Paasoktaaf. Maandag
2. BLIJDSCHAP EN VERRIJZENIS
-De bron van werkelijke blijdschap is Christus. -Droefenis
vindt haar oorsprong in verdwalen en zich verwijderen van God. Wees optimist,
tevreden, blij, ook als het tegenzit. -Breng de naasten vrede en blijdschap.
2.1 De Heer is verrezen zoals Hij gezegd heeft;
laten wij dit vieren in blijdschap, want Hij heerst als Koning in eeuwigheid,
alleluia.1
In de loop van het kerkelijk jaar ontbreekt de blijdschap
nooit, omdat dit hele jaar op de een of andere manier samenhangt met de
feestelijkheden van Pasen. In deze dagen echter is de vreugde op nog
opvallender wijze in de liturgie aanwezig. Door dood en verrijzenis van
Christus zijn we vrijgekocht van de zonde, uit de macht van de duivel en van de
eeuwige dood. Pasen doet ons terugdenken aan onze bovennatuurlijke geboorte in
het doopsel, waardoor we kinderen van God werden. Pasen is een voorafbeelding
en onderpand van onze eigen opstanding. God -zegt de heilige Paulus ons-
heeft ons met Christus ten leven gewekt [...] en heeft ons met Hem doen
opstaan.2 Christus,
die de eerstgeborene der mensen is, heeft zich gemaakt tot voorbeeld en
oorsprong van onze toekomstige verheerlijking.
Onze Moeder de heilige Kerk voert ons in deze dagen met
behulp van de woorden van de liturgie, lezingen, psalmen, antifonen..., binnen in
de blijdschap van Pasen. Het voornaamste wat zij vraagt, is dat deze blijdschap
een voorproef en onderpand mag zijn van ons eeuwig geluk in de hemel. Al sinds
oude tijden zijn vasten en lichamelijke versterving in deze tijd weggelaten,
als uitwendig teken van deze blijdschap naar ziel en lichaam. «De vijftig dagen
van de paastijd -zegt de heilige Augustinus- sluiten het vasten uit, want het
is een voorproef van het feestmaal dat ons daar boven wacht.»3 Deze uitnodiging
van de liturgie zou echter nergens toe dienen, als er in ons leven zich geen
echte ontmoeting met de Heer voordoet; als we niet meer in volle omvang het
kindschap van God beleven.
De evangelisten hebben ons, bij elke verschijning opnieuw,
ononderbroken overgeleverd hoe de apostelen zich verblijdden bij het zien
van de Heer. Hun blijdschap komt voort uit het gezien hebben van Christus,
uit het weten dat Hij leeft, uit het samen geweest zijn met Hem.
Echte blijdschap is niet afhankelijk van stoffelijk welzijn,
van het geen-gebrek-lijden, van de afwezigheid van moeilijkheden, van de
gezondheid... Diep doorleefde blijdschap heeft haar oorsprong in Christus, in de
liefde die God voor ons heeft en in ons beantwoorden van die liefde. Vervuld
wordt -nu al- de belofte van de Heer: Ik zal u een vreugde geven die niemand
u zal kunnen ontnemen.4 Niemand, niets: pijn niet, lasterpraat niet, verlatenheid
niet..., noch eigen zwakte, mits we onmiddellijk terugkeren naar de Heer. Dat is
de enige voorwaarde: je niet van God verwijderen, niet toelaten dat de dingen ons
van Hem scheiden, ons elk moment zijn kinderen weten.
