Eenendertigste week. Vrijdag
26. Bidden voor de overledenen
-Hulp aan de zielen in het vagevuur, een in de
Kerk vanaf de eerste eeuwen beleefde waarheid. -Hun wachttijd op het binnengaan
in de hemel bekorten door gebed en goede werken. -De aflaten.
26.1 In deze novembermaand verveelvoudigt
de Kerk als een goede moeder de zoenoffers voor de zielen in het vagevuur en
nodigt zij ons uit de zin van het leven te overwegen in het licht van ons
einddoel: het eeuwige leven, waarheen wij in snel tempo onderweg zijn.
De liturgie brengt ons in herinnering dat de
zielen die in het vagevuur gelouterd worden, de liefde verkrijgen van hun
broeders op aarde, dat men voor hen verdiensten kan verwerven en hun wachttijd
op de hemel kan bekorten. De dood vernietigt de door de Heer gestichte eenheid
niet, maar vervolmaakt deze. De eenheid in Christus is sterker dan de
lichamelijke scheiding, omdat de Heilige Geest een machtige band van eenheid is
tussen de christenen. Naar hen vloeien de liefde en de trouw van degenen die
nog op aarde pelgrimeren: zij brengen hun blijdschap en bekorten die korte
spanne tijds die hen nog scheidt van de eeuwige zaligheid; en dat ook als men
het niet uitdrukkelijk bedoelt. Als men het bewust wil, is die stroom van
liefde en blijdschap nog groter.1
Het Getijdenboek brengt vandaag het verhaal van
een veldslag die de Israëlieten met Gods hulp hebben gewonnen.2 Daags na de overwinning liet Judas de Makkabeeër de
lichamen van de in de strijd gesneuvelde soldaten ophalen. Toen ontdekte men,
dat diegenen waren gedood die onder hun kleren voorwerpen verborgen hadden die waren toegewijd aan de afgoden van de naburige
volkeren. Bij het zien daarvan prezen allen de Heer, de Rechtvaardige
Rechter, die het verborgene aan het licht brengt.
Judas de Makkabeeër liet toen een inzameling houden en zij haalden tweeduizend
drachmen op; die zond hij naar Jeruzalem voor een zoenoffer. Want, zo besluit de gewijde schrijver: Dat was een mooie en edele daad, ingegeven door de gedachte aan de
verrijzenis. Want als hij niet gehoopt had, dat de gevallenen zouden verrijzen,
dan was het nutteloos en dwaas geweest voor de overledenen te bidden. Daarom
liet hij voor de overledenen een zoenoffer opdragen, opdat ze van hun zonde
zouden worden vrijgesproken.
Talloze grafschriften en veel teksten getuigen
ervan, dat de Kerk vanaf de eerste eeuwen
«met diepe vroomheid de gedachtenis van de overledenen heeft gevierd en
zoenoffers voor hen heeft opgedragen»3, in de
volle overtuiging zo de pijnen van de zielen in het vagevuur te kunnen
verlichten. Want «als de mannen van Mattatias met offers de misdaden hebben uitgeboet van hen die in de slag gevallen
zijn na eerst op ongodvruchtige wijze gehandeld te hebben -legt de heilige
Efrem uit- hoeveel te meer boeten de priesters van de Zoon dan door heilige
offers en gebed uit hun mond, de zonden van de overledenen uit!»4
Zozeer is onder de eerste christenen de
gewoonte geworteld om voor de overledenen te bidden, dat er al heel spoedig een
vaste plaats in de heilige Mis werd bepaald om hen aan God aan te bevelen,
zelfs met hun naam: Gedenk ook, Heer,
uw dienaars en dienaressen N. en N. die vóór ons zijn heengegaan, gemerkt met
het teken van het geloof en die rusten in de slaap van de vrede. Laat hen en
allen die in Christus zijn ontslapen genadig toe tot het oord van de vreugde,
het licht en de vrede. En in een ander eucharistisch
gebed kunnen we lezen: Gedenk ook onze
broeders en zusters die reeds ontslapen zijn in de hoop der verrijzenis, ja,
alle gestorvenen dragen wij op aan uw zorg. Neem hen aan en laat hen
verschijnen in het licht van uw gelaat.5 Deze woorden die in de liturgie van de Mis worden
gebruikt, stammen heel waarschijnlijk van de opschriften op de graven in de
catacomben: «in het teken van het geloof», «in de slaap der rechtvaardigen»,
«plaats van rust en vrede» zijn formules die men aantreft op de Romeinse
begraafplaatsen van de eerste eeuwen en in de «Acten der Martelaren».6
Deze waarheid, namelijk dat wij voor hen die
ons voorgingen, ten beste kunnen spreken en die van altijd al door het
christenvolk is aanvaard, werd plechtig tot geloofswaarheid verklaard.7
Wij kunnen tijdens dit gebedsuur die mensen in
herinnering roepen die reeds zijn overleden en die met ons door krachtige
banden blijven verbonden. Laten we vandaag nagaan, hoe het met ons gebed voor
hen gesteld is. Laten we niet vergeten dat het hier om een groot werk van
barmhartigheid gaat, dat de Heer zeer welgevallig is.
