Elfde zondag door het jaar (C)
30. Berouw over onze zonden
-Berouw zorgt ervoor dat we onszelf vergeten, en dat we God
weer naderbij komen. Ons falen mag ons niet ontmoedigen. -We kunnen onze fouten
niet negeren. Het zoeken van uitvluchten vermijden. -Nederigheid en spijt.
Biecht. Oprechtheid.
30.1 Wij lezen in het evangelie
van vandaag1 dat Jezus was uitgenodigd voor een
maaltijd bij een farizeëer, Simon genaamd. Er wordt ons niet verteld waar het
was, maar naar alle waarschijnlijkheid was het ergens in Galilea, misschien wel
in Kafarnaüm.
Simon toonde geen bijzondere liefde voor Jezus, want hij nam
zich niet eens de moeite om Hem de toentertijd onder de joden gebruikelijke
hoffelijkheid te betonen: een kus ter verwelkoming, geparfumeerd water om zich
te wassen, zalf...
Toen Jezus aan tafel aanlag, kwam er een vrouw binnen die direct
op Hem af ging. Ze was een vrouw die in de stad als
zondares bekend stond. Ze moet de Heer gekend hebben, en mogelijk
weleens geraakt zijn door zijn woorden of gebaren van barmhartigheid. Vandaag
had ze besloten Hem persoonlijk te ontmoeten. En ze toonde veel tekenen van
spijt en berouw. Zij nam een albasten vaasje met balsem mee
en ging schreiend achter Hem, bij zijn voeten staan. Haar tranen maakten zijn
voeten nat, die ze met haar hoofdhaar afdroogde. Zij kuste ze keer op keer en
zalfde ze met de balsem. We weten wat er in haar hart omging door wat
Jezus daarna zei: Zij heeft veel liefde betoond. Ze
toonde hoe groot haar eerbied voor Jezus was. Ze vergat de andere aanwezigen en
zichzelf. Ze was alleen geïnteresseerd in Christus.
Haar zonden, die talrijk zijn, worden haar vergeven, want zij heeft veel liefde betoond. Dat is de reden voor
zoveel vergeving. Het tafereel eindigt met de troostende woorden van de Heer: Uw geloof heeft u gered; ga in vrede. Begin je leven
opnieuw, met nieuwe hoop.
Vrede komt altijd als er diep berouw is. Ga
in vrede. Dit zijn dezelfde woorden die de priester tot ons spreekt als
hij ons de absolutie, de vergiffenis van onze zonden gegeven heeft. Geloof en
nederigheid redden die vrouw; door het berouw begon ze een nieuw leven. Zoals
de heilige Gregorius de Grote zegt: Die vrouw
vertegenwoordigt ons, als we na een zonde begaan te hebben, tot God terugkeren
met geheel ons hart, en we haar navolgen met onze kreten van boete.2 Berouw maakt dat wij onszelf vergeten en terugkeren
tot God door een diepe daad van liefde. Berouw is ook een teken van de diepte
van onze liefde, en roept Gods barmhartigheid over ons af. Zoals de Heer bij
monde van de profeet Jesaja zegt: Mijn ogen rusten op die
mens, op hem die nederig is en deemoedig van hart.3 Onze ergste tekortkomingen en fouten mogen ons niet
ontmoedigen, zelfs niet als zij groot in aantal zijn en vaak voorkomen, mits
wij nederig en vol berouw terugkeren.
Laten we de Heer vragen, dat Hij deze troostende leer diep in
ons hart inprent, opdat we ons blijven inspannen om heilig te worden en Gods
liefde te bereiken. «Bij dit liefdesspel mogen wij niet bedroefd raken, als we
vallen, zelfs niet als wij diep vallen, mits wij berouwvol tot God terugkeren
in het sacrament van boete en verzoening, en vastbesloten zijn ons leven te
beteren. Een christen is geen neurotische verzamelaar van cijfers van goed gedrag.