2.2 Het evangelie van de Mis zegt ons: In die
tijd gingen de vrouwen terstond weg van het graf met vrees en grote vreugde, en
zij haastten zich het nieuws aan zijn leerlingen over te brengen. En zie, Jezus
kwam hen tegemoet en zeide: Verblijdt u. Zij kwamen naar Hem toe, omklemden
zijn voeten en aanbaden Hem.5
De liturgie van de paastijd herhaalt met duizend
verschillende teksten deze zelfde woorden: verblijdt u... dient met
blijdschap de Heer6, want er bestaat geen andere manier om Hem te dienen. «Je
beleeft enkele dagen van grote vreugde, je ziel is vol licht en kleur. En wat
eigenaardig is, de redenen van je blijdschap zijn dezelfde als die je anders
moedeloos maakten! Het is altijd hetzelfde: alles hangt af van het punt van
waaruit je het bekijkt. Laetetur cor quaerentium Dominum! - als je God
zoekt, stroomt je hart altijd over van vreugde.»7
Bij het laatste avondmaal heeft de Heer voor de apostelen
geen geheim gemaakt van de tegenspraak die hun te wachten zou staan. Hij
beloofde echter dat hun droefheid weer in vreugde zou verkeren: Zo zijt ook
gij nu wel bedroefd, maar wanneer Ik u zal weerzien, zal uw hart zich verheugen
en uw vreugde zal niemand u kunnen ontnemen.8 Wat moeten die woorden toen onbegrijpelijk
geklonken hebben en nu gaan ze volledig in vervulling. Een korte tijd later
zullen de mannen, die tot nu toe afgeschrikt zijn, uit het Sanhedrin te
voorschijn komen met een gevoel van geluk, omdat zij iets voor hun Heer hadden
mogen lijden.9 In
de liefde tot God, die onze Vader is, en tot onze naasten en in de
zelfverloochening, die daar het gevolg van is, ligt de oorsprong van die diepe
blijdschap van de gelovige.10 Pessimisme en droefheid zouden voor de gelovige altijd
iets vreemds moeten zijn. Iets dat, mocht het ooit voorkomen, onmiddellijk
verholpen moet worden.
Zich van God verwijderen, afdwalen van de weg, dat alleen kan
verwarring brengen en deze zo kostbare blijdschap van ons afnemen. Daarom
zullen we vechten om de Heer te zoeken te midden van ons dagelijks werk, zullen
we onze grillen en momenten van egoïsme, waar we elke dag mee geconfronteerd
worden, beteugelen. Die inspanning zal onze aandacht gericht houden op de zaken
van God en op alles wat het leven van anderen aangenamer maakt. Deze innerlijke
strijd geeft de ziel een opvallend jeugdig élan. Niemand is jonger dan hij die
zich kind van God weet en zorgt dienovereenkomstig te handelen.
Als we eens het ongeluk zouden hebben ons van God te
verwijderen, zouden we moeten denken aan de verloren zoon en met hulp van de
Heer met een rouwmoedig hart weer naar God onze Vader teruggaan. Die dag zal er
in de hemel een groot feest zijn, en ook in onze ziel. En als we onze
dagelijkse zwakheden betreuren, zal er in onze ziel een serene vreugde groeien.
Laten we nooit vergeten blijdschap en optimisme te koesteren
en ons te ontdoen van droefheid die onvruchtbaar is en de ziel overlevert aan
onnodige bekoringen. Wie blij is, is een stimulans voor anderen; droefheid
daarentegen belast de omgeving en berokkent schade.
2.3 Blijmoedig zijn is een manier om God te
bedanken voor de ontelbare gaven die Hij ons schenkt. Blijdschap is «het eerste
dat wij Hem verschuldigd zijn, de eenvoudigste en meest oprechte manier om te
tonen dat we ons bewust zijn van de gaven van de natuur en van de genade, en
dat we daarvoor dankbaar zijn».11 God, onze Vader, is tevreden over ons, wanneer Hij ons
gelukkig en blijmoedig ziet, verheugd als alles goed gaat.
Met onze vreugde doen we veel goed aan onze omgeving, want
deze blijdschap voert anderen naar God. Het verspreiden van vreugde zal heel
vaak de beste uiting van naastenliefde zijn voor de mensen met wie wij samen
zijn. Houden we de blik gericht op de eerste christenen. Hun levensstijl was
aantrekkelijk door de vrede en de blijdschap waarmee ze de gewone werkzaamheden
van alledag verrichtten. «Het waren allemaal gezinnen die uit de kracht van
Christus leefden en Hem aan anderen bekendmaakten: kleine christelijke
gemeenschappen die de boodschap van het evangelie verspreidden. Het waren
gezinnen zoals zoveel andere in die tijd, maar bezield door een nieuwe geest
die allen die met hen in contact kwamen, inspireerde. Zó waren de eerste
christenen en zó zouden ook de christenen van vandaag moeten zijn: zaaiers van
vrede en blijdschap, van de vrede en vreugde die Jezus ons gebracht heeft.»12
Heel veel mensen kunnen God weer opnieuw ontdekken in ons
optimisme, in een glimlach uit gewoonte, in onze hartelijke houding. Dit blijk
van naastenliefde -het ons ertoe zetten op elk moment een boze bui of droefheid
samen met de oorzaak ervan uit te bannen- moet vooral aan de dag gelegd worden
bij de mensen met wie wij ten nauwste verbonden zijn. God wil, dat het huis
waar wij in wonen, een bron van vreugde is. Geen donkere, trieste plek, vol
spanningen door misverstanden en egoïsme.
