Tweede
zondag van de advent
8. BEREID DE WEG VAN DE HEER
-De
roeping van Johannes de Doper. Zijn plaats in de advent. -De nederigheid van
Johannes. De noodzaak van deze deugd voor het apostolaat. -Wij zijn getuigen en
voorlopers. Apostolaat onder de mensen met wie wij gewoonlijk omgaan.
8.1 Volk van
Sion: zie de Heer komt tot redding van zijn volkeren. De Heer zal de glorie van
zijn stem doen horen tot blijdschap van uw hart.1
Zie de Heer komt... De Verlosser stond op het punt te komen en
niemand had iets in de gaten. De mensen gingen hun gewone gang, in volstrekte
onverschilligheid. Alleen Maria wist het; en Jozef die door de engel op de
hoogte gebracht was. De wereld verkeerde in duisternis: Christus was al in de
schoot van Maria. De Joden gingen maar door met uitweiden over de Messias
zonder te vermoeden dat Hij zo dichtbij was. Sommigen leefden in de verwachting
van Israëls vertroosting: Simeon, Anna... Wij zijn in de advent, in afwachting.
In deze liturgische tijd
laat de Kerk ons nadenken over de figuur van Johannes de Doper. Hij is het die
de profeet Jesaja bedoelde, toen hij zei: -een stem van iemand die roept in de
woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.2 De komst van de
Messias werd voorspeld door profeten die lang tevoren zijn komst aankondigden,
als herauten die de komst van een groot koning aankondigen: «Johannes
verschijnt als de scheidslijn tussen beide testamenten: het Oude en het Nieuwe.
De Heer zelf leert min of meer wie sint Jan is, als Hij zegt: De Wet en alle
profeten tot aan Johannes de Doper. Hij is de verpersoonlijking van de
oudheid, de aankondiger van nieuwe tijden. Als vertegenwoordiger van de
oudheid wordt hij geboren uit ouders met een tamelijk hoge leeftijd; als
aankondiger van nieuwe tijden profeteert hij al in de moederschoot. Hij was nog
niet geboren, toen hij bij de aankomst van Maria opsprong van vreugde onder het
hart van zijn moeder.3 Johannes
wordt de profeet van de Allerhoogste genoemd, omdat het zijn opdracht
was uit te gaan voor de Heer om zijn wegen te bereiden, om zijn volk de
boodschap van verlossing te brengen.»4
Het hele leven van Johannes de Doper werd bepaald door deze
opdracht, zelfs al in de moederschoot. Dat was zijn roeping. Hij had als doel
Jezus een volk te bereiden dat in staat zou zijn het koninkrijk van God te
ontvangen en anderzijds openlijk van Hem te getuigen. Johannes verrichtte zijn werk niet door te streven naar
zelfverwerkelijking, maar om de Heer
een volmaakt volk te bereiden. Hij zou het doen, niet omdat hij er toevallig zin in had, maar omdat hij daartoe
in de moederschoot ontvangen was. Zo is alle apostolaat: zichzelf vergeten en
oprecht bezorgd zijn om de anderen.
Johannes zou tot in het
uiterste volbrengen wat er van hem verwacht werd, hij zou in de vervulling van
zijn roeping zijn leven geven. Velen zouden Jezus leren kennen dank zij de
inspanningen van Johannes de Doper. De eerste leerlingen zouden Jezus volgen op
zijn uitdrukkelijke aanwijzing en anderen zouden innerlijk voorbereid worden
dank zij zijn prediking.
Roeping omvat het hele
leven en alles staat ten dienste van de goddelijke roeping. Van het antwoord
dat Johannes later zou geven, liet de Heer de bekering van veel kinderen van
Israël afhangen. Elke mens, op zijn eigen plaats en in zijn eigen
omstandigheden, heeft een door God gegeven roeping. Van het vervullen van die
roeping hangen veel andere zaken af die de goddelijke wil welgevallig zijn:
«Veel grote dingen hangen ervan af, of jij en ik ons gedragen zoals God het
wil. - Vergeet dat niet.»5 Brengen wij de mensen om ons heen dichter bij de Heer?
Zijn wij een voorbeeld in het uitvoeren van ons werk, thuis, in onze sociale
contacten? Spreken we over de Heer met onze collega's of medestudenten?
