25 januari. Feest
12. BEKERING VAN DE HEILIGE APOSTEL PAULUS
Vandaag wordt de Internationale Bidweek
voor de eenheid van de christenen afgesloten met de herdenking van de bekering
van de 'apostel der volkeren'. Gods genade verandert sint Paulus van christenvervolger
in boodschapper van Christus. Dit gebeuren leert ons, dat het geloof zijn
oorsprong vindt in de genade en steunt op het vrije antwoord van de mens, en
dat de beste manier om de eenheid der christenen te versnellen bestaat in het
dagelijks bevorderen van de persoonlijke bekering.
-Op weg
naar Damascus. -De figuur van sint Paulus, toonbeeld van hoop. -Het
beantwoorden van de genade. -Apostolische ijver.
12.1 Ik weet
wie ik mijn vertrouwen heb geschonken, en ik ben
ervan overtuigd dat de rechtvaardige Rechter bij machte is wat mij is
toevertrouwd ongerept te bewaren tot aan de jongste dag.1
Paulus, een
krachtig verdediger van de Wet van Mozes, beschouwde de christenen als het grootste gevaar
voor het jodendom; daarom wijdde hij
al zijn energie aan de vernietiging van de jonge Kerk. De eerste keer
dat hij genoemd wordt in de Handelingen van de Apostelen -een ware geschiedenis van de eerste christenheid-
treffen wij hem aan bij de marteling van de heilige Stefanus, de eerste
onder de christelijke martelaren.2 Sint
Augustinus vestigt de aandacht op de uitwerking van Stefanus' gebed op de jonge
vervolger.3 Later begeeft Paulus zich op weg
naar Damascus, met volmacht om
alle aanhangers van de Weg die hij zou vinden, mannen zowel als vrouwen,
gevangen naar Jeruzalem te voeren.4
Het christendom had zich snel verbreid dank zij de vruchtbare werking van de
Heilige Geest en het krachtige proselitisme dat de nieuwe gelovigen
beoefenden, zelfs in de meest vijandige omstandigheden: zij die zich verspreid hadden, trokken rond en verkondigden
het woord van de Blijde Boodschap.5
Paulus, die in ziedende woede de leerlingen van de Heer met
de dood bedreigde, was op weg naar Damascus, maar God had andere plannen met deze
man, die toch een groot hart had. Tegen het middaguur, reeds in de buurt van de
stad, omstraalde hem plotseling
een licht uit de hemel. Hij viel ter aarde en hoorde een stem die hem zei:
Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Hij sprak: Wie zijt gij, Heer?
Hij antwoordde: Ik ben Jezus die
gij vervolgt.6 En meteen daarna de
fundamentele vraag van Saul, die reeds de vrucht is van zijn bekering, van zijn
geloof en die de weg naar zijn overgave aangeeft: Wat moet ik doen, Heer?7 Paulus is reeds een ander mens. In één keer zag hij
alles helder, en het geloof, de bekering
brengt hem tot overgave, tot absolute beschikbaarheid in de handen van
God. Wat moet ik van nu af aan doen, wat verwacht Gij van mij?
Heel vaak, misschien wanneer we het verst weg waren, heeft
de Heer zich opnieuw diep in ons leven willen plaatsen en ons die grote en
wonderbaarlijke plannen geopenbaard die Hij met iedere man, met iedere vrouw
heeft. «God zij geloofd!, zei je, toen je net gebiecht had. En je dacht: het is
net of ik opnieuw geboren ben.
»Vervolgens, ging jij vredig verder: Domine, quid me vis
facere? -Heer, wat wilt Gij, dat ik doe?
»En jij gaf jezelf het antwoord: met uw genade
zal ik, ondanks alles en allen, uw allerheiligste Wil vervullen. 'Serviam' -ik
zal u onvoorwaardelijk dienen.»8 Ook nu herhalen
we dat nogmaals. Hoe vaak hebben wij het Hem al niet gezegd, in zo
verschillende toonaarden! 'Serviam!'. Met uw hulp zal ik U altijd dienen, Heer.
