Derde week. Maandag
16. CHRISTELIJKE NATUURLIJKHEID
-Duidelijk christen zijn in alle omstandigheden van het
leven. -Apostolaat in moeilijke omstandigheden. -Zuiverheid van bedoeling.
16.1 De berechting van Stefanus ontketende een
grote vervolging tegen de Kerk. In de lezing van vandaag wordt het verhaal
verteld van zijn apostolaat en zijn marteldood.1 Stefanus, vol genade en kracht, deed
grote wondertekenen onder het volk. Dezelfde middelen, bijna dezelfde
woorden als tegen Jezus werden aangewend, werden tegen hem gebruikt. Wij
hebben hem horen zeggen, dat die Nazoreeër Jezus deze plaats zal afbreken en de
voorschriften veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd.
Stefanus verkondigde dapper zijn geloof in de verrezen Jezus.
En zelfs als onze Heer niet om ons leven vraagt, zoals Hij het Stefanus vroeg,
is hij een voorbeeld voor ons van een duidelijk christelijk leven; natuurlijk
en openhartig geleefd, niet afgeschrikt door valse schandalen of door wat de
mensen zouden kunnen zeggen. We kunnen verwachten, dat mensen ons soms op een
verwrongen manier zullen beoordelen, omdat zij het wezen van een christelijke
manier van handelen of de liefdevolle eisen van de leer van Christus niet
voldoende begrijpen. We zouden dan onze Heer en zijn trouwe volgelingen moeten
nadoen, door met kalmte te handelen en een christelijk leven te leiden met al
zijn gevolgen, zelfs als het betekende ons leven voor Hem te geven.
Ongetwijfeld zou het gemakkelijker zijn ons aan te passen aan heidense
omstandigheden en levensstijlen. Maar als we dat deden, konden wij niet
volhouden trouwe volgelingen te zijn van Jezus. Zulke omstandigheden, waarin
wij vastheid van karakter nodig hebben en sterkte in het geloof, kunnen overal
opduiken: op de universiteit, op het werk, of op de plaats waar we met het
gezin op vakantie gaan.
«Bij hun publieke activiteiten moeten de katholieken zijn
bezield door de maatstaven en de doeleinden van het evangelie, die de Kerk
beleeft en uitlegt. Gewettigde verscheidenheid van mening in tijdelijke zaken
behoort geen afbreuk te doen aan de noodzakelijke overeenstemming van
katholieken in de verdediging en de bevordering van levenswaarden en projecten
ontleend aan de moraal van het evangelie.»2 Katholieken moeten elke angst verwerpen
om ergernis te veroorzaken als, wegens leven als trouwe leerlingen van onze
Heer, hun gedrag verkeerd wordt uitgelegd of ondubbelzinnig wordt afgewezen.
Iemand die zijn christen zijn zou verbergen te midden van een omgeving met
heidense gewoonten, zou toegeven aan menselijk opzicht, en zou er goed aan doen
zich die woorden van Jezus te herinneren: Ieder die Mij zal verloochenen
tegenover de mensen, hem zal Ik ook verloochenen tegenover mijn Vader die in de
hemel is.3
«Weet je -vraagt de pastoor van Ars- wat de eerste bekoring
is die de duivel aan iemand aanbiedt, die er mee begonnen is God beter te
dienen? Het is menselijk opzicht.»4 Hoe is ons gedrag wanneer
wij met onze vrienden zijn, op het werk, op een bijeenkomst? Laten wij voor
onze positie als zonen en dochters van God met eenvoud en durf uitkomen?
16.2 Soms laten wij ons verleiden om zonder enige
warmte te spreken over de echte waarheden van het leven, of anders om er
helemaal niet over te spreken. Er is de tendens om iemand die met enthousiasme
spreekt over een nobele zaak -zoals het recht op leven vanaf het moment van
ontvangenis, de vrijheid van opvoeding- te beschrijven als een fanatiekeling.
Of anders is er de neiging iemand te brandmerken met bepaalde bijnamen als hij
of zij diepgaande overtuigingen heeft over de zin van het leven en die in
praktijk probeert te brengen.
