Achttiende week. Maandag
31. Christelijk Optimisme
-Realistisch zijn is altijd rekenen op de genade van God.
-Het optimisme van een christen is het gevolg van geloof. -Ons optimisme is
geworteld in de gemeenschap van de heiligen.
31.1 Een grote menigte volgt Jezus naar de woestijn.1
Zij volgen Hem zonder te letten op afstand, hitte of kou, omdat hun noden groot
zijn en zij aanvoelen dat zij welkom zijn. Zij luisteren zó aandachtig naar die
woorden die aan hun leven betekenis geven, dat zij zelfs de noodzakelijkste
dingen vergeten: zij hebben geen voedsel meegebracht en er is geen gelegenheid
om het te kopen. Dit probleem schijnt noch hun noch Jezus te deren. Maar als de
leerlingen de situatie bemerken gaan zij naar de Meester en zeggen: Deze plek is eenzaam en het is
al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen. Dit is voor iedereen duidelijk. Maar Jezus kent een hogere
werkelijkheid, met mogelijkheden die zelfs zijn intiemste leerlingen niet
kennen. En dus antwoordt Hij hun: Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft gij hun maar te
eten. De leerlingen, die zich scherp bewust zijn
van hun gebrek aan voorraden, antwoorden: Wij hebben hier maar vijf broden en twee vissen.
De leerlingen zien de 'objectieve' werkelijkheid. Zij 'weten'
dat deze kleine hoeveelheid voedsel niet voldoende zal zijn voor die menigte.
Dit is wat ons kan overkomen als we de inventaris opmaken van onze eigen
krachten en mogelijkheden. De moeilijkheden kunnen te groot voor onze krachten
lijken. 'Objectiviteit' kan ons ontmoedigen en tot pessimisme leiden. Het kan
ons ertoe brengen het radicale optimisme te vergeten dat essentieel onderdeel
is van de christelijke roeping. Zoals wijdverbreide wijsheid het zegt: Hij weet niet hoe hij moet optellen omdat hij de belangrijkste factor achterwege laat. De apostelen maakten een zeer nauwkeurige optelling van hun hulpbronnen. Zij
telden het precieze aantal beschikbare broden en vissen. Maar zij vergaten te
bedenken dat Jezus aan hun kant stond. En dit feit verandert de situatie
totaal. De 'echte' werkelijkheid is iets anders als de 'objectieve'
werkelijkheid. «Het is goed -en zelfs plicht- dat je in je apostolaat rekening
houdt met je aardse mogelijkheden: 2 + 2 = 4. Maar vergeet nooit, dat je tot je
geluk bovendien nog met een andere factor rekening moet houden: God + 2 + 2...»2 Deze werkelijkheid verwaarlozen is de situatie
verkeerd inschatten. Om bovennatuurlijk realistisch te zijn, moeten wij op de
genade van God, dat een onontkoombaar feit is, rekenen.
Christelijk optimisme is geworteld in God die tegen ons zegt:
Ik ben met u alle dagen
tot aan de voleinding der wereld.3
Met Hem kunnen we alles doen. Wij zegevieren, zelfs wanneer wij zijn verslagen.
Dit is het optimisme dat zo karakteristiek is voor de heiligen. De heilige
Theresia van Ávila herhaalde vaak, met haar goede luim en bovennatuurlijke
geest: «Theresia kan niets alleen doen. Theresia en een stuiver, minder dan
niets. Maar Theresia, een stuiver en God kunnen alles.»4
Het is met ons hetzelfde. «Gooi die wanhoop, die uit de kennis van je
nietswaardigheid voortkomt, van je af. Het is waar: economisch gezien ben je
een nul; naar je maatschappelijk aanzien gemeten ben je ook een nul; hetzelfde
geldt voor je deugden en capaciteiten. Maar links van al die nullen staat
Christus. En wat een onmeetbaar groot getal blijkt het te worden!»5 Hoe kan deze gewaarwording ons totale uitzicht
veranderen als wij ons in moeilijke situaties bevinden!
31.2 Christelijk optimisme is een gevolg van geloof, niet van
omstandigheden. De christen weet dat de Heer het beste met hem voor heeft. De
Heer weet hoe vruchten te verkrijgen van zelfs een openlijke mislukking.
Tegelijkertijd vraagt Hij ons alle menselijke middelen die ons ter beschikking
staan te gebruiken, geen steen ongekeerd te laten. Wij moeten rekenen op de
vijf broden en de twee vissen. Op zichzelf zullen ze niet veel te eten geven
voor zoveel hongerige mensen op het einde van een lange dag, maar niettemin spelen
zij een onmisbare rol in de uitvoering van het wonder. De Heer zorgt ervoor dat
mislukkingen in het apostolaat -iemand reageert niet, iemand keert ons de rug
toe enz.- dienen om ons te heiligen: niets zal verloren gaan. Wat nooit enige
vrucht kan geven is het niets doen, zich verontschuldigen, toegeeflijk zijn in
een vijandige omgeving.
De Heer wil dat wij een goed gebruik maken van onze broden en
vissen, terwijl wij met zuivere bedoeling ons vertrouwen in Hem stellen. Soms
zal het resultaat onmiddellijk komen, soms niet, maar altijd op de manier en op
het ogenblik die de Heer wil. Eén ding staat buiten twijfel: vruchten zullen er
altijd komen. Wij moeten ons ervan overtuigen dat wij niets zijn, en dat wij
niets kunnen zonder Jezus aan onze kant. 6
Dit optimisme wordt sterker in het gebed. «Het christelijk
optimisme is geen naïef optimisme en evenmin een menselijk vertrouwen dat alles
wel goed zal komen. Het is een optimisme, dat zijn wortels heeft in het besef
van de vrijheid en in de zekerheid van de macht van de genade; een optimisme,
dat ons ertoe brengt veeleisend te zijn tegenover onszelf en ervoor te zorgen
op elk moment te beantwoorden aan de oproepen van God.»7
Het is niet de houding van de egoïst die alleen zijn eigen rust zoekt, die zijn
ogen voor de werkelijkheid sluit en zegt: 'Alles zal ten slotte op zijn pootjes
terecht komen'. Hij gebruikt dat als een excuus om niet lastig gevallen te
worden. Hij ontkent het kwaad om zorgen en verantwoordelijkheid te vermijden.
