Eenendertigste zondag door het jaar (B)
20. Beminnen met daden
-Het eerste gebod. -Beantwoorden aan Gods
liefde voor ons. -Liefde met daden.
20.1 De teksten van de heilige Mis tonen
ons de continuïteit tussen het Oude en Nieuwe Testament. Het laatste is zowel
de vervolmaking als de vernieuwing van het eerste. In de eerste lezing1 wordt ons reeds in alle helderheid het eerste gebod
aangekondigd: Luister, Israël, Jahwe
is onze God, Jahwe alleen! Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met
heel uw ziel en met al uw krachten. Deze passage
was bij alle joden heel goed bekend, want zij herhaalden deze tweemaal per dag,
tijdens het ochtend- en middaggebed.
In het evangelie2
lezen we hoe een wetgeleerde in alle oprechtheid de Heer een vraag stelt. Deze
geleerde had Jezus' gesprek met de sadduceeën aanhoord en verbaasd gestaan over zijn antwoord. Daardoor werd hij
ertoe gebracht het onderricht van de
Meester beter te willen kennen: Wat is het allereerste gebod?, vraagt hij Hem.
En ondanks alle harde beschuldigingen die
Hij aan het adres van Farizeeën en sadduceeën zal richten, blijft Jezus thans
voor deze man staan, die oprecht de
waarheid lijkt te willen leren kennen. Aan het einde van het gesprek spoort Hij
hem aan een stap verder te zetten in de richting van zijn bekering en
heeft Hij een bemoedigend woord voor hem: Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods. Jezus staat altijd stil bij elke
ziel waarin de kiem van het geringste verlangen om Hem te leren kennen
te bespeuren valt. Nu herhaalt de Heer hem,
langzaam, de woorden van de Schrift: Luister, Israël, Jahwe is onze God, Jahwe alleen! Gij moet Jahwe
uw God beminnen met heel uw hart...
Dit is het eerste gebod, de samenvatting en het
hoogtepunt van alle andere. Maar... waarin bestaat die liefde? Kardinaal Luciani,
de latere paus Johannes Paulus I, beschreef
dit in een commentaar aan de heilige Franciscus van Sales: «Volgens u, beste heilige, moet de mens die God
bemint, zich inschepen op het schip van God, vastbesloten de koers te varen die
is aangegeven door Gods geboden, door de
voorschriften van hen die Hem vertegenwoordigen en door een levenswijze
die Hij toestaat.»3 En hij vertelt van een
denkbeeldig gesprek met Margaretha, de echtgenote van de heilige Lodewijk,
koning van Frankrijk, toen deze op het punt stond ter kruisvaart te trekken.
Zij wist niet waar de koning heen ging en zij had ook geen enkele
belangstelling voor een bezoek aan de plaatsen waar zij zouden aanleggen; ook
maakte zij zich niet druk over de gevaren die vast en zeker zouden opdoemen.
«Ik heb geen andere wens dan bij mijn koning te zijn.»
«Die koning is God, die Margaretha zijn wij als
we God echt beminnen.» Wat maakt het uit, of we ons nu hier of daar bevinden,
als wij maar bij God zijn, die wij boven alles beminnen? Wat maakt het uit, of
we gezond of ziek zijn, rijk of arm...? «Bij God zich voelen als een kind op de
armen van zijn moeder: of Hij ons op de linker- of op de rechterarm draagt, het
maakt geen verschil, laat Hem doen zoals Hij wil.» Hij alleen, dat is
voldoende: de plaats waar we zijn, de pijn die we kunnen lijden, succes of mislukking,
dat alles heeft niet alleen maar betrekkelijke waarde, maar zal ons kunnen
helpen om meer lief te hebben. We kunnen de raad van de heilige Teresia vanAvila
volgen: «Laat niets je in verwarring brengen, niets je verschrikken, alles gaat
voorbij, maar God verandert niet, geduld vermag alles; wie God bezit, hem zal
niets ontbreken: God, en verder niets, dat is voldoende.»4
20.2 Hoezeer heb ik U lief,
Heer, mijn sterkte! De Heer is mijn steenrots, mijn burcht, gevaren
doet Hij mij ontkomen: mijn God, mijn beschuttende rots, mijn schild,
hoorn mijns heils, mijn verheffing5, zo bidden we in de tussenpsalm.