Onze Heer Jezus Christus werd evenzeer bewogen door het berouw van Petrus na
diens val, als door de onschuld en de trouw van Johannes. Jezus heeft begrip
voor onze zwakheid en trekt ons naar zich toe als over een hellend vlak. Hij
verlangt alleen, dat wij altijd weer ons best doen elke dag een beetje verder
te komen. Hij zoekt ons op, zoals Hij de beide leerlingen van Emmaüs opzocht
door hen tegemoet te gaan. Zoals Hij Thomas opzocht, en hem de open wonden aan
zijn handen en aan zijn zijde liet zien en met zijn vingers aanraken. Jezus
staat altijd op ons te wachten, tot wij naar Hem terugkeren; Hij kent onze
zwakheid.»4
30.2 In stilte bekeek Simon de
gebeurtenis en hij verachtte de vrouw. Jezus heeft haar vergeven, maar hij, die
zich opwerpt als rechter, veroordeelt haar. Hij denkt ook dat Christus, over
wie de mensen zoveel spreken, geen echte profeet kan zijn. Misschien heeft hij
Hem alleen maar uitgenodigd om Hem eens van nabij te kunnen gadeslaan.
Jezus laat dan zien, dat Hij niet alleen de innerlijke
gevoelens van de zondige vrouw kent, maar ook de gedachten van Simon. 'Simon, zegt Hij, een geldschieter had
twee schuldenaars, de een was hem vijfhonderd, de ander vijftig denarieën
schuldig. Omdat zij die niet konden teruggeven, schold hij ze aan allebei
kwijt. Wie van hen zal nu het meest van hem houden?
Het antwoord was duidelijk. Degene aan wie het meest kwijtgescholden
was, zou het meest van hem moeten houden. En Simon antwoordde correct. Toen
werd de parabel echte werkelijkheid. Daar stonden de twee schuldenaars. Wat de
Heer vervolgens zei was de vrouw prijzen die niet eens durfde te spreken. En
Jezus keek naar haar, terwijl hij tot Simon lijkt te spreken. In werkelijkheid
spreekt Hij tot de vrouw: Daarop keerde hij zich tot de
vrouw en zei tot Simon, Ge ziet die vrouw daar? Ik kwam uw huis binnen; ge hebt
niet eens water over mijn voeten gegoten, maar mijn voeten zijn nat geworden
door haar tranen en zij heeft ze met haar haren afgedroogd. Gij hebt mij niet
eens een kus gegeven... Gij houdt niet van Mij, maar zij wel. Zij houdt
van Mij ondanks haar vele zonden, of misschien juist door deze zonden, want
haar behoefte aan vergeving is zeer groot.
Simon betoonde de Heer niet de tekenen van verwelkoming die
een eregast normaal ten deel vielen. Er was geen water om zijn voeten te
wassen, die vuil waren van de stoffige wegen. Er was geen vredeskus, er was
geen zalf voor zijn hoofd. De vrouw deed dat wel, dubbel en dwars. Ze waste
zijn voeten, droogde ze af met haar haar en kuste ze zonder ophouden.
Simon merkte zijn gebrek aan hoffelijkheid niet eens op.
Evenmin besefte hij dat, als hij niet meer en grotere zonden deed, dit alleen
te danken was aan Gods barmhartigheid die hem van het kwaad afhield. In de
woorden van de heilige Augustinus: «Hij die weinig vergeven wordt, bemint
weinig. Jij die zegt dat je weinig zonden gedaan hebt, waarom heb je ze niet
bedreven? Zonder twijfel omdat God je aan de hand hield... Er is geen zonde die
iemand begaat die een ander niet kan begaan, als God, die de mens maakte, hem
niet aan zijn hand leidt.»5
We mogen niet vergeten dat onze fouten werkelijk bestaan. We
kunnen ze niet afschuiven op onze omgeving of op moeilijke omstandigheden in
het leven, of denken dat ze onvermijdelijk zijn, door ons te verontschuldigen
en ons aan onze verantwoordelijkheid te onttrekken. Zo handelen betekent de
deur sluiten voor vergeving en voor elke echte ontmoeting met Christus, zoals
in het geval van Simon de farizeeër gebeurde. «Meer dan door de zonde zelf
-zegt de heilige Johannes Chrysostomus- wordt God mishaagd en beledigd, doordat
de zondaar geen spijt over zijn zonden heeft.»6
We zullen geen spijt over onze zonden hebben als we verontschuldigingen zoeken
voor onze zwakheid. Integendeel, we moeten een grondig gewetensonderzoek doen
en niet tevreden zijn met de erkenning dat we zondaars zijn op een vage, niet
nader gedefiniëerde manier. In de woorden van kardinaal Wojtyla: «We kunnen
niet tevreden zijn met de buitenkant van het kwaad. We moeten naar de wortels
gaan, naar de oorzaken, naar de diepste waarheid van ons geweten.»7 Jezus kent onze harten goed, en wenst ze te zuiveren
en schoon te maken.