Maar het radicale optimisme van wie Christus van nabij volgt, belet een juiste
inschatting van de werkelijkheid niet. Integendeel; de christen kan de hele
waarheid onder ogen zien zonder erdoor ontmoedigd te raken. De christen weet
dat zijn Vader God hem nooit zal verlaten. Hij gelooft dat overvloedige
vruchten zal worden geoogst in die akker -die omstandigheden, die vrienden- waarvan
het leek dat er alleen onkruid kon groeien. De christen heeft vertrouwen dat
«de goede werken nooit vernietigd zullen worden, en dat de graankorrel moet
sterven onder de grond om vrucht voort te brengen. De christen weet dat het
offer nooit tevergeefs is.»8
31.3 Ronald Knox wijst erop dat Jezus zijn wonder niet zomaar voor iedereen
deed, maar eerder voor mensen die Hem al dagen lang hadden gevolgd, mensen die
serieus naar Hem hadden gezocht.9 De menigte is
een voorafbeelding van de Kerk. Die vijfduizend, gezeten op de heuvelrug, waren
verenigd als volgelingen van Christus. Zij voedden zich met hetzelfde brood, de
voorafschaduwing van de heilige eucharistie, die uit de handen van Christus
kwam. «Hoe natuurlijk dient een gemeenschappelijke maaltijd als teken van
broederlijkheid; hoe gemakkelijk kan een samengeraapte groep gasten niet met
elkaar overweg als je ze mee uit neemt op een picknick in de open lucht! We
kunnen ons inbeelden wat later zou gebeuren, als twee van die vijfduizend per
toeval elkaar ontmoeten: 'Ja, herinner je je niet, ik zat ongeveer zeven of
acht plaatsen van je vandaan, en Petrus -of Johannes, of Jakob, of Judas- kwam
rond met de korst brood die er uitzag of het nooit voor meer dan twee mensen
genoeg zou zijn; wij beiden, zo scheen het, waren tot hongeren veroordeeld,
nietwaar? En toen hij op het einde van de rij was, was de broodkorst er nog
steeds'.»10
Wij kunnen ook aan eenzelfde tafel, aan eenzelfde feestmaal
aanzitten. Wij kunnen het Brood, waarin Christus tot ons komt, en dat zonder
ophouden wordt vermenigvuldigd, ontvangen. Diegenen die Christus volgen worden
door een zeer sterke band verenigd. «Herken in jezelf een lidmaat, een tak van
Christus -het lichaam, de wijnstok- levend, geënt en vast gegroeid, gevoed door
zijn kracht en genade.»11 De gemeenschap van de
heiligen leert ons dat wij allen één Lichaam in Christus vormen en dat wij
elkaar op een heel doeltreffende manier kunnen helpen. Ergens, juist op dit ogenblik,
bidt iemand voor ons, helpt iemand ons met geheiligd werk, met gebed, met
opgedragen lijden. Wij zijn nooit alleen.
De gemeenschap van de heiligen dient als voortdurende
brandstof voor ons optimisme, omdat wij altijd kunnen rekenen op de geheimvolle
maar zeer wezenlijke hulp van diegenen die deel hebben aan hetzelfde Brood.
Allen
aten tot zij verzadigd waren en aan overgebleven brokken haalde men nog twaalf
volle korven op. Het waren ongeveer vijfduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen
en kinderen niet meegerekend. Wij worden door de edelmoedigheid
van Christus ertoe gebracht om met vertrouwen een beroep op Hem te doen. Ook
wij hebben veel dagen met Hem doorgebracht. «Vraag het Hem onbevreesd, dring
aan. Neem je toevlucht tot het voorval van de broodvermenigvuldiging dat ons in
het evangelie overgeleverd wordt. -Zie met hoeveel ruimhartigheid Hij de
apostelen antwoordt: Hoeveel broden heb je, vijf... Wat wil je, dat Ik doe...
En Hij geeft er zes, tien, duizend... Waarom? -Omdat Christus met goddelijke
wijsheid onze behoeften ziet, en met zijn almacht onze verlangens ruimschoots
kan en zal vervullen. De blik van de Heer reikt ver over onze armoedige logica
heen en Hij is grenzeloos edelmoedig.»12
Hij zal weer opnieuw wonderen verrichten zo gauw wij het
weinige dat wij hebben ter beschikking van Hem stellen. Hij denkt in termen die
onze armzalige menselijke berekeningen ver overtreffen. Wat een schande als wij
ooit die vijf broden en twee vissen niet zouden opgeven waarmee de Heer gemakkelijk
wonderen zou verrichten!
-1. Vgl. Mt 14,13-21. -2. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 471. -3.
Vgl. Mt
28,28. -4. A. Ruiz, Anécdotas teresianas, Burgos, 1982.
-5. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 473. -6. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I-II, q68, a2, ad 3. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 659. -8. G.
Chevrot, Le
puits de Sychar. -9. Vgl. R.A. Knox, A Retreat for Priests. -10. Ibidem. -11. B. Baur, Still mit Gott. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 341.
|