Zonder ons te buiten te gaan -wat vreemd zou zijn aan het
liefdevolle voorbeeld dat Jezus ons heeft nagelaten- moeten wij proberen te
leven met diepe en vastberaden christelijke overtuigingen. Wij zijn ons er
bijvoorbeeld goed van bewust, dat onverschilligheid ten aanzien van de
wonderwerken van God een groot kwaad is, het gevolg van lauwheid of een dood of
slapend geloof, onafhankelijk aan hoe erg mensen hun onverschilligheid ook
trachten te vermommen als 'onpartijdigheid'.
Door het doopsel krijgen wij
de genade die verlost en die zin geeft aan onze aardse pelgrimstocht. In het
bezit van zo'n grote weldaad is een christen van nature opgewekt en
optimistisch, en tracht hij zijn geluk aan de mensen rondom hem mede te delen
door een onafgebroken apostolaat.
Jezus deed altijd goed. Ik vraag u, zei Hij eens tegen
enkele wetgeleerden en farizeeën die hem bespioneerden, is het juist om goed
te doen of kwaad? waarna Hij de man met de verschrompelde hand genas. Wij moeten
overal goed doen, de vreugde van Christus in elke omgeving kenbaar maken. We
voelen de behoefte zielen te winnen voor de Waarheid, voor de Liefde, voor
Christus.
«Dit wordt, in de juiste
betekenis van het woord, 'proselitisme' genoemd. Manipulatie met het woord
'proselitisme' sticht verwarring. Dit woord is door sommige mensen zwart
gemaakt door te veronderstellen, dat het gaat om het behartigen van eigenbelang
met gebruikmaking van oneerbare praktijken om degenen, op wie het is gericht,
te verlokken, te dwingen of te verstrikken door misbruik te maken van hun
onwetendheid, hun materiële armoede of hun emotionele eenzaamheid. Zo'n houding
moet worden veroordeeld. Maar dat betekent niet dat wij christenen daarom
apostolische vruchtbaarheid moeten afzweren, de openhartige broederlijkheid van
oprecht proselitisme.»5
Onze zekerheid over de waarheden van ons geloof -alleen
iemand die overtuigd is, is in staat anderen te overtuigen- en de liefde van
Christus brengt ons ertoe op een vruchtbare manier mede te delen wat wij zelf
hebben ontdekt: dit is waarachtig proselitisme. En zo mogen we altijd te werk
gaan.
16.3 De plaats, waar we onze heiliging zoeken, is
in ons werk, in onze betrekkingen met de mensen die dezelfde werkzaamheden met
ons delen, in onze maatschappelijke contacten en in onze gezinnen.
Wanneer wij hindernissen tegenkomen, gebrek aan begrip of
onrechtvaardige kritiek, zullen we onze Heer zijn genade vragen om kalm te
blijven, en, normaal gezien, zullen wij niet stoppen met apostolaat uit te oefenen.
Onze Heer ontmoette niet altijd mensen met oprechte bedoelingen, toen hij het
Goede Nieuws verbreidde. Dit verhinderde Hem nooit om te praten over de
wonderwerken van het Koninkrijk van God. De apostelen bij het begin van de
Kerk, en ook de eerste christenen, bevonden zich in een omgeving die de leer
van de verlossing, die zij in hun hart droegen, volledig verwierp. Maar zij
slaagden er toch in de klassieke wereld te bekeren.
«Ik begrijp je willoosheid niet. Als je in aanraking komt met
een groepje mensen dat een beetje lastig is -misschien wel zo geworden door
jouw nalatigheid-, ga je ze uit de weg, gooi je het bijltje erbij neer en denk
je dat ze ballast zijn, een hinderpaal voor je apostolische dromen, dat ze je
toch niet zullen begrijpen... Hoe wil je dat ze naar je luisteren als je niet,
naast je genegenheid en je dienstbaarheid in gebed en versterving, tot ze
spreekt?...»6
Anderzijds is er niet zoiets
als een onveranderlijke of blijvende toestand. Met de tijd zal iemand, die
eervol handelt en werkt met een oprechte bedoeling en zonder persoonlijk
voordeel te zoeken, altijd in het juiste licht gezien worden.