8.2 In het
volle bewustzijn van de opdracht die hem toevertrouwd was, weet Johannes dat
tegenover Christus niemand waardig genoeg zou zijn Hem van zijn sandalen te
ontdoen6,
wat in die tijd door de minste knecht gedaan werd. Voor die taak was iedereen
geschikt. De Doper aarzelt niet te verklaren, dat hij in vergelijking met Jezus
niet meetelt. Hij laat zich niet eens voorstaan op zijn priesterlijke afkomst.
Hij zegt niet: 'Ik ben Johannes, zoon van Zacharias, uit de stam der
priesters...' Integendeel, als hem gevraagd wordt, wie zijt gij? zegt
Johannes: ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: maakt recht de
weg van de Heer (vgl. Joh 1,22-23). Hij is niet meer dan dat: de stem.
De stem die Jezus aankondigt. Dat is zijn opdracht, zijn leven, zijn
persoonlijkheid. Zijn hele wezen wordt bepaald naar Jezus. Zo zou het ook
moeten zijn met het leven van elke christen. Wat telt in ons leven, is
Christus.
Naarmate
Christus meer naar buiten treedt, tracht Johannes de Doper niet meer op de
voorgrond te treden, onopvallend te verdwijnen. Zijn beste leerlingen zouden de
leerlingen zijn die, op aanwijzing van Johannes, de Meester volgden vanaf het
begin van diens openbaar leven. Zie het Lam Gods, zei hij tot
Johannes en Andreas, en wees daarbij op Jezus die voorbij kwam. Met grote
fijngevoeligheid liet hij de mensen die hem volgden los, opdat zij met Christus
verder zouden gaan. Johannes «was volhardend in de heiligheid, omdat hij in
zijn hart steeds nederig bleef.»7 En zo verdiende hij die geweldige lofprijzing van de Heer:
Voorwaar, Ik zeg u: onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan
die groter is dan Johannes de Doper.8
De Voorloper geeft ook nu
het pad aan dat wij te volgen hebben. In het persoonlijk apostolaat -als wij
dus bezig zijn anderen voor te bereiden op hun ontmoeting met Christus- moeten
we zorgen niet zelf in het middelpunt te staan. Het gaat om Christus. Hij moet
verkondigd, gekend en bemind worden. Hij alleen heeft woorden van eeuwig leven,
Hij alleen is de belichaming van onze zaligheid. De houding van Johannes is een
energieke vermaning tegen de ongeordende eigenliefde die ons ertoe brengt
onszelf ten onrechte op de eerste plaats te stellen. Zucht tot opvallen laat
geen ruimte over voor Jezus.
De Heer vraagt ons ook ons
leven te leiden zonder vertoon, zonder te verlangen de hoofdrol te spelen. Hij
wil dat wij eenvoudig leven, gewoon; dat we ervoor zorgen iedereen goed te doen
en onze verplichtingen eerzaam na te komen. Zonder nederigheid zullen wij onze
vrienden nooit dichter bij de Heer brengen. En dan is ons leven niets dan een grote
leegte.
8.3 Wij zijn
trouwens niet alleen voorlopers, wij zijn ook getuigen van Christus. Bij het
doopsel en het vormsel hebben we de eervolle plicht gekregen ons geloof in
Christus te belijden met daden en woorden. Om die taak goed te verrichten ontvangen
wij vaak, of zelfs dagelijks, het goddelijk voedsel van het Lichaam van
Christus. Priesters schenken ons in overvloed de sacramentele genade en
onderwijzen ons met het onderricht van het goddelijk Woord.
Alles
wat wij bezitten, is zozeer verheven boven wat Johannes de Doper had, dat Jezus
zelf kon zeggen dat de kleinste in het Rijk der hemelen groter is dan
Johannes. Wat een verschil trouwens! Jezus staat op het punt op aarde te
komen en Johannes leeft tot in het diepst van zijn wezen alleen maar om de
Voorloper te zijn. Wij zijn getuigen, maar wat voor getuigen zijn wij? Hoe
staat het met ons christelijk getuigenis onder collega's, of thuis? Gebruiken
we voldoende kracht om de mensen te overtuigen die nog steeds niet in Hem
geloven, die niet van Hem houden, die een verkeerd beeld hebben van Jezus? Is
ons leven een bewijs, of ten minste een vermoeden van bewijs, van de waarheid
van het katholieke geloof? Het zijn vragen die ons zouden kunnen helpen deze
advent zo te beleven, dat deze niet te weinig apostolische betekenis heeft.
