31 mei. Feest
37. BEZOEK VAN MARIA AAN ELISABETH
Het feest van vandaag, door Urbanus vi in 1389
ingesteld, wordt gevierd in de periode tussen de aankondiging van de Heer en de
geboorte van Johannes de Doper, in overeenstemming met het evangelieverhaal.
Men herdenkt het bezoek van Onze Lieve Vrouw aan haar nicht Elisabeth, die
reeds op leeftijd was, om haar te helpen tijdens haar zwangerschap, en om
tegelijkertijd met haar de jubelzang te delen over de wonderen die door God in
hen beiden tot stand waren gebracht. Dit Mariafeest, waarmee wij de aan haar
toegewijde maand afsluiten, toont ons haar bemiddeling, haar geest van
dienstbaarheid en haar diepe nederigheid. Het leert ons de christelijke vreugde
overal te brengen waarheen wij ons begeven. Zoals Maria moeten wij steeds
oorzaak van blijdschap voor de anderen zijn.
-Vreugdevol dienstbetoon aan de anderen.
-Jezus zoeken door Maria. -Het Magnificat.
37.1 Komt en
luistert, gij allen die God vreest, en ik zal u alles verhalen wat de Heer mij
gedaan heeft1, zo lezen wij in de introïtus van de heilige mis.
Kort na de aankondiging begaf Onze Lieve Vrouw
zich op weg om haar nicht Elisabeth te gaan bezoeken, die in het bergland van
Judea woonde, op vier à vijf dagreizen afstand. In die dagen -verhaalt de heilige Lucas- reisde Maria met spoed naar het
bergland, naar een stad in Judea.2
Nadat zij door middel van de engel vernomen had van de staat waarin Elisabeth
zich bevond, haastte Maria zich, door liefde bewogen, om haar te gaan helpen in
de gewone huishoudelijke taken. Niemand verplicht haar daartoe; God heeft via
de engel niets in die zin van haar geëist, en Elisabeth heeft haar hulp niet
ingeroepen. Maria had gewoon thuis kunnen blijven om zich te wijden aan de
voorbereidingen op de komst van haar Zoon, de Messias. Maar zij ging op weg, cum festinatione, met
gezwinde spoed, met onuitsprekelijke vreugde, om haar nicht haar eenvoudige
diensten te verlenen.3
Wij vergezellen haar op die wegen in ons gebed
en wij zeggen tot haar, met de woorden die wij lezen in de eerste lezing van de
heilige mis: Jubel, dochter Sion!
Verheug en verblijd u met heel uw hart, dochter Jeruzalem! [...]. Jahwe, uw God,
is binnen uw muren, een reddende held. Hij zal opgetogen zijn van blijdschap om
u [...]. Luidkeels roept Hij zijn vreugd om u uit.4
Het is niet moeilijk ons de vreugde voor te
stellen die onze Moeder in haar hart droeg
en het grote verlangen om die mee te delen. Zie, zelfs Elisabeth, uw bloedverwante, heeft een zoon
ontvangen..., had de engel tot haar gezegd. Volgens dit uitdrukkelijk getuigenis betrof het een wonderbare
ontvangenis, die op een of andere manier verbonden was met de Messias die komen zou.5 Na die
lange reis trad Onze Lieve Vrouw het huis van Zacharias binnen en
begroette haar bloedverwante. Zodra
Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; Elisabeth werd vervuld met de Heilige Geest. Dat huis werd door de aanwezigheid van
Jezus en Maria omgevormd. Haar groet «was werkzaam, omdat hij Elisabeth
vervulde met de Heilige Geest. Door haar
tong deed zij, door middel van de profetie in haar nicht, als vanuit een
bron, een stroom van goddelijke gaven ontspringen [...]. Inderdaad, daar waar de begenadigde komt, wordt
alles overstelpt van vreugde.»6 Dàt is een
wonder dat Jezus verricht door Maria, die vanaf het begin verbonden is met de
verlossing en de vreugde die Christus in de wereld brengt.
