Aswoensdag
1.
BEKERING EN BOETE
-Bekering van het hart. -Werken van boetvaardigheid: biecht,
versterving, aalmoezen geven. -Vasten, een tijd om dichter bij God te komen.
1.1 We staan aan het begin van de vasten, een
tijd van boete en innerlijke vernieuwing om ons goed op het Paasfeest te kunnen
voorbereiden. De liturgie van de Kerk spoort ons onophoudelijk aan onze zielen
te zuiveren en opnieuw te beginnen.
Maar ook nu nog luidt de godsspraak van Jahwe: 'Keert tot
Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween, en met rouwklacht. Scheurt
uw hart en niet uw kleren, keert terug tot Jahwe, uw God, want genadig is Hij
en barmhartig...' 1 Zo
lezen wij in de eerste lezing van de Mis van vandaag. Als de priester dan as op
ons hoofd doet, herinnert hij ons aan de woorden van Genesis, na de zondeval.
Memento homo, quia pulvis es..., mens gedenk dat gij stof
zijt en tot stof zult wederkeren.2 Gedenk... Ondanks deze herinnering vergeten wij
soms dat wij zonder God niets zijn. «Dat hoopje as, in een schaal terzijde van
het altaar op Aswoensdag, is alles wat er van ons overblijft, van de grootheid
van de mens. Daarmee geeft de Kerk ons een merkteken, als het ware met onze
eigen substantie.»4
God wil dat we ons losmaken van de dingen der aarde en naar
Hem teruggaan. Hij wil dat wij de zonde, waardoor we oud worden en sterven,
achterlaten en terugkeren naar de bron van leven en vreugde. «Jezus Christus
zelf is de allermooiste genade van de hele
vasten. Hij geeft zichzelf aan ons in al de prachtige eenvoud van het
evangelie.»5
Onze harten naar God wenden, bekeerd worden, betekent dat we
bereid moeten zijn alle middelen te gebruiken om te leven zoals Hij verwacht
dat we leven. Wij moeten volstrekt eerlijk zijn tegenover onszelf. Wij moeten
proberen geen twee heren te dienen.6 Wij moeten God beminnen met geheel ons
hart, met heel onze ziel, en iedere bewuste zonde in ons leven uit de weg gaan.
Ieder van ons moet dat doen, wat zijn persoonlijke omstandigheden met
betrekking tot werk, gezondheid, gezin, leeftijd enz. ook zijn.
Jezus zoekt in ons naar een berouwvol hart, een hart dat zijn
zwakte en zonden erkent en bereid is zich daarvan te ontdoen. Dan zult ge
terugdenken aan uw slecht gedrag en uw boze daden...7 God verwacht van ons een echt
berouw over onze zonden dat we openlijk zullen tonen, met name door te gaan
biechten, en door kleine verstervingen en boetes te doen uit liefde. «Voor ons
betekent bekering streven naar Gods vergiffenis en sterkte door het sacrament
van de biecht. Dat is de manier om opnieuw te beginnen en iedere dag beter te
zijn.»8 Om
ons berouw aan te moedigen leest de Kerk in de liturgie van vandaag de psalm
waarin koning David uiting gaf aan zijn boetvaardigheid, de woorden waarin
zoveel heiligen God om vergeving gesmeekt hebben. Het kan ons ook helpen in
deze momenten van overweging te bidden: God ontferm U over mij in uw
barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was mijn schuld volkomen
van mij af, zeggen we tot Jezus. Reinig mij van al mijn zonden. Ik erken
dat ik misdreven heb, altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen. Jegens U alleen
heb ik gezondigd... Schep in mij een zuiver hart, mijn God, geef mij een
vastberaden geest. Wil mij niet verstoten van uw aanschijn, neem uw heilige
Geest niet van mij weg. Geef mij weer de weelde van uw zegen, maak mij sterk in
edelmoedigheid. Dan zal ik de dwalenden uw wegen leren, alle schuldigen
terugvoeren tot U.9
God zal luisteren wanneer we vandaag als een schietgebed
herhalen: schep in mij een zuiver hart en geef mij een vastberaden geest.