Een woning van gelovigen kan alleen maar een blij huis zijn,
omdat het bovennatuurlijk leven ons brengt tot het beoefenen van die deugden
-edelmoedigheid, hartelijkheid, dienstbaarheid...- waar blijdschap zo nauw mee
samengaat. Zo'n huis bewerkt Christus onder gezinnen, families en maatschappij
op een aanstekelijke manier.
Die serene en liefderijke vreugde moeten we ook een plaats
geven in onze werksituatie, op straat, in onze sociale contacten. De wereld is
triest en onrustig. Zij heeft vooral gaudium cum pace13, vreugde gepaard
aan vrede, nodig. De vrede en de blijdschap die de Heer ons gebracht heeft.
Hoeveel mensen hebben niet de weg, die naar God voert, gevonden in het
vriendelijke gedrag, in de glimlach van een katholiek. Blijdschap is een enorme
hulp in het apostolaat, omdat zij ons ertoe brengt de boodschap op een aantrekkelijke
en positieve manier uit te dragen, zoals de apostelen na de verrijzenis gedaan
hebben. Wij hebben dat zelf ook nodig voor ons eigen innerlijk leven. De
heilige Thomas zegt: «Alles wat vooruitgang moet boeken in het geestelijk
leven, vergt het bezit van blijdschap».14 Droefheid doet onze krachten wegvloeien. Het is
als klei die aan laarzen kleeft van iemand die loopt, niet alleen wordt alles
vuil, maar het belemmert het lopen.
Die innerlijke vreugde is ook de geestestoestand die nodig is
voor het op volmaakte wijze vervullen van onze plichten. En «naarmate ze groter
zijn, zal ook onze vreugde groter moeten zijn».15 Wanneer onze verantwoordelijkheid
groter is -priesters, ouders, chefs, docenten... - moeten we ook over meer vrede
en blijdschap beschikken om die aan anderen te geven. Dan is het ook dringender
de blijdschap te herstellen als die verstoord zou zijn.
Denken we aan de blijdschap van de heilige Maria. Zij staat
«zonder enig voorbehoud open voor de vreugde van de verrijzenis [...]. Zij vat in
zich alle vreugden samen, zij beleeft de volmaakte blijdschap die aan de Kerk
beloofd is: Mater plena sanctae laetitiae, Moeder vol van heilige
blijdschap. Haar kinderen op aarde hebben er alle reden toe hun ogen te richten
op de moeder van de hoop en moeder van de genade, en haar aan te roepen als de
oorzaak van hun blijdschap: Causa nostrae laetitiae.»16
-1. Introïtus van de Mis van vandaag. -2. Ef
2,5 en 6. -3. H. Augustinus, Sermo
252. -4. Vgl. Joh 16,22. -5. Mt 28,8-9. -6. Ps
100(99),2. -7. H. Jozefmaria Escrivá,
De Voor, 72. -8. Joh 16,22. -9. Vgl. Hnd 5,41. -10. Vgl. Santos
Evangelios (Pamplona 1983), Inleiding op het evangelie van Johannes, bl.
1125-1126. -11. P.A. Reggio, Vergeet
de vreugde niet. -12. H. Jozefmaria
Escrivá, Als Christus nu langs komt, 30. -13. Katholiek
gebedenboek, Verwoording van de intentie, bl. 743. -14. H. Thomas van Aquino, Commentaar over de brief aan de Filippenzen, 4,1. -15. P.A.
Reggio, o.c. -16. Paulus vi,
Apost. exhort. Gaudete in Domino, 9 mei 1975, 4.
|