Het feest van vandaag, het bezoek van Maria aan
Elisabeth, toont ons een facet van het innerlijk leven van Maria: haar houding
van nederige dienstbaarheid en van belangeloze liefde voor degene die in nood
verkeert.7 Deze gebeurtenis die wij in het
tweede blijde geheim van de heilige Rozenkrans overwegen, nodigt ons uit tot
bereidwillige, vreugdevolle en eenvoudige overgave aan hen die ons omringen. Vaak zal de grootste dienst die wij
bewijzen een gevolg zijn van de innerlijke vreugde die over stroomt en
de anderen bereikt. Maar dit zal alleen mogelijk zijn, als wij dicht bij de
Heer blijven, door het trouw vervullen van de ogenblikken van gebed die wij in
de loop van de dag hebben ingelast: «de
vereniging met God, het bovennatuurlijke leven, leidt altijd tot
beoefening van de natuurlijke deugden, die voor anderen zo aantrekkelijk zijn:
Maria brengt blijdschap in het huis van haar nicht, want zij 'brengt' Christus.»8
'Brengen' wij Christus met ons mee, en met Hem de vreugde, waar wij ook
heen gaan... naar het werk, bij het bezoek aan buren, naar een zieke...? Zijn wij
gewoonlijk oorzaak van blijdschap voor de anderen?
37.2 Bij de komst van Onze Lieve Vrouw roept Elisabeth, vervuld met de
Heilige Geest, luidkeels uit: Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht
van uw schoot. Waaraan heb ik het te danken, dat de moeder van mijn Heer naar
mij toekomt? Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte, sprong het
kind van vreugde op in mijn schoot.
Elisabeth noemt haar niet slechts gezegende, maar verbindt
haar lofprijzing met de vrucht van haar schoot, die gezegend is door alle
eeuwen heen. Hoe vaak hebben ook wij niet diezelfde woorden herhaald, als we
het 'Wees gegroet' bidden: Gij
zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is Jezus, de vrucht van uw
schoot. Spreken wij deze
woorden met dezelfde vreugde uit als Elisabeth heeft gedaan? Hoe
dikwijls kunnen ze ons niet dienen tot schietgebed, dat ons verenigt met onze
hemelse Moeder, tijdens het werk, als we op straat lopen, als we een beeld van
haar aanschouwen!
Maria en Jezus zullen altijd samen zijn. De
grootste wonderen van Jezus zullen -zoals in dit geval- verricht worden in innigste
eenheid met zijn Moeder, middelares van alle
genaden. «Deze verbinding van Maria met de Zoon in het heilswerk -zo
verzekert het Tweede Vaticaans Concilie- komt vanaf de maagdelijke ontvangenis
van Christus tot aan zijn dood tot uiting.»9
Laten wij vandaag opnieuw leren, dat elke
ontmoeting met Maria een opnieuw vinden van Jezus betekent. «Als u Maria zoekt, dan zult u Jezus vinden. En u zult
enigszins leren begrijpen, wat er in
het hart van God omgaat, in God die
zich vernedert»10, die toegankelijk wordt te
midden van het eenvoudige leven van
alledag. Deze oneindige gave -Christus mogen kennen, met Hem omgaan en
Hem liefhebben- vond haar begin in het geloof van de heilige Maria, waarvan
Elisabeth thans de volmaakte vervulling duidelijk maakt: «de volheid der genade
die de engel aangekondigd heeft betekent de gave van God zelf; het geloof van
Maria, dat Elisabeth geprezen heeft bij het bezoek, geeft aan hoe de Maagd van
Nazaret geantwoord heeft op deze gave.»11 Maria die reeds in volledige overgave haar fiat had uitgesproken
toont zich op de drempel van het huis van Elisabeth en Zacharias als de Moeder
van de Zoon van God. Dat is de vreugdevolle ontdekking van Elisabeth12, en ook van ons, waaraan wij nooit gewend zullen
raken.
37.3 Het klimaat dat dit geheim, dat wij in de heilige Rozenkrans
overwegen, omgeeft, de atmosfeer die de episode van het bezoek doordrenkt, is
de vreugde; het mysterie van het bezoek is een geheim van vreugde. Johannes de
Doper springt van vreugde op in de schoot van de heilige Elisabeth; Maria heft
het Magnificat aan, een tomeloze lofzang van Messiaanse vreugde.13 Met deze jubelzang
antwoordt Onze Lieve Vrouw op de lofprijzingen van Elisabeth. De woning
van Zacharias en Elisabeth straalt de meest
zuivere geest van het Oude Testament uit. En Maria omvat in haar schoot
het mysterie dat toegang zal geven tot het Nieuwe. Het Magnificat is «het gezang van de Messiaanse tijden, waarin de vreugde van het
oude en het nieuwe Israël samenvloeit [...]. De lofzang van Maria is, bij
uitbreiding, het gebed van de Kerk aller tijden geworden.»14
In deze omgeving krijgt de uitdrukking van
hetgeen Maria in haar hart bewaart zijn volle betekenis. Het Magnificat is de zuiverste
uiting van haar innerlijk geheim, dat door de engel was geopenbaard. Er is niets
van overdrijving of gekunsteldheid: deze woorden zijn de spiegel van de ziel
van Onze Lieve Vrouw; een ziel vol grootheid en zo dicht bij haar Schepper: Mijn hart prijst hoog de Heer, van
vreugde juicht mijn geest om God mijn redder.