Deze psalm 17 is als het ware een Te Deum dat David tot
Jahwe richt om Hem te danken voor alle hulp die hij tijdens zijn leven van Hem heeft ontvangen.6
De Heer heeft hem bevrijd van zijn vijanden, met name uit de handen van Saul, Hij schonk hem de overwinning op
heidense volkeren, gaf hem Jeruzalem terug nadat hij dat had moeten verlaten ten gevolge van de opstand van zijn zoon
Absalom. David vond bij zijn Heer altijd steun en hulp. Vandaar zijn
dankbaarheid en liefdebetoon: Hoezeer
heb ik U lief, Heer, mijn sterkte! Hij was altijd
zijn bondgenoot: steenrots, toevlucht, beschuttende rots, beschermend schild...
Jahwe was steeds zijn beschutting: de
Heer is mijn bijstand geweest.7 Ieder van ons kan deze zelfde woorden herhalen. Wat
ons leven bepaalt, wat alle duisternis en droefheid wegneemt is het gegeven,
dat God ons liefheeft. Deze werkelijkheid vervult het hart van hoop en troost. En de liefde die God is, heeft zich onder ons
geopenbaard doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld gezonden heeft om ons het
leven te brengen. Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar
Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van
zijn leven onze zonden uit te wissen.8 De menswording is de hoogste openbaring van Gods
liefde voor ieder van zijn kinderen. Maar deze liefde bestond reeds voor iedere
openbaring vanaf de eeuwigheid: Mijn
liefde voor u duurt eeuwig.9
Zij is eerder dan elk scheppend voornemen, aangezien zij het meest intieme van
het goddelijk wezen verbeeldt. De heilige Thomas leert, dat deze liefde de bron
is van alle genade die wij ontvangen.10
Meer nog, opdat wij meer lief kunnen hebben, is Gods liefde in ons hart uitgestort door de
Heilige Geest die ons werd geschonken.11 «Wij werden bemind -leert de heilige Augustinus-
toen wij Hem nog onwelgevallig waren, opdat ons iets werd verleend waarmee we
Hem konden behagen.»12 Elders leert de heilige:
«Hoor, hoe ge bemind werd toen ge niet beminnelijk waart; hoor, hoe ge werd
bemind toen ge slecht en lelijk waart; kortom, voordat er iets in u was dat
liefde waardig was. Gij werd eerst bemind, opdat ge waardig werd bemind te worden.»13
Waarom zouden we niet aan zo'n grote liefde
beantwoorden. De Heer vraagt van ons, dat wij Hem liefhebben met werken en de
genegenheid van ons hart, dat iedere dag meer en beter die weg leert kennen
naar de Drieëenheid, die de Allerheiligste Mensheid van Jezus is. De Vader heeft de Zoon lief 14 en heeft ons lief: Gij hebt hen liefgehad, zoals Gij Mij hebt
liefgehad.15 Hij
heeft ons zozeer lief als wij de Zoon liefhebben: Wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden.16
Liefde vraagt daden: vertrouwen als kinderen,
wanneer we de gebeurtenissen niet begrijpen; altijd naar Hem toe gaan, elke dag
en met name wanneer we in grotere noden verkeren; vreugdevol danken voor alle
gaven die we ontvangen; trouw zijn als kinderen, waar we ons ook bevinden... «We
zoeken allemaal een baantje in de burcht van God: kok, bordenwasser, kamerdienaar,
stalknecht of bakker. Als het de Koning behaagt ons tot lid te benoemen van
zijn persoonlijke Raad, dan zullen we dat aannemen, maar ons er niet te zeer
over opwinden, wetend dat de beloning niet afhangt van het ambt maar van de trouw
waarmee we het vervullen.»17 Op de plaats waar
we ons bevinden, in de concrete situatie van ons leven, wil God dat wij
gelukkig zijn, want in die omstandigheden kunnen we trouw zijn aan de Heer. Hoe
vaak zullen we niet tot Hem moeten zeggen: «Heer, ik heb U lief..., maar leer mij
U lief te hebben!»