1.2 Echte bekering blijkt uit ons gedrag. Het
verlangen ons te beteren dient te blijken uit ons werk of onze studie. We laten
het zien door de wijze waarop we ons gedragen tegenover andere leden van ons
gezin; door in de loop van de dag kleine verstervingen die het leven voor de
mensen om ons heen aangenamer maken, aan God op te offeren en ervoor te zorgen
dat we in ons werk efficiënter zijn. We kunnen het ook laten zien door ons
zorgvuldig op de biecht voor te bereiden en vaak te gaan biechten.
God vraagt vandaag van ons nog een heel bijzondere
versterving, die we blijmoedig opdragen: vasten en onthouding waardoor «de
geest gesterkt wordt, zoals het lichaam en het genot versterven. Onze ziel
wordt erdoor tot God verheven. Vasten en onthouding verlossen ons van de
begeerte door ons de kracht te geven te overwinnen en onze verkeerde
hartstochten te doden, en zij brengen ons hart in de gesteldheid, dat het niets
anders meer verlangt dan God te behagen in alles.»10
In de vasten vraagt de Kerk deze tekenen van boetvaardigheid
-onthouding voor allen die hun veertiende levensjaar hebben voltooid, vasten
voor allen die meerderjarig zijn tot aan het begin van het zestigste
levensjaar- die ons dichter bij God brengen en een bijzondere vreugde aan de
ziel verschaffen. Zij vraagt ook edelmoedig te zijn in het geven van aalmoezen.
Dat zouden we moeten doen met een dankbaar hart, met het verlangen iemand die
het nodig heeft te troosten of, ieder naar eigen vermogen, een of ander
apostolaatswerk ten bate van de zielen te steunen. «Alle christenen kunnen
aalmoezen geven - niet alleen de rijke en machtige, maar ook diegenen die
slechts in bescheiden welstand verkeren, en zelfs de armen. Op deze wijze zijn
mensen, die niet gelijk zijn in hun mogelijkheden aalmoezen te geven, gelijk in
de liefde en genegenheid waarmee ze kunnen geven.»11
Onthechting van de stoffelijke goederen, versterving en
onthouding zuiveren ons van onze zonden en helpen ons God te vinden in het
leven van alledag. Want «wie God zoekt, en vast blijft houden aan zijn eigen
zin en tegenzin, zal Hem nooit vinden.»12 Onze dagelijkse verplichtingen zijn de eerste
bron voor verstervingen: orde, punctualiteit bij het beginnen van het werk,
concentratie en intensiteit en diepgang enzovoort. In het contact met anderen
vinden we de gelegenheid onze zelfzucht aan te pakken en kunnen we eraan
meewerken dat er een aangenamer sfeer om ons heen ontstaat. «En de beste
versterving is die, welke steunt op kleine details in de loop van de dag, en
het opneemt tegen de begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid der ogen
en tegen de hoogmoed. Dat zijn verstervingen die niet ànderen kastijden, maar
waardoor wij fijngevoeliger worden, met meer begrip en openheid tegenover
iedereen. U bent niet verstorven als u lichtgeraakt bent, als u alleen maar
naar uw egoïsme luistert, als u uw wil aan anderen oplegt, als u geen afstand
kunt doen van het overbodige en soms zelfs van het noodzakelijke, als u het
hoofd laat hangen wanneer de dingen niet lopen zoals u bedoeld had.
Maar u bent wél verstorven als u alles voor allen bent
geworden om met alle middelen enigen te redden (1 Kor 9,22).»13 Het is goed een bepaald plan van verstervingen
op te stellen om aan God te offeren tijdens deze vasten.