12.2 Ik leef in het geloof aan de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij
heeft overgeleverd.9
We zullen ons altijd die momenten herinneren,
waarop Jezus ons, misschien onverwacht, op onze weg staande hield om ons te
zeggen, dat Hij volledig bezit wil van ons hart. Sint Paulus heeft dat unieke ogenblik nooit vergeten, toen zijn
persoonlijke ontmoeting met de verrezen Christus plaatsvond: op weg naar Damascus..., zo
duidt hij soms aan, alsof hij wilde zeggen: daar is alles begonnen. Bij andere
gelegenheden merkt hij op, dat dàt het beslissende ogenblik in zijn bestaan
was. En het laatst van allen is
Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte...10
Het leven van de heilige Paulus is een oproep
tot hoop, want «wie zou, beladen met de last
van zijn fouten, kunnen zeggen 'Ik
kan mij niet beteren', wanneer [...] de vervolger van de gelovigen tot
verkondiger van hun leer wordt?»11 Deze zelfde
daadkracht werkt ook nu nog steeds in ons hart. Maar de wil van de Heer om ons
te genezen en ons te veranderen in apostelen op de plaats waar wij werken en leven,
vereist ons antwoord; Gods genade is voldoende, maar de medewerking van de mens
is noodzakelijk, zoals in het geval van Paulus, want de Heer wil rekening houden met onze vrijheid. In zijn toelichting op
de woorden van de apostel -niet ik, maar Gods genade in mij-
merkt Augustinus op:«Dat wil zeggen, niet ik alleen, maar God met mij;
daarom, niet slechts de genade van God, noch slechts hij, maar Gods genade met
hem.»12
Wanneer wij altijd
op de genade rekenen, zullen we ons nooit laten ontmoedigen, ook al ervaren wij bij
tijd en wijle de neiging tot de zonde, de fouten die niet verdwenen
zijn, zwakheden en zelfs ons vallen. De Heer
roept ons voortdurend op tot nieuwe bekering en we moeten volhardend
bidden om de genade telkens weer
opnieuw te beginnen, een houding die ons ertoe brengt in vrede en
vreugde de weg te gaan die naar God leidt -verzekerd van het kindschap van God-
en die het hart altijd jong houdt. Het is echter nodig te antwoorden, juist op
die momenten waarop wij, zoals sint Paulus, tot Jezus zullen zeggen: Heer, wat moet ik doen?,
in welk opzicht moet ik harder strijden?, wat moet ik veranderen? Jezus komt
ons vaak tegemoet; dan «is het nodig opnieuw
krachten te verzamelen om te dienen -zo schrijft de heilige Theresia-
en te trachten niet ondankbaar te zijn, want in die omstandigheden verkrijgen
wij de krachten van de Heer; want als wij de
schat en de hoge staat waarin Hij ons stelt, niet goed benutten, zal Hij
deze weer van ons afnemen en zullen we veel armer zijn; zijn Majesteit zal de
juwelen geven aan wie schittert en ze benut voor zichzelf en anderen.»13
Heer,
wat moet ik doen? Als wij zo, vanuit ons hart, tot
Hem spreken -als een schietgebed- meerdere malen per dag, zal Jezus ons licht
schenken en ons openbaren op welke punten onze liefde tot stilstand is gekomen
of niet meer voortgaat zoals God het wenst.
12.3 Ik weet in
wie ik heb geloofd... Deze woorden verklaren heel
het latere leven van Paulus. Hij heeft Christus leren kennen, en vanaf dat
ogenblik is al het overige als een schaduw in vergelijking met deze
onuitsprekelijke werkelijkheid. Niets heeft nog waarde als het niet in Christus
en door Christus is. «Het enige waarvoor hij bevreesd
was, was God te beledigen; om het overige bekommerde hij zich niet.
Juist daarom wenste hij slechts trouw te zijn aan zijn Heer en Hem aan alle
volkeren bekend te maken.»14 Dat is wat wij
wensen, het enige wat wij willen.
