Vijfde week. Dinsdag
35. Christus aanschouwen.
vroomheid
-De vijanden van de genade. De oplossing: Christus
aanschouwen. -Tegenwoordigheid van God te midden van de wereld. 'Menselijke
hulpmiddelen'.-Leven van vroomheid. Schietgebeden.
35.1 Wanneer Ik van
de aarde zal zijn omhoog geheven, zal Ik allen tot Mij trekken, zegt onze Heer.1
De eerste lezing van de Mis van vandaag verhaalt ons een
passage uit het boek Numeri2 dat beschrijft hoe het volk van Israël tegen God en tegen
Mozes begon te morren, daar zij, ofschoon zij bevrijd waren en uit
Egypte geleid, het reizen naar het beloofde land moe waren. Als straf zond
de Heer giftige slangen op het volk af; deze beten de Israëlieten en velen
van hen vonden de dood. Hun zonden belijdend keerde het volk zich dan naar
Mozes, en Mozes bemiddelde bij God opdat Hij hen van de giftige slangen zou
mogen bevrijden. De Heer zei tot hem: Maak zo'n giftige slang en zet die op
een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.
Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een
slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.
Deze passage uit het Oude Testament is zowel een
geschiedkundige vertelling als het voorbeeld en de afbeelding van wat later zou
gebeuren bij de komst van de Zoon van God. In zijn vertrouwelijke gesprek met
Nikodémus verwijst onze Heer rechtstreeks naar deze vertelling. En deze
Mensenzoon moet omhoog worden geheven, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat
eenieder die gelooft in Hem, eeuwig leven zal hebben.3 Christus op het
Kruis is de redding van het menselijke geslacht, het geneesmiddel voor al onze
ellende. Hij ging vrijwillig naar Golgotha,
opdat eenieder die gelooft in Hem, eeuwig leven zal hebben, zodat
Hij alle mensen tot zich zou kunnen trekken.
Het doet er niet toe in welk tijdperk zij Gods volk aanvallen
als het naar het beloofde land van de hemel trekt; de slangen en het vergif
zijn vrijwel dezelfde: zelfzucht, zinnelijkheid, leerstellige fouten en
verwarring, luiheid, afgunst, laster, roddel... De genade die wij door het
doopsel ontvangen, en die bedoeld is om tot volle ontwikkeling te komen, wordt
door dezelfde vijanden bedreigd als altijd. In alle tijdperken kunnen wij de
wonden van de eerste zonde en van onze persoonlijke zonden bespeuren.
Het geneesmiddel en het tegengif moeten wij, christenen,
zoeken -zoals de Israëlieten die door de slangen in de woestijn waren gebeten
dat met Gods bronzen slang deden- op de enige plaats waar het kan worden
gevonden: in Jezus Christus en in zijn reddende leer. Wij moeten niet ophouden
Hem te overwegen, op het Kruis omhoog geheven boven de aarde, als wij werkelijk
het beloofde land verlangen te bereiken dat op het einde van deze korte reis
naderbij komt. Dat is alles wat dit leven werkelijk is. En daar wij onze
bestemming niet in ons eentje willen bereiken, zullen we ons inspannen om vele
anderen naar Jezus, in Wie de redding is, te doen kijken. Kijk naar Jezus. Stel
je zijn hoogst heilige Mensheid voor ogen, overweeg Hem in de geheimen van de
rozenkrans, in de kruisweg, in de voorvallen die de evangeliën voor ons
verhalen, of in het tabernakel. Slechts als wij een grote vroomheid hebben,
zullen wij sterk genoeg zijn tegen de kwellingen van een wereld die zichzelf
meer en meer van God schijnt te willen afscheiden, iedereen met zich meeslepend
die niet op vaste en stevige grond staat.
Wij kunnen onze blik niet van God afkeren, want we zien elke
dag de ravage die de vijand rondom ons aanricht. Op zichzelf is niemand
onaantastbaar. Vultum tuum, Domine, requiram: Uw aanschijn, Heer, wil
ik zoeken. Wend uw aangezicht niet van mij af.4 Wij moeten in kracht toenemen door ons
liefdevol en onophoudelijk spreken met Jezus, door gebed, door het onderhouden
van de tegenwoordigheid van God gedurende de gehele dag, en door bezoeken aan
het heilig Sacrament. Wij moeten ook onthouden dat onze Heer, Jezus, niet
alleen het geneesmiddel voor onze zwakte is: Hij is ook onze Liefde.