26.2 God, mijn God, naar U blijf ik zoeken, mijn ziel dorst van verlangen
naar U; al wat ik ben, smacht naar U in een troosteloos dor land zonder water.8 Mijn ziel lijdt dorst naar U, o God, naar God die leven is; wanneer mag
ik opgaan, dat ik voor God verschijn?9 Op de zielen in het vagevuur kan men heel
sterk deze noodkreet en dit verlangen van de gewijde schrijver toepassen.
De zonden brengen een tweevoudige wanorde met
zich mee. In de eerste plaats is er de belediging van God, die voor de ziel
meebrengt hetgeen de theologen «reato de culpa» noemen, de vijandschap met en
verwijdering van God die, als het een doodzonde betreft, een radicale afwijking
veronderstelt ten aanzien van het doel waartoe de ziel is geschapen; haar wacht
God eeuwig te ontberen. Deze schuld wordt, in het geval van zonden die na het
doopsel zijn begaan, in de sacramentele biecht vergeven.
Bovendien veroorzaakt de zonde, in de mate
waarin zij een bekering naar de schepsels toe betekent, een wanorde die de
zondaar zelf treft: hij knot zijn eigen persoonlijke zelfverwezenlijking af, evenals die van de andere gelovigen, met
wie hij innig verenigd is door de gemeenschap van de heiligen, en hen die hij
benadeelt en beledigt, want vast en zeker «heeft de zonde het menszijn
ontluisterd door de mens ervan af te houden de volheid te bereiken.»10 Daarnaast «verlaagt de ziel die zich door de zonde
verlaagt, ook de Kerk en in zekere zin heel
de wereld.»11 Deze gevolgen van de
persoonlijke zonde noemt men «reato», of rest, «de pena», die gewoonlijk ook
blijft bestaan na de sacramentele absolutie en die in dit leven hersteld moet
worden door het vervullen van de in de biecht opgelegde penitentie, andere
goede werken of door aflaten die door de Kerk worden verleend. De ziel die
zonder voldoende herstel uit deze wereld heengaat of die nog dagelijkse zonden
of gebrek aan liefde tot God heeft, zal zich moeten louteren in het vagevuur12, want in de hemel zal niets onreins binnenkomen.13 Daar brengen zij voldoening voor hun schulden en
smetten, zonder dat zij er zelfs iets mee kunnen verdienen -met de dood eindigt
de tijd daarvoor!-, zonder dat hun liefde tot God vermeerderd wordt.
In het vagevuur bestaat naast een
onvoorstelbare pijn ook een grote blijdschap, omdat de zielen die daar verblijven
zich in genade bevestigd weten en daarom bestemd zijn voor het eeuwig geluk. Wij
kunnen verdiensten voor hen verkrijgen en de zielen helpen die zich voorbereiden
om de hemel binnen te treden; en dat doen we vooral door de heilige Mis, het
meest verhevene wat wij -in vereniging met Christus- in deze wereld aan God de
Vader kunnen aanbieden. Bij de jaarlijkse herdenking van alle overleden
gelovigen gedenkt de Kerk, met name in deze novembermaand, die kinderen van
haar, die nog niet volledig de eeuwige zaligheid kunnen delen, en zij spoort
aan tot het veelvuldig aanbieden van het heilig offer voor hun intentie; zij
verleent bijzondere aflaten, bestemd voor deze zielen, en zij roept allen op
mee te werken aan een werk van barmhartigheid dat zijn vruchten tot buiten de
aardse wereld zal afwerpen. De Heer heeft gewild, dat elk goed werk, in staat
van genade verricht, de gestorvenen kan helpen en een beloning bij Hem kan
verkrijgen. Deze verdiensten kunnen worden aangewend als zoenoffer voor de
zielem in het vagevuur. Het betreft onder andere het ontvangen van de
sacramenten, met name de communie, het bidden van de heilige rozenkrans, het
opdragen van ziekte, pijn, dagelijkse tegenslagen. Bij deze werken beschikken
wij iedere dag over een belangrijk hulp voor onze gestorven broeders: het werk
of de studie, mits gewetensvol, menselijk volmaakt en in bovennatuurlijke zin
vervuld.