Alleen degenen met een
onvast karakter en een oppervlakkige vorming, en zonder duidelijke maatstaven
om hen te leiden, laten zich beïnvloeden door wat de mensen zeggen. Dikwijls
wordt zo'n houding, die menselijk gesproken zelfs onaantrekkelijk is,
ondersteund door de wens om niet in moeilijkheden te geraken, of bijvoorbeeld
zijn baan in gevaar te brengen, of het verlangen om op geen enkele wijze anders
te zijn als de anderen.
Wij lezen in de tussenzang: Al
spannen ook vorsten tegen mij samen, uw dienaar geeft acht op wat Gij beschikt.
Ik neem uw verordening ter harte, zij geven mij goede raad.7
Om een einde te maken aan de
ongerustheid over wat de mensen zullen zeggen, moeten wij een zuivere bedoeling
hebben en meer bezorgd zijn over de mening van God dan de mening van wie ook.
Wij hebben ook de kracht nodig om kleinzielige kritiek op een opgewekte en
onverstoorbare manier te negeren; om bereid te zijn de schat bekend te maken
die elke leerling van de Heer heeft gevonden. We moeten ook een goed voorbeeld
geven; dat is eenvoudigweg leven in overeenstemming met de genade die onze Heer
in onze harten heeft gelegd. Dat is iets dat ons nooit zal berouwen. Zelfs in
de meest moeilijke omgeving kunnen wij zielen winnen voor Christus, als wij
werkelijk die vrienden, collega's en kennissen van ons gelukkig willen maken.
«Voordat wij heiligen willen maken van al die mensen die wij liefhebben, moeten
we hen gelukkig maken en vol vreugde. Niets bereidt een ziel beter voor op de
genade dan de vreugde.
»Je weet al dat, als je de harten van degenen, die je beter
wenst te maken, in je handen houdt, je reeds halfweg je apostolisch pad bent
gegaan, als je in staat bent hen door de zachtheid van Christus te boeien. Als
zij van je houden en je vertrouwen, als zij tevreden zijn, is de grond klaar om
te zaaien. Want hun harten staan open als vruchtbare grond, klaar om het blanke
graan van je woord als een apostel of opvoeder te ontvangen.
»Als je weet hoe te spreken zonder te kwetsen, alhoewel je
misschien moet corrigeren of berispen, zullen de harten zich niet voor je
sluiten. Het zaad zal op werkelijk vruchtbare grond vallen en de oogst zal
overvloedig zijn. Als de zaken anders lagen, zouden je woorden geen open hart
vinden, maar een stenen muur. Je zaad zou niet op vruchtbare grond vallen maar
'aan de kant van de weg' van onverschilligheid of wantrouwen, of 'op de
rotsgrond' van een ziel die slecht gezind is, of 'tussen de distels' van een
gewond en verontwaardigd hart.
»Wij mogen nooit vergeten dat onze Heer het welslagen beloofd
heeft aan vriendelijke gezichten, hartelijkheid, goede manieren, en duidelijke,
overtuigende woorden, die richting en onderricht geven zonder te kwetsen. We
moeten nooit vergeten dat wij mensen zijn die omgaan met andere mensen, zelfs
als wij hun zieleheil willen. Wij zijn geen engelen. En daarom scheppen ons
uiterlijk voorkomen, onze glimlach, onze manieren een klimaat dat de doeltreffendheid
van ons apostolaat beïnvloedt.»8
Door de heilige Maagd vinden we de benodigde kracht, zoals de
apostelen die vonden, om over God te spreken zonder ons zorgen te maken over
wat de mensen zouden kunnen zeggen. «Als de Meester, wanneer Hij opstijgt naar
de rechterhand van de Vader, hun heeft gezegd: 'Gaat en onderwijst alle
volken', blijven de leerlingen in vrede achter. Maar zij hebben nog twijfels:
ze weten niet wat zij moeten doen en verenigen zich met Maria, Koningin der
apostelen, om vurige predikers te worden van de Waarheid, die de wereld zal
redden.»9
-1. Vgl. Hnd 6,8-15. -2. Spaanse bisschoppenconferentie, Getuigen van de levende
God, 28 juni 1985. -3. Mt 10,32. -4. H. Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over de bekoringen.
-5. C. López Pardo, in Palabra,
n. 245. -6. H. Jozefmaria Escrivá,
De Voor, 954. -7. Ps 119,23-24. -8. S. Canals, Ascética meditada. -9. H. Jozefmaria Escrivá, o.c.,
232.
|