En samen met deze
zang van blijdschap en nederigheid heeft Maria ons een profetie nagelaten: van heden af prijst elk geslacht mij zalig. «Vanaf de oudste
tijden wordt de heilige Maagd met de titel
van 'Moeder van God' vereerd en tot
haar bescherming nemen de gelovigen in al hun gevaren en noden hun
toevlucht. Vooral vanaf het concilie van
Efese is de Mariaverering bij het volk van God wonderbaarlijk gegroeid,
in de vorm van verering en liefde, in
aanroeping en verlangen naar navolging, volgens haar eigen profetische
woorden: Alle geslachten zullen
mij zalig prijzen, omdat Hij aan mij zijn wonderdaden deed Die machtig is.»15
Onze Moeder de heilige Maria heeft zich niet
onderscheiden door wonderdaden; uit het evangelie vernemen wij niet, dat zij
tijdens haar aardse leven wonderen heeft verricht; weinig, heel weinig zijn de
woorden die de gewijde tekst van haar heeft bewaard. Haar leven ten opzichte
van de anderen was het leven van een gewone vrouw die haar gezin moest
onderhouden. Toch is deze wonderbare profetie volledig in vervulling gegaan.
Wie zou de lofprijzingen kunnen tellen, de aanroepingen, de heiligdommen tot haar eer, de offergaven, de Mariadevoties...? In
de loop van twintig eeuwen hebben mensen van elke rang en stand haar zalig geprezen: geleerden
en mensen die niet kunnen lezen en schrijven, koningen, krijgslieden, handwerkslui,
mannen en vrouwen, mensen op leeftijd en kinderen die pas beginnen te
brabbelen... Wij vervullen thans die profetie. Wees gegroet, Maria, vol van genade..., gij zijt de gezegende
onder de vrouwen..., zo spreken wij tot haar in het binnenste van
ons hart.
Heel bijzonder hebben wij haar gedurende deze
meimaand aangeroepen, «maar de meimaand mag niet eindigen; hij moet doorgaan, in ons leven, omdat de verering, de
liefde, de devotie tot Maria niet uit ons
hart mogen verdwijnen; méér nog, zij moeten groeien en tot uiting komen
in een getuigenis van christelijk leven, gevormd naar het voorbeeld van Maria,
?de naam van de schone bloem die ik altijd aanroep 's ochtends en 's middags?,
zoals Dante Alighieri zingt ('Paradiso', 23,88).»16
Wanneer wij met Maria omgaan, ontdekken wij Jezus. «Hoe zou de blije blik van
Jezus geweest zijn!: dezelfde die straalde uit de ogen van zijn Moeder, die
haar vreugde niet meer kon inhouden: -Magnificat anima mea Dominum!- en haar ziel
verheerlijkte de Heer, omdat zij Hem in zich droeg en naast zich had.
»O, Moeder!: moge het ook onze vreugde uitmaken
om bij Hem te zijn en Hem in ons te hebben.»17
-1. Introïtus.
Ps 65,16. -2. Lc 1,39-56. -3. Vgl. M.D. Philippe, Mystére de Marie. -4. Sef 3,14;17-18. -5. Vgl. F.M. Willam, Het leven van Maria. -6. Pseudo Gregorius Taumaturgus, Homilie II over de Aankondiging. -7. Johannes Paulus ii, Homilie 31-V-1979. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 566. -9. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 57-58. -10. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 144. -11. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris Mater, 25 maart 1987, 2. -12. Vgl. Ibidem, 13. -13. Vgl. Idem, Homilie 31 mei 1979. -14. Paulus vi, Apost. exhort. Marialis cultus, 2 februari 1974, 18. -15. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 66. -16. Johannes Paulus ii, Homilie 25 mei 1979. -17. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 95.