30.3 We lezen in de tussenzang
van de mis van vandaag: Toen heb ik mijn zonde beleden voor
U, mijn schuld niet langer ontkend. Ik sprak: voor de Heer beken ik mijn fout;
toen hebt Gij mijn zonde vergeven. Mijn toevlucht zijt Gij, mijn redder in
nood, Gij hult mij in voorspoed en vreugde.8
Oprechtheid brengt redding, want de
waarheid zal u vrij maken.9 Aan de andere
kant leiden bedrog, voorwendsels en leugens tot verwijdering van God en tot
onvruchtbaarheid in de liefde tot de naaste. Dezelfde psalm zegt: Ik verschrompelde tot in het merg, of mij midzomer hitte
verschroeid had.10
Aan de wortel van onoprechtheid ligt de hoogmoed. Deze ondeugd
verhindert dat men zich onderwerpt aan God, zijn afhankelijkheid van God erkent
en ontdekt wat God wil. Een trots persoon heeft er grote moeite mee te erkennen
dat hij kwaad begaan heeft en zijn gedrag moet verbeteren. Als deze ondeugd
wortel schiet in de ziel, maakt ze objectiviteit bijna onmogelijk. Men wil zijn
fouten en gebreken niet erkennen en zoekt daarom verontschuldigingen voor zijn
slechte gedrag. Het einde van deze weg is geestelijke blindheid. Het is dus
nodig nederig te zijn zoals de zondige vrouw, als we willen groeien in
oprechtheid en zelfkennis, en we in staat willen zijn onze zonden te belijden.
Een grote hulp is het gewetensonderzoek in Gods aanwezigheid, waarin we oprecht
valse verontschuldigingen verwerpen die ons gedrag zouden kunnen
rechtvaardigen, en vervolgens het eerlijk en concreet belijden van onze zonden
in het sacrament van boete en verzoening.
Nederigheid laat ons de grote schuld inzien die we tegenover
God hebben, en maakt ons bewust van onze ingewortelde persoonlijke
tekortkomingen. In nederigheid zullen we God vele malen per dag om vergeving
vragen voor alles wat niet goed gaat in ons leven of, op zijn minst, niet zo
goed als het zou moeten. Zo zullen onze 'vele' fouten ons ertoe brengen God
zeer lief te hebben; en onze 'weinige' fouten zullen ons ertoe brengen Hem te
danken, daar Hij in zijn liefde ons ervoor heeft behoed vaker te falen. Als we
op deze manier leven, volledig oprecht ten opzichte van onszelf, zullen we geen
reden hebben onszelf als rechters van anderen op te werpen.
Als dit een profeet was, zou Hij weten
wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt; het is immers een zondares. Naastenliefde
en nederigheid leren ons, in de fouten en de zonden van anderen onze eigen
zwakheid te zien. Zo zullen we innig verenigd zijn met het verdriet van elke
zondaar die berouw heeft. We zouden in dezelfde of nog ergere zonden vervallen,
als God ons in zijn barmhartigheid niet zou vergezellen.
De heilige Ambrosius vertelt ons: «De Heer wilde liefde, niet
de zalf; Hij waardeerde geloof; Hij prees nederigheid. Ook jij moet, als je
zijn genade wenst, je liefde vermeerderen. Stort over het Lichaam van Jezus
jouw geloof in zijn verrijzenis uit, de zoete geur van de heilige Kerk en de
zalf van de liefde voor andere mensen.»11
Laten we aan de heilige maagd Maria,
Refugium peccatorum, toevlucht van de zondaars, vragen dat zij voor ons
van haar Zoon een oprecht berouw over onze zonden verkrijgt en een diepe en
daadwerkelijke waardering van het sacrament van boete en verzoening.
-1. Lc 7,36-8,3. -2. H. Gregorius de Grote, Homilieën
over het evangelie, 13,5. -3. Jes 66,2. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
75. -5. H. Augustinus, Preek
99, 6. -6. H. Johannes Chrysostomus, Homilie bij het evangelie van Matteüs, 14,4. -7. Kard. K. Wojtyla, Teken van tegenspraak.
-8. Ps 32,5-7. -9. Vgl. Joh
8,32. -10. Ps 32,4-5. -11. H. Ambrosius, Commentaar op het
evangelie van Lucas, in loc.
|