35.2 God wil dat de gewone christenen te midden
van de samenleving verkeren, dat zij toegewijd zijn aan hun bezigheden, aan dat
werk dat hen gewoonlijk van 's morgens tot 's avonds bezighoudt. Jezus
verwacht dat wij -op dezelfde wijze als wij de mensen van wie wij houden of de
dingen die wij voor ons van belang achten, niet vergeten tijdens ons werk-
steeds over Hem nadenken en met Hem spreken, en niet alleen op uitdrukkelijk
voor gebed gereserveerde tijdstippen. Daarom moet ieder van ons beseffen «dat
het absoluut noodzakelijk is, dat we een geest van gebed hebben, altijd, in
welke situatie dan ook, in de meest uiteenlopende omstandigheden, want God laat
ons nooit in de steek. Het is niet christelijk de vriendschap van God alleen te
zien als een uiterst redmiddel. Is het soms normaal, dat we mensen van wie we
houden, negeren en minachten? Zeker niet. Onze woorden, verlangens, gedachten
gaan voortdurend uit naar onze geliefden; het is net een blijvende
aanwezigheid. Zo moet het ook zijn met God.»5
Dikwijls zullen wij, om Jezus voor de geest te houden in de
loop van de dag, gebruik moeten maken van die 'menselijke hulpmiddelen':
schietgebeden, oefeningen van liefde en eerherstel, geestelijke communies,
'blikken' op een beeld van Onze Lieve Vrouw6 en sommige menselijke middelen om ons
eraan te herinneren dat er enige tijd verlopen is tijdens welke wij ons niet
tot de Heer, Onze Lieve Vrouw, onze engelbewaarder hebben gekeerd... Dit zijn
altijd eenvoudige, maar zeer doeltreffende dingen. Het overkomt ons allemaal
dat als wij ons iets gedurende de dag willen herinneren, wij een middeltje
vinden om zeker te zijn dat wij het niet vergeten. Als wij er hetzelfde belang
aan hechten om onze Heer niet te vergeten, zullen wij onze dag vol stoppen met
kleine geheugensteuntjes, ideetjes om Zijn tegenwoordigheid te ervaren.
Een vader of een moeder die van huis weg is, neemt een foto
van het gezin mee om het in gedachten te houden tijdens de reis. Hoe komt het
dat wij in onze portefeuille of handtas geen afbeelding van Onze Lieve Vrouw
meedragen, zodat als wij naar haar kijken, wij kunnen zeggen: Moeder! Mijn
Moeder! Waarom geen kruisbeeld bij de hand hebben dat ons zal helpen verzoening
aan te bieden, het discreet te kussen, ernaar te kijken wanneer wij onze studie
of ons werk meer dan gewoonlijk lastig vinden?
Die mogelijke geheugensteuntjes, hulpmiddelen om Gods
tegenwoordigheid te verkrijgen, zijn ontelbaar, omdat liefde vindingrijk is; ze
zullen anders zijn voor een dokter die op het punt staat een operatie te
beginnen dan voor een moeder die, wellicht op hetzelfde moment van de dag,
begonnen is het huis in orde te brengen. Eens in de hemel zal elk van ons zien
hoe dit een grote steun was voor het doen van ons werk, onze toevlucht genomen
te hebben tot onze engelbewaarder. Een buschauffeur zal zijn 'menselijke
hulpmiddelen' hebben (bij voorbeeld, hij zal zeer goed weten wanneer hij het
dichtst bij Jezus is omdat hij de muren van een kerk voorbijgaat) en de
naaister, die de gehele dag op dezelfde plaats verblijft, zal de hare hebben.
En dit allemaal gedaan met een nuchter en opgewekt gemoed, zonder onze
activiteiten te storen: «Schietgebeden hinderen het werk evenmin als het
kloppen van het hart de lichaamsbewegingen stoort.»7
Als wij volhouden, zullen wij beetje bij beetje het punt
bereiken waar in de tegenwoordigheid van God verblijven onze normale en
natuurlijke toestand is, ofschoon wij altijd een vastbesloten strijd zullen
moeten voeren om die te behouden.
