 december 1975, 80. -6. Fil 1,14-18. -7. Getijdengebed, Tweede lezing. -8. Joh 13,35. -9. 1 Tes 2,11-12. -10. Paulus vi, o.c., 79.
|