Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Dertigste zondag door het jaar (B)

11. Christus doorkruist ons pad

-Zijn toevlucht nemen tot Jezus, telkens als wij in nood zijn. -De barmhartigheid van de Heer. Bartimeüs. -De messiaanse blijdschap.

11.1 God kruist ons levenspad en schenkt ons licht en blijdschap. De eerste lezing1 is een juichkreet om de redding van de rest van Israël, om de terugkeer naar het land van de vaderen na de ballingschap. Allen keren terug, gebrekkigen en zieken, blinden en lammen, die hun heil in de Heer vinden. Jubel van vreugde om Jakob, juich om de heerser der volken. Verkondig overal Gods lof met deze woorden: Jahwe heeft redding gebracht aan zijn volk, aan wat van Israël nog rest. Ik haal hen terug uit het noorden [...] ook de blinden en lammen [...]. In dichte drommen keren zij terug. Na zoveel lijden kondigt de profeet de zegeningen van God over zijn volk aan. Bedroefd gingen zij heen, getroost leid Ik hen terug. Ik voer hen naar stromende beken, over gebaande wegen waarop ze niet struikelen.

In Jezus gaan alle profetieën in vervulling. Hij ging weldoende over de wereld rond2; Hij deed goed zelfs aan wie Hem niets vroeg. In Hem werd de volheid openbaar van de goddelijke barmhartigheid jegens de meest behoeftigen. Geen enkele onvolkomenheid scheidde Christus van de mensen: Hij gaf blinden het gezichtsvermogen terug, genas melaatsen, deed kreupelen en lammen weer lopen, Hij voedde een hongerige menigte, dreef duivels uit... Hij ging naar degenen toe die het meest te lijden hadden naar ziel en naar lichaam. «Eigenlijk zouden wij naar Jezus moeten gaan; maar daar kwam een dubbele hindernis tussen. Onze ogen waren blind [...]. Wij lagen verlamd op onze draagbