5 december
Zesde dag van de Noveen
van de Onbevlekte Ontvangenis
48. BEMINNELIJKE MOEDER
-Jezus heeft ons zijn Moeder als onze Moeder gegeven. Moeder
van iedere mens. -Haar zorg en toewijding. -Leren meer en beter met Maria om te
gaan en haar te beminnen.
48.1 De Maagd werd Moeder van
alle mensen op het ogenblik, waarop zij uit vrije wil ermee instemde Moeder te
worden van Jezus, de eerstgeborene onder vele broeders. Dit moederschap van
Maria over ons is verheven boven het natuurlijke moederschap van mensen1, want doordat zij op lichamelijke wijze het levenslicht
heeft geschonken aan Christus, het hoofd van het Mystieke Lichaam dat de Kerk
is, heeft zij in geestelijke zin zijn ledematen, ons allen voortgebracht;
Christus is immers de bron van elk geestelijk leven: «omdat zij in haar schoot
de Levende gedragen heeft -zo bevestigt het Tweede Vaticaans Concilie-, is
Maria de Moeder van alle mensen, in het bijzonder van de gelovigen.»2
Toen haar Zoon Jezus aan het kruis genageld werd, stonden
Maria, zijn Moeder, de heilige Johannes, de leerling die
Hij liefhad, en enkele heilige vrouwen bij Hem. De Heer richtte toen tot
zijn Moeder die woorden die zulk een grote bovennatuurlijke betekenis in het
persoonlijk leven van ieder mens, van ieder van ons, hebben gehad en zullen
hebben: Vrouw, zie daar uw zoon. Vervolgens zei Hij tot de
leerling: Zie daar uw Moeder.3
Indrukwekkend is het om te zien, hoe Christus zichzelf vergeet:
zijn lijden, zijn eenzaamheid. Ontroerend is zijn onmetelijke liefde tot zijn
Moeder: Hij wil niet dat zij alleen achterblijft; Hij ziet de smart van Maria
en neemt ze op in zijn hart om ze eveneens aan de Vader aan te bieden tot
verlossing van de mensen. We worden ontroerd door Jezus' handeling jegens alle
mensen, goed of kwaad, met inbegrip van hen die door de zonde verhard zijn,
vertegenwoordigd in Johannes. Hij geeft ons Zijn Moeder als onze Moeder. Jezus
kijkt ons ieder afzonderlijk aan en zegt ons: Zie daar uw
Moeder, zorg goed voor haar, neem tot haar je toevlucht, benut deze
onuitsprekelijke gave.
Op die ogenblikken, toen Jezus zijn verlossingswerk tot voleinding
bracht, verenigde Maria zich innig met zijn offer door een nog meer
rechtstreekse en diepere medewerking aan ons heil. Het geestelijk moederschap
van Maria werd door Christus zelf vanaf het kruis verleend.4
Zie daar uw Zoon. «Dit is een
tweede Kerstmis. In de grot van Betlehem had Maria haar eerstgeboren Zoon
zonder enige smart ter wereld gebracht; nu baart zij haar tweede zoon,
Johannes, te midden van de smarten van het kruis. Op dit ogenblik ondergaat
Maria de barensweeën, niet slechts omwille van Johannes, haar tweede zoon, maar
omwille van haar miljoenen andere kinderen die haar door de eeuwen heen Moeder
zullen noemen. Nu begrijpen wij waarom de evangelist Christus haar eerstgeboren zoon noemt, niet omdat zij méér kinderen
van haar vlees had, maar omdat zij vele anderen met het bloed van haar hart zou
voortbrengen»5; door een verlossend lijden, vol
van vruchten, omdat zij verenigd was met het offer van haar Zoon. We begrijpen
goed dat het moederschap van Maria over ons, dat van een andere orde is,
verheven is boven het moederschap van de moeders op aarde, omdat zij ons
voortbrengt voor een bovennatuurlijk en eeuwig leven.
Zie daar uw zoon. Deze woorden
vermeerderden de liefde, de moederliefde voor ons in de ziel van Maria; in het
hart van Johannes brachten zij een diepe, respectvolle kinderliefde voor de Moeder
Gods voort. Dàt is de basis van een diepe devotie tot de Maagd.
Wij zouden ons op deze dag van de Noveen kunnen afvragen
welke plaats de Maagd in ons leven inneemt. Hebben wij haar weten op te nemen
zoals Johannes? Laten we haar vaak alleen staan? Noemen wij haar dikwijls
Moeder, mijn Moeder...? Zorgen wij goed voor haar?
48.2 Moederschap betekent zorg en
toewijding voor het kind. En deze heeft de Maagd voor alle mensen. Zij spreekt
voor ieder van ons ten beste en verkrijgt de specifieke en geëigende genade die
wij nodig hebben. Jezus noemt zichzelf de Goede Herder die zijn schapen roept, ieder bij hun naam6; iets
soortgelijks geschiedt met Maria, de geestelijke Moeder van ieder mens
afzonderlijk. Net zoals kinderen verschillend en enig zijn voor hun moeder, zo
zijn wij dat allen voor de heilige Maria. Zij kent ons goed, ze onderscheidt
ons al in de verte van ieder ander, ze noemt ons bij onze naam op onmiskenbare
toon. Haar moederschap strekt zich uit tot heel de persoon, tot lichaam en
ziel. Maar haar moederlijk handelen, ook over het lichaam, is erop gericht «het
bovennatuurlijk leven in de zielen te herstellen»7;
het is gericht op de heiligheid, op een meer volmaakte vereenzelviging met haar
Zoon. In deze taak van moeder is de Maagd de medewerkster bij uitstek van de
Heilige Geest, van Hem die het bovennatuurlijke leven geeft en in stand houdt.
Dit moederschap van Maria is niet voor alle mensen precies
gelijk. Maria is op uitnemende wijze de Moeder van de gelukzaligen in de hemel,
die het genadeleven niet meer kunnen verliezen. Zij is op volmaakte manier de
Moeder van de christenen die in staat van genade leven, want zij bezitten het
volledige bovennatuurlijke leven. Zij is de Moeder van degenen die door de doodzonde
van God verwijderd zijn geraakt; jegens hen beoefent zij voortdurend haar
barmhartigheid om hen tot vriendschap met haar Zoon te brengen; daarom is de
Maagd onze machtigste hulp in ieder apostolaat. Onze Lieve Vrouw is ook Moeder
van hen die niet eens gedoopt zijn, omdat ook zij bestemd zijn voor het heil,
want God wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis
van de waarheid komen.8
De Maagd, Moeder bij uitstek, heeft voor ons altijd een glimlach
op haar lippen, een gastvrij gebaar, een blik die tot vertrouwen uitnodigt; zij
staat altijd klaar om te verstaan wat er in ons hart omgaat; op haar kunnen wij
onze smarten leggen, alles wat ons bedrukt. Zij maakt zich bij allen bemind,
zij is beminnelijk bij uitnemendheid: «ze werd helemaal voor iedereen; voor
wijzen en onwetenden werd zij, door een overvloedigste liefde, schuldenares.
Voor allen opent zij de schoot van erbarming, opdat allen van haar volheid
ontvangen: de gevangene verlossing, de zieke genezing, de bedrukte troost, de
zondaar vergeving.»9
Met name bij moeilijkheden of wanneer we niet de benodigde
middelen bezitten, in bekoringen, op mogelijke momenten van verdwazing, moeten
we vol vertrouwen tot haar gaan: Moeder, mijn Moeder... Monstra
te esse Matrem!, toon dat gij onze Moeder zijt!, zo hebben we zo
dikwijls tot haar gezegd.
Misschien is onze ziel wel eens ziek; dan kunnen we tot haar
gaan -Salus infirmorum, Heil van de zieken- met de
zekerheid, dat we niet worden afgewezen. Geen enkele ervaring, hoe zwaar of
negatief die ook is of kan lijken, mag ons ontmoedigen. We zullen in haar
altijd de beminnelijke, gastvrije Moeder ontmoeten, met een blik vol van
erbarming, die ons met tederheid ontvangt en de weg die we kwijtgeraakt zijn
vergemakkelijkt en zelfs verkort. En als de moeilijkheden toenemen, in de ziel
of in het gewone leven, dan moeten we haar nog krachtiger aanroepen, en zij zal
zich haasten om ons te beschermen. «Moeder! -Roep haar aan, luid, zeer luid.