20.3 Toen er nog maar heel weinig geld was
in het pas gestichte klooster van de Heilige Jozef in Avila, werd daar droog
brood gegeten met misschien nog iets erbij. Maar nooit ontbraken er kaarsen
voor het altaar, en alles wat voor de eredienst was bestemd, was uitgelezen en
goed, tussen alle armoede waarin men verkeerde. Een bezoeker die er een bezoek
bracht, vroeg enigermate geërgerd: «Een geparfumeerde linnen doek voor de priester
om zijn handen te wassen voor de Mis?»
De heilige Teresia, met het gelaat vervuld van
godsvrucht, wierp alle schuld op zichzelf. «Deze onvolmaaktheid -antwoordde zij-
hebben mijn zusters van mij meegekregen. Maar wanneer ik eraan denk, dat de
Heer zich beklaagde, omdat de farizeeër Hem niet op eervolle wijze had
ontvangen, dan zou ik willen dat alles, vanaf de drempel van de kerk,
doordrenkt was van balsem.»18 De Heer blijft
niet onverschillig voor deze oprechte eerbewijzen van een hart dat weet lief te
hebben.
Wij beminnen de
Heer door de geboden te onderhouden en onze plichten te midden van de wereld te
vervullen door elke gelegenheid tot zonde te vermijden, door de liefde
te beoefenen tot in de kleinste details..., en
ook door die handelingen die misschien gering lijken maar vol van tederheid
en liefde jegens de Heer zijn: een echte kniebuiging voor het tabernakel, het
nauwgezet beoefenen van de`vroomheid, een blik op een Mariabeeld... Het zijn
juist deze uitdrukkingen die zo gering
lijken, maar die de liefde tot de Heer, die nooit mag doven, brandend
houden.
Alles wat wij voor de Heer doen, is slechts
gering tegenover het goddelijk initiatief. «God houdt van mij... En de apostel
Johannes schrijft: 'Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons het eerst heeft
liefgehad'. -Alsof dat nog niets is, komt Jezus naar ieder van ons, ondanks
onze onloochenbare onnozelheden, om aan ons zoals aan Petrus te vragen: 'Simon,
zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan dezen?'... -Dat is het moment om te
antwoorden: 'Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik U liefheb'; en daar nederig
aan toe te voegen: help mij U meer te beminnen, Heer, vermeerder mijn liefde.»19
-1. Dt 6,2-6. -2. Mc 12,28-34. -3. Vgl. A. Luciani, Brieven aan beroemde mensen, bl. 102-103. -4.
H. Teresia van Avila, Poesías, VI, bl. 1123. -5.
Tussenzang, Ps 17,2-4; 17;51. -6. Vgl. D. de
las Heras, Comentario
ascético-teológico sobre los salmos, Zamora 1988, bl. 61. -7. Ps. 17,17-20. -8. 1 Joh 4,9-10. -9. Jer 31,3. -10. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I,
q43 a5. -11. Rom 5,5. -12. Vgl. H. Augustinus, Commentaar op het evangelie van Johannes, 102,5. -13. Idem, Preek 142. -14. Joh 3,35. -15. Joh 17,23. -16. Joh 14,21. -17. A. Luciani, o.c., bl. 103. -18. Vgl. M. Auclair, Het
leven van de heilige Teresia van Avila,
Utrecht-Antwerpen 19512, bl. 162. -19. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 497.
|