1.3 We kunnen deze dag niet laten passeren zonder
in onze ziel een diep en werkzaam verlangen op te wekken tot terugkeer, zoals
de Verloren Zoon, om dichter bij God te zijn. In de tweede lezing van de Mis
van vandaag zegt de heilige Paulus ons, dat dit een voortreffelijke gelegenheid
is om onze bekering op gang te helpen. Wij sporen u aan: zorgt dat ge zijn
genade niet tevergeefs ontvangt. Hij zegt immers: Op de gunstige tijd heb Ik u
verhoord, op de dag van het heil ben Ik u te hulp gekomen.14 God zegt opnieuw
tot ieder van ons, in het diepst van ons hart: Kom terug naar Mij, kom met
je hele hart.
In de vasten wordt dit 'opnieuw beginnen in Christus'
geholpen door een bijzondere genade van God die eigen is aan de liturgische
periode die zojuist begonnen is. Daardoor is de vastenboodschap vervuld van
vreugde en hoop, ook al is het een boodschap van boetvaardigheid en
versterving.
«Als iemand van ons zich bewust wordt dat hij bedroefd is,
moet hij denken: 'Het komt omdat ik niet dicht genoeg bij Christus ben...'.
Als iemand van ons in zich de neiging tot, bij voorbeeld, zwartgalligheid of
kwade zin herkent, moet hij hetzelfde overdenken. Als hij de schuld geeft aan
dingen om hem heen, is hij ver van zijn doel, hij staat dan de verkeerde kant
op te kijken.»14 Soms
kan het gebeuren dat een bepaalde apathie of geestelijke moeheid veroorzaakt
wordt door vermoeidheid of ziekte... maar vaker komt ze voort uit een
gebrek aan edelmoedigheid bij het doen van wat God ons vraagt te doen, van een
in de praktijk te zwakke strijd om onze zinnen te versterven, van een gebrek
aan zorg om andere mensen; kortom de oorzaak ervan is lauwheid.
Als we dicht bij Christus blijven, zullen we altijd het
hulpmiddel vinden tegen onze mogelijke lauwheid en de krachten om die gebreken
te overwinnen die anders onoverkoombaar zouden zijn. «Als iemand zegt: het
schijnt dat ik onverbeterlijk traag ben; ik ben niet vasthoudend genoeg; het
lijkt wel, of ik niet in staat ben de dingen af te maken die ik begin, zou hij
vanaf dat moment moeten denken: ik ben niet dicht genoeg bij Christus. Dit is
de reden waarom we, als we in ons leven iets ontdekken als een fout, of een
zwakte, [...] we onmiddellijk onze toevlucht moeten nemen tot dit soort intiem en
rechtstreeks onderzoek: het lijkt erop, dat ik geen volhouder ben: ik ben niet
dicht bij Christus. Ik ben niet aardig: ik ben niet dicht bij Christus.[...] En
dan zegt Christus: vooruit! Draai je om, kom terug naar Mij met geheel je hart!
[...] Voor ieder van ons is het tijd te erkennen dat hij gedreven wordt door
Jezus Christus. Diegenen van ons die soms de neiging voelen zich te verzetten
tegen dit gegeven, moeten weten dat nu het moment gekomen is. Wie onder ons
pessimistisch is en denkt dat er geen remedie is voor onze fouten, moet weten
dat nu het ogenblik gekomen is. Het is het begin van de vasten. Laten we de
vasten beschouwen als een tijd van verandering en hoop.»16
-1. Joël 2,12-13. -2. Romeins Missaal, Aswoensdag.
-3. Vgl. Gen 3,19. -4 J.
Leclercq, En suivant l'année liturgique. -5. Johannes Paulus ii, Homilie op
Aswoensdag, 28 februari 1979. -6. Vgl. Mt 6,24. -7. Ez 36,31.
-8. Johannes Paulus ii, Brief
aan de priesters, 8 april 1979. -9. Ps 51(50), 1-6a.12-15. -10. H. Franciscus van Sales, Vastenpreek.
-11. H. Leo de Grote, uit het Getijdenboek,
tweede lezing voor de donderdag na Aswoensdag. -12. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 1,3.
-13. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, n. 9. -14. 2 Kor 6,1-2. -15. A.G. Dorronsoro, Tiempo para creer,
bl. 118. -16. Ibidem.
|