Zie de Heer komt...
Johannes weet, dat de Heer iets zeer groots in de zin heeft, waarvoor hij een
instrument moet zijn en hij gaat in de richting die de Heilige Geest hem
aangeeft. Wij weten veel meer over wat God de mensheid bereid had. Wij kennen
Christus en zijn Kerk. Wij hebben de sacramenten, de heilsleer die ons volmaakt
overgedragen is. Wij weten, dat de wereld het nodig heeft dat Christus haar
regeert. Wij weten dat het geluk en de zaligheid van de mensen van Hem afhangen.
Wij hebben Christus zelf, dezelfde die Johannes de Doper kende en verkondigde.
Wij zijn getuigen en
voorlopers. Wij moeten getuigenis afleggen en tegelijkertijd anderen de weg
wijzen. «Onze verantwoordelijkheid is groot, want getuigen van Christus zijn,
betekent allereerst dat wij ons overeenkomstig zijn leer gedragen, opdat ons
gedrag een afspiegeling zij van dat van Jezus, waardoor zijn beminnelijke
gestalte bij de mensen opnieuw tot leven komt. Wij moeten ons zodanig gedragen
dat allen kunnen zeggen als ze ons zien: dit is een christen, want hij haat
niet, hij heeft begrip, hij is niet fanatiek, hij kan zich beheersen en offers
brengen, hij koestert gedachten van vrede en hij heeft lief.»9
Misschien verwachten
mensen tegenwoordig, in veel gevallen, wel niets. Of hun hoop gaat een andere
kant uit, waar niets vandaan zal komen. Sommigen worden door stoffelijke
goederen aangetrokken, alsof die het opperste geluk verschaffen; maar zij
zullen er hun hart nooit mee kunnen verzadigen. We zullen hun de weg moeten
wijzen. Aan allemaal. «Gij weet -zegt de heilige Augustinus ons- wat ieder van
ons dient te doen, thuis, bij een vriend, bij buren, bij mensen die van u
afhankelijk zijn, bij ondergeschikten, bij meerderen. Gij weet ook, op welke
wijze God gelegenheden biedt, hoe Hij de deur opent met zijn woord. Inderdaad, gij zoudt niet in rust kunnen leven
voordat gij hen voor Christus gewonnen had, want gij zijt gewonnen door
Christus.»10
Onze familieleden,
vrienden, mensen op ons werk, mensen die we regelmatig zien, moeten de eersten
zijn die baat hebben bij onze liefde tot de Heer. Met voorbeeld en gebed moeten
we ook tot die mensen doordringen met wie we niet kunnen praten.
Onze grote blijdschap zal
bestaan in het dichter bij Christus gebracht hebben van heel wat mensen die ver
van Hem weg of onverschillig tegenover Hem waren, zoals Johannes de Doper deed.
Zonder uit het oog te verliezen, dat het de genade van God is en niet onze
menselijke kracht die erin slaagt de zielen naar Jezus te voeren. En omdat
niemand geeft wat hij niet heeft, is het van het grootste belang moeite te doen
te groeien in het inwendig leven, zodat wij zullen overlopen van liefde tot God
en daarmee de mensen met wie wij in aanraking komen, zullen aansteken.
De Koningin van de
apostelen zal onze verwachting en onze inspanningen om zielen naar haar Zoon te
brengen doen toenemen, in de zekerheid dat tegenover Hem geen enkele inspanning
vergeefs is.
-1. Introïtus
van de Mis, vgl. Jes 30,19 en 30. -2. Mt 3,3. -3. Vgl. Lc
1,41. -4. H. Augustinus, Sermo
293, 2. -5. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 755. -6. Vgl. Mt 3,11. -7. H. Gregorius de Grote, In Lucas Evangelium tractatus,
20,5. -8. Mt 11,11. -9. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 122. -10. H. Augustinus, In Ioannis Evangelium
tractatus, 10,9.
|