Eenendertigste week. Dinsdag
23. Christelijke solidariteit
-Ledematen van eenzelfde Lichaam. -Eendracht
in de liefde. -Eendracht in het geloof. Apostolaat.
23.1 De Heer heeft ons met zich willen
verenigen door de meest krachtige banden, door banden zo nauw als die welke de
ledematen van een levend lichaam bijeenhouden. De heilige Paulus leert ons in
een van de lezingen van de heilige Mis1, dat wij allen tezamen in Christus één lichaam vormen en
wij, ieder afzonderlijk, evenals de ledematen van het lichaam, op elkaar zijn
aangewezen. Iedere christen is, met behoud van zijn
eigen leven, opgenomen in de Kerk door zeer intieme, vitale banden. Het
Mystieke Lichaam van Christus, de Kerk, is een oneindig veel meer bewerkt en compact
iets dan een moreel lichaam, iets veel hechters dan welke mensengroep ook. Het
leven zelf, het leven van Christus, stroomt door heel het lichaam, en wij zijn
ten zeerste van elkaar afhankelijk. De geringste pijn tast het hele wezen aan,
en heel het lichaam werkt aan het herstel van elke wonde. «Wij vinden in de
woorden van Paulus de getrouwe weerklank van het onderricht van Jezus zelf, die
de geheimvolle eenheid van zijn leerlingen met Hem en met elkaar heeft
geopenbaard en haar voorgesteld heeft als beeld en verlenging van de
geheimvolle gemeenschap die de Vader verbindt met de Zoon en de Zoon met de
Vader in de liefdesband van de Heilige Geest (vgl. Joh 17,21). Het is dezelfde
eenheid als die waarover Jezus spreekt met het beeld van de wijnstok en de ranken:
Ik ben de wijnstok, gij de ranken (Joh 15,5). Dit beeld werpt licht niet alleen op de diepe
verbondenheid van de leerlingen met Jezus, maar ook op de vitale gemeenschap
van de leerlingen onderling: allen zijn ranken van de enige wijnstok.»2
Iedere trouwe christen verrijkt door zijn goede
werken, door zijn ijver om dichter bij de Heer te zijn, geheel de Kerk, terwijl
hij tegelijkertijd de gemeenschappelijke rijkdom tot de zijne maakt. «Dat is de
gemeenschap van de heiligen welke wij in het Credo belijden; het welzijn van allen wordt het
welzijn van ieder en het welzijn van ieder wordt het welzijn van allen.»3
Op geheimvolle, maar werkelijke wijze dragen
wij door onze persoonlijke heiliging bij aan het bovennatuurlijke leven van
alle leden van de Kerk. Het vervullen van de dagelijkse plicht, ziekte, gebed...
zijn een voortdurende bron van verdiensten voor onze broeders. «Als gij voor
allen bidt, zal ook het gebed van allen u heil brengen, want gij vormt een deel
van het geheel. Op die manier zult ge groot profijt verkrijgen, want het gebed
van ieder lid van het volk wordt verrijkt door het gebed van de anderen.»4 Is de overweging van deze waarheid voor ons een
aansporing om de dag van vandaag beter te beleven, met meer liefde, met meer
overgave?
23.2 Ieder van ons moet zich persoonlijk
verantwoordelijk voelen om -door onze ijver zelf beter te worden, door de
beoefening van de deugden- nieuw levenssap te geven aan de leden van het
Mystieke Lichaam van Christus en aan de gehele mensheid. Elke dag «onderhoudt
ieder de ander en de ander onderhoudt hem.»5
Daarom is niet helemaal correct «die manier van redeneren waarbij onderscheid
gemaakt wordt tussen persoonlijke deugden en sociale deugden. Geen enkele deugd
kan in overeenstemming gebracht worden met egoïsme. Elke deugd moet
noodzakelijkerwijs een uitwerking hebben in onze eigen ziel en in de zielen om
ons heen [...]. Solidariteit is een doel voor ons allemaal en in de orde van de
genade zijn wij vereend door de bovennatuurlijke banden van de Gemeenschap der
Heiligen.»6
Nadat de heilige Paulus de verschillende
charismata heeft aangeduid, de bijzondere hulp die God verleent voor de dienst
aan de anderen, wijst hij op de grote gemeenschappelijke gave aan allen, de
liefde, waarmee wij elke dag zoveel goeds om ons heen kunnen zaaien: bemint elkaar hartelijk met broederlijke
genegenheid. Acht anderen hoger dan uzelf. Laat uw ijver niet verflauwen, weest
vurig van geest, dient de Heer. Laat de hoop u blij maken, houdt stand in de
verdrukking, volhardt in het gebed. Draagt bij voor de noden van de heiligen,
beoefent de gastvrijheid .