26.3 Bijzonder belangrijk bij de hulp die
we de zielen in het vagevuur kunnen verlenen zijn de -volle of gedeeltelijke-
«aflaten», die we als zoenoffer kunnen aanwenden; enkele ervan zijn zelfs
exclusief bestemd ten gunste van de gestorvenen. De Kerk verleent een
gedeeltelijke aflaat voor alle vrome oefeningen: inwendig gebed, mondgebeden
zoals de Engel des Heren en het Regina Coeli; het gebruik van een vroom
voorwerp -kruis, rozenkrans, scapulier, medaille- door een priester gezegend,
en indien gezegend door de paus of een prelaat verdient men een volle aflaat op
het feest van de heilige Petrus en Paulus door het verrichten van een akte van
geloof; lezing van de Heilige Schrift; het bidden van het Memorare; geestelijke
communie, in welke bewoordingen dan ook; alle litanieën; het bidden van het
Adoro te devote; het Salve Regina; gebed voor de paus; retraite... Sommige worden
door de Kerk nog meer verrijkt doordat zij -onder de gebruikelijke voorwaarden:
biecht, communie, gebed voor de paus- de begunstiging krijgen van «volle
aflaat», die alle tijdelijke straf ten gevolge van de zonde kwijtscheldt. Dit
gebeurt bijvoorbeeld door het bidden van de Kruisweg, een half uur van gebed
voor het allerheiligste Sacrament, het godvruchtige bezoek aan een kerkhof in
deze eerste acht dagen van november...
Zoals de heilige Thomas van Aquino14 en vele anderen onderrichten, kunnen de zielen in
het vagevuur de herinnering bewaren aan de dierbaren die zij op aarde hebben
achtergelaten en voor hen bidden, ofschoon zij -tenzij God het hun wil
openbaren- de concrete noden niet kennen
van hen die nog op aarde leven. Zij komen tussenbeide voor de beminden
die zij hier achterlieten, zoals wij voor hen bidden, ook al weten we niet
zeker of zij in het vagevuur zijn of reeds God in de hemel genieten. Zij kunnen
geen verdiensten meer opbouwen, maar wel ten beste spreken door de Heer de
verdiensten voor te leggen die zij hier op aarde hebben verworven; zij helpen
ons in veel dagelijkse noden «en met name
hen met wie zij in dit leven waren verbonden»15,
degenen die hen het meest hebben geholpen om het heil te bereiken, hen die zij
bijzonder hadden aanbevolen. Laten we altijd tot hen gaan... en laten we
edelmoedig zijn in zoenoffers voor hen tot wie de liturgie ons in deze maand
heel bijzonder aanspoort.
-1. Vgl. M.
Schmaus, Teología
dogmática, Rialp, Madrid 1975, vol. II, Los novísimos, bl. 503. -2. Vgl. Getijdenboek, eerste lezing. 2 Mak
12,41 e.v. -3. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 50. -4. H. Efrem, Testamentum, 78. -5. Romeins Missaal, Eucharistisch gebed I en II. -6. Vgl. F. Suárez, El sacrificio del altar, Madrid 1989, bl.
208. -7. Tweede Conc. van Lyon, Professio fidei Michaelis
Palaeologi. DS 858 (464). -8. Ps 63,1. -9. Ps 41,3. -10. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 13. -11. Johannes
Paulus ii, Apost. exhort. Reconciliatio et paenitentia, 2 december 1984, 16. -12. Congregatie
voor de Geloofsleer, Brief aan
de bisschoppen inzake de eschatologie, 17 mei 1979,
7. -13. Apok 21,27 -14. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, I q89. -15. M. Schmaus, o.c., bl. 507.
|