35.3 Onze Heer trok
Zich vaak terug om te bidden, wellicht voor uren aan één stuk. Vroeg, nog
diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zich naar een eenzame
plaats, waar Hij bleef bidden.8 Op andere momenten wendde Hij zich tot zijn Vader
God met een kort liefhebbend gebed, een schietgebed: Ik prijs U, Vader, Heer
van hemel en aarde...9 Ik dank U, Vader, omdat Gij Mij verhoord hebt...10
Op een ander ogenblik laat de evangelist ons zien hoe Jezus
bewogen is door de verzoeken van hen die Hem benaderen. Dit zijn gebeden die we
ook kunnen gebruiken als schietgebeden: er is het gebed van de melaatse die
zegt: Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen...11, het gebed van de blinde
man uit Jericho, Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!12 en het gebed van
de goede moordenaar, Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in Uw Koninkrijk
gekomen zijt.13 Jezus
is getroffen door deze gebeden, vol als zij zijn van geloof, en Hij laat de
mensen niet wachten op een antwoord.
Soms kunnen wij die uitdrukkingen gebruiken als een manier om
vergiffenis te vragen, precies zoals de tollenaar dat deed, hij die
gerechtvaardigd naar huis terugging: God, wees mij, zondaar, genadig!14 Of ik kan
-niettegenstaande mijn mislukkingen- met de heilige Petrus na zijn
verloocheningen herhalen: Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U liefheb.15 Andere
bewoordingen zullen ons helpen om meer geloof te vragen: Ik geloof, kom mijn
ongeloof te hulp!16 Thomas
zegt: Mijn Heer en mijn God17, als Jezus aan hem na de Verrijzenis verschijnt; het is
een prachtige akte van geloof en overgave die ons wellicht werd geleerd na te
zeggen, als wij voor het tabernakel een kniebuiging maken. Er zijn vele
schietgebeden en korte gebeden die wij met heel ons hart en ziel kunnen zeggen,
en die aan de bijzondere noden en omstandigheden beantwoorden die ons allen
beroeren.
Vaak behoeven wij ze niet eens onder woorden te brengen. Een
blik soms, een enkel woord, een gedachte die niet wordt uitgesproken, maar vol
van liefde of verdriet is... een verzoek dat niet helemaal vorm aanneemt, maar
dat onze Heer direct vat. In een ziel, nauw verenigd met God, komen
schietgebeden en zulke akten van liefde natuurlijk op; haast spontaan, als een
bovennatuurlijke ademhaling die de eenheid van de ziel met God voedt. Dit
gebeurt te midden van de meest in beslag nemende bezigheden, omdat God van
iedereen verwacht deze eenheid van leven en gebed met Hem te beleven.
De heilige Theresia herinnert zich de indruk die een bepaald
schietgebed in haar leven maakte. «We waren diep verwonderd bij het lezen dat
zowel straf als verheerlijking altijd zouden voortduren. Soms spraken we lang
daarover. We vonden het fijn vaak te herhalen: voor altijd, altijd, altijd! God
gebruikte dit voortdurend herhalen om mij reeds in mijn kinderjaren de weg van
de waarheid in te prenten.»18
Er is altijd gelegenheid om
een schietgebed te zeggen. Onze lezing van de Heilige Schrift, onze meditatie,
zal vaak de bron zijn van schietgebeden waardoor wij aan onze liefde tot Jezus
en zijn zeer Heilige Moeder uitdrukking kunnen geven.
Als wij ons gebed beëindigen, zeggen wij Hem, zoals de
leerlingen van Emmaüs: Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag
loopt ten einde.19 Blijf
bij ons, Heer, want als Ge niet bij ons bent, valt rondom ons de nacht. Alles
is duisternis als Ge er niet bent. En wij keren ons tot Onze Lieve Vrouw, aan
wie wij ook weten hoe schietgebeden en akten van liefde te richten: Wees
gegroet, Maria... Gezegend zijt gij onder de vrouwen.
-1. Communio van de Mis, Joh 12,32. -2. Eerste
lezing, Num 21,4-9. -3. Joh 3,14-15 -4. Ps 27(26),8.
-5. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 247. -6. Idem, vgl. De
Weg, 272. -7. Idem, De
Voor, 516. -8. Mc 1,35. -9. Mt 11,25. -10. Ibidem.
-11. Mt 8,2-3. -12. Lc 18,38-39. -13. Lc 23,42-43. -14.
Vgl. Lc 18,13. -15. Joh 21,17. -16. Mc 9,23. -17. Joh
20,28. -18. H. Theresia van Avila, Het
boek van haar leven, I,4. -19. Lc 24,29.
|