-Zij luistert naar je, zij ziet je misschien in gevaar, en de heilige Maria, je
Moeder, biedt je met de genade van haar Zoon haar moederlijke troost en haar
tedere liefkozingen aan: dan zul je gesterkt zijn voor de nieuwe strijd.»10
48.3 En van
dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis.11 Wat benijden we Johannes! Wat zal dat nieuwe thuis
van de heilige Maria vervuld zijn geraakt van licht! «De geestelijke schrijvers
hebben in deze woorden van het evangelie een uitnodiging gezien, gericht tot
alle christenen, opdat ook wij Maria in ons leven zouden opnemen. Maria wil
inderdaad dat wij haar aanroepen, dat wij vol vertrouwen tot haar gaan, dat wij
een beroep doen op haar moederschap, en haar vragen dat zij zich aan ons toont
als onze Moeder: Monstra te esse Matrem! (Hymne Ave maris stella)»12
Wellicht kan dit ons voornemen zijn voor vandaag, wederom een
dag van de Noveen van onze Moeder: Maria aanschouwen ten huize van Johannes, de
buitengewone tederheid bezien die hij jegens de Moeder van Jezus zal hebben
gekoesterd, de vertrouwelijke, innige gesprekken... En laten wij haar dan in
ons eigen leven plaatsen: haar aankijken zoals de beminde leerling haar heeft
aangekeken, bij alles naar haar toe gaan met kinderlijk vertrouwen, haar
minstens evenveel liefhebben als Johannes haar heeft bemind. Wat is het toch
gemakkelijk de heilige Maria lief te hebben! Nooit heeft er, na Jezus, een
beminnelijker schepsel bestaan of zal er ooit bestaan. Men heeft van Maria
gezegd, dat zij als een glimlach van de Allerhoogste is. In haar wezen vinden
we niets wat gebrekkig of onvolmaakt of onvoltooid is. Zij is niet iemand ver
weg of ontoegankelijk: zij staat heel dicht bij ons leven van alledag, ze weet
van ons gesjouw, van wat ons bekommert, wat we nodig hebben... Laten we niet
bang zijn onszelf te overtreffen in onze liefde tot Maria, want wij zullen haar
nooit beminnen zoals de Allerheiligste Drieëenheid, die haar zozeer heeft
bemind, dat Zij haar zelfs tot Moeder van Christus heeft gemaakt. Laten we niet
bang zijn onszelf te overtreffen, want we weten dat zij «een geschenk van het
hart van de stervende Jezus»13 is.
De Heer verlangt, dat wij haar steeds meer leren beminnen;
dat wij jegens haar de tederheid en liefde -tot in het kleinste toe-
betrachten, zoals Hij in ons geval zou hebben gedaan: schietgebeden, vaak naar
haar afbeeldingen kijken -men kan zoveel uitdrukken met een blik, die ons van
de aarde naar de hemel leidt!-, haar genoegdoening schenken voor de
vergetelheid waarin sommigen van haar kinderen haar achterlaten, tot haar gaan
ook in de geringste nood, liefdevol tot haar de Engel des Heren bidden, de
heilige rozenkrans... «Onder alle vormen van eerbewijs die wij Maria kunnen
betonen» verzekert de heilige Alfonsus van Liguori, «is er géén die het hart
van onze Moeder zo welgevallig is als het veelvuldig afsmeken van haar
moederlijke bescherming, door haar te bidden om haar bijstand in al onze
afzonderlijke noden; niets haar zo welgevallig als het geven of ontvangen van
een raad, in gevaar, bij tegenspoed, in bekoringen... Deze goede Moeder zal ons
zeker uit de gevaren bevrijden, alleen al door het bidden van de antifoon Sub tuum praesidium (Onder uw bescherming nemen wij onze
toevlucht, heilige Moeder Gods...), of het Weesgegroet, of door alleen maar
haar heilige naam aan te roepen, die bijzonder machtig is tegen de duivels.»14 Zoals alle moeders ervaart zij een bijzondere
vreugde in de zorg voor haar kinderen in nood.
Wij weten dat «na de pelgrimstocht van deze woestijn haar
barmhartige ogen en haar armen op ons wachten, waar wij in een onlosmakelijke
band de Vrucht van haar schoot, Jezus, zullen ontmoeten, die de heerlijkheid
heeft verworven voor zichzelf, voor zijn Moeder en voor ons, al zijn broeders
die onze toevlucht tot zijn erbarming zoeken.»15
Heilige Maria, beminnelijke Moeder , bid voor hen, bid voor
mij. Leer mij u iedere dag een beetje méér lief te hebben.
-1. Vgl. R. Garrigou-Lagrange o.p., De Moeder van de Verlosser. -2. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 53. -3. Joh 19,27. -4. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptoris missio,
23. -5. F.J. Sheen, Desde
la Cruz, Subirana, Barcelona 1965, bl. 18. -6. Vgl. Joh
10,3. -7. Vgl. Vaticanum ii, o.c.,
61. -8. Vgl. J. Ibáñez-F. Mendoza, La Madre del Redentor, bl. 237-238. -9. H. Bernardus, Homilie in het
octaaf van Maria Tenhemelopneming, 2. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 516.
-11. Joh 19,27. -12. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu
langs komt, 140. -13. Vgl. Pius xii,
Enc. Haurietis aquas, 15-V-1956, 21. -14. H. Alfonsus van Liguori, De
heerlijkheden van Maria, 3,9. -15. L.M. Herrán,
Nuestra Madre del Cielo, Palabra, 2e ed., Madrid 1988, bl. 102.