Wellicht denken we soms, dat we geen
uitzonderlijke gaven bezitten om de anderen te helpen, dat het ons aan de
middelen ontbreekt... Maar toch, de liefde, het delen in Christus' liefde voor
zijn broeders, ligt binnen het bereik van allen die de Meester volgen. Elke dag
geven en ontvangen wij veel. Ons leven is een voortdurende wisselwerking tussen
het menselijke en het bovennatuurlijke. Hoe welgevallig is het aan de Heer als
wij bij het zien van een gaatje in dat allerfijnste weefsel dat wij, de leden
van de Kerk, vormen, het met liefde, met zorg proberen te herstellen! Hoe
verheugt Hij zich als Hij ziet hoe wij de noden van de heiligen delen, tot de onze
maken! Er bestaat geen zwakheid of deugd van de eenling. Goed en kwaad hebben
een honderdvoudige uitwerking op de anderen. Wij zaaien een graankorrel in de
aarde en er ontkiemt een aar, goed of kwaad al naar gelang het zaad dat we
hebben uitgestrooid. Als wij met kracht naar Christus toe gaan, spoeden zich
onze vrienden. Als wij versagen, houden zij wellicht halt. «Al het goede en
heilige dat een individu onderneemt -zo leert de Romeinse Katechismus- komt
allen ten goede, en de liefde doet het voor hen tot heil strekken, omdat deze
deugd niet haar eigen voordeel zoekt.»7 Laten we
altijd blijven zaaien; ons leven is waarlijk een groot zaaiveld waarin niemand
verloren gaat. Ontelbaar zijn de kansen om het goede te doen, om mensen te
verrijken, om het Mystieke Lichaam van Christus te vermeerderen. Laten we die
gelegenheden niet voorbijgaan, laten we niet wachten op grote momenten die
wellicht nooit zullen komen.
23.3 Bij de schepping heeft God ons,
mensen, tot broeders van elkaar gemaakt, die elkaar nodig hebben in het gezin
en in het maatschappelijke leven. Deze wederzijdse aanvulling houdt Hij ook in
stand op het bovennatuurlijke plan. De allerheiligste Drieëenheid heeft de
mensen willen redden via mensen en het geloof willen verbreiden door middel van
mensen. Door het persoonlijk apostolaat van de christenen die zich in de wereld
bevinden, in de meest onderscheiden situaties (in het gezin, in de winkel, in
de bank, in het parlement...) «kan de uitstraling van het evangelie uitermate
capillair worden en zovele plaatsen en milieus bereiken als er verbonden zijn
aan het dagelijkse en concrete leven van de leken. Het betreft bovendien een
voortdurende uitstraling, want zij is onafscheidelijk van de voortdurende
samenhang van het persoonlijke leven met het geloof; zij presenteert zich ook
als een bijzonder scherp snijdende vorm van apostolaat, want door het volledig
delen van de levens- en werkomstandigheden, de moeilijkheden en de hoop van hun
broeders, kunnen de lekengelovigen het hart bereiken van hun buren, vrienden of
collega's en hun de volledige horizon openen, de volle betekenis van het
menselijk bestaan: de gemeenschap met God en de mensen.»8 Ieder lidmaat werkt voor het beter functioneren van
het hele lichaam, en het geloof van anderen aanwakkeren, of het tot nieuw leven
te brengen als het in de as smeult, is de grootste weldaad die wij kunnen
bewijzen. «Zo overkomt het me -schrijft de heilige Teresia- dat, als we in de
heiligenlevens lezen dat zij zielen bekeerden, ik veel meer devotie, tederheid
en begeerte krijg dan alle martelaren die lijden (want dat is de neiging die
God me heeft gegeven) en het lijkt me toe, dat Hij het meest een ziel acht die
wij door onze ijver en gebed voor Hem winnen door middel van zijn erbarming,
dan alle diensten die we Hem kunnen verlenen.»9
Als wij door voorbeeld en woord anderen tot
Christus brengen, zullen we niet onverschillig blijven voor hun lichamelijke
noden: zoveel onwetendheid, zoveel ellende, zoveel eenzaamheid...! Het dagelijks
omgaan met de Heer zal ons hart telkens meer vervullen van medelijden en
edelmoedigheid om het vele of weinige dat we hebben te delen: talent, tijd,
materiële goederen, vreugde... Als wij die kwalen niet kunnen verhelpen, zullen
zij tenminste de warmte van onze vriendschap voelen, van onze ijver om hen te
helpen. Laten we zieken niet alleen, net zo min als gehandicapten, hen die een
last dragen die hun krachten te boven gaat... Wij moeten onze krachten verenigen
met andere christenen en mensen van goede wil omwille van het gemeenschappelijk
heil en daarbij partijdigheid vermijden die scheiding of botsingen veroorzaakt.
Aldus zullen wij de eerste christenen navolgen die door hun liefde en vaak met
hun schaarse materiële middelen om de ander te helpen, de heidense wereld
verstomd deden staan omdat zij het gebod van Christus tot werkelijkheid maakten:
Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet
elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar beminnen.
Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de
liefde onder elkaar bewaart.10 Liefde is vindingrijk en, indien nodig, vult zij de
schaarste aan tijd, aan financiële middelen, aan menselijke mogelijkheden aan.
-1. Eerste lezing (oneven jaren), Rom 12,5-16. -2. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Christifideles laici, 30 december 1988, 12. -3.
Ibidem, 28. -4.
H. Ambrosius, Tractaat over Kaïn en Abel, 1. -5. H. Gregorius de
Grote, Homilieën
over Ezechiël, 2,1,5. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 76. -7.
Romeinse Katechismus, I,10,23. -8. Johannes
Paulus ii, o.c, 28. -9. H. Teresia van Avila, Stichtingen, 1,7. -10. Joh 13,34-35.
|