Vanaf het ogenblik waarop hij Jezus ontmoette,
bekeerde Paulus zich vanuit geheel zijn hart tot God. Met dezelfde ijver waarmee hij voordien de christenen
vervolgde, stelde hij zich nu, vermeerderd en gesterkt door de genade,
in dienst van het grootse ideaal dat hij zonet had ontdekt. Hij zal de boodschap die de overige apostelen
ontvingen en die in het evangelie van de heilige mis staat, tot de zijne maken: Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie
aan heel de schepping.15 Paulus
nam deze verplichting op zich en maakte ze vanaf dat moment tot zijn
bestaansgrond. «Zijn bekering bestaat juist hierin, dat hij heeft aanvaard dat
Christus, die hij op weg naar Damascus ontmoette, in zijn bestaan binnentreedt
en hem zal leiden naar één, enig doel: de verkondiging van het evangelie. Ik sta in de schuld bij Griek en
niet-Griek, bij ontwikkelden en ongeletterden [...] Voor dit evangelie schaam ik
mij niet. Het is een goddelijke kracht tot heil van ieder die erin gelooft (Rom
1,13-16).»16
Ik weet in wie ik heb geloofd... Om Christus' wil trotseert hij talloze
risico's en gevaren, zet hij zich voortdurend over vermoeienis heen, over
uitputting, over schijnbare mislukkingen van zijn zending, over vrees, om
zielen voor God te winnen. Vijfmaal
kreeg ik van de Joden de veertig-min-één. Driemaal ben ik met stokken geslagen, éénmaal gestenigd.
Driemaal heb ik schipbreuk geleden, eens een heel etmaal doorgebracht in volle zee.
Altijd op reis, gevaren van rivieren en gevaren van rovers, gevaren van de kant
van mijn eigen volk en van de heidenen, gevaren in steden en in de woestijn,
gevaren op zee, gevaren te midden van valse broeders, met zwoegen en tobben, veel slapeloze nachten, honger en dorst, vaak
zonder eten, in koude en naaktheid. En afgezien van al het overige: dag in dag
uit drukt mij de zorg voor al de gemeenten. Niemand is zwak of ik ben het ook.
Niemand komt ten val of het grijpt me in de ziel.17
Paulus plaatste de
Heer in het middelpunt van zijn leven. Daarom zal hij, ondanks alles wat hij
voor Christus heeft geleden, aan het einde van zijn leven, wanneer hij nagenoeg
alleen en enigszins verlaten is, kunnen zeggen: Ik ben vol van, nee ik loop over van vreugde in al mijn
lotgevallen... Het geluk van Paulus, en ook ons geluk, lag niet in
het afwezig zijn van moeilijkheden, maar in het feit, dat hij Jezus had ontmoet
en Hem met heel zijn hart en al zijn krachten had gediend.
Wij besluiten deze
overweging met een gebed uit de liturgie van de heilige mis: God, Gij hebt de hele wereld onderricht
door de prediking van de heilige apostel Paulus. Wij vragen U, nu wij vandaag
zijn bekering vieren: help ons door zijn voorbeeld op onze weg naar U en laat
ons voor de wereld getuigen van uw waarheid.18 Tot onze Moeder Maria bidden wij, dat wij de heel
concrete genaden die de Heer ons verleent, niet voorbij laten gaan, opdat wij
heel ons leven lang telkens weer opnieuw beginnen.
-1. Introïtus,
2 Tim 1,12; 4,8. -2. Vgl.
Hnd 7,60. -3. Vgl. H. Augustinus, Preek 315. -4. Hnd 9,2. -5. Hnd 8,4. -6. Hnd 9,3-5. -7. Hnd 22,10. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 238. -9. Communie, Gal 2,20. -10. 1 Kor 15,8-10. -11. H. Bernardus, Preek 1 bij de Bekering van sint Paulus, 1. -12. H. Augustinus, De genade en de vrije wil, 5,12. -13. H. Theresia van Avila, Het boek
van haar leven, 10. -14. H. Johannes
Chrysostomus, Homilie 2 over de lofprijzingen van sint Paulus. -15. Mc 16,15. -16. Johannes Paulus ii, Preek 25-I-1987. -17. 2 Kor 11,24-29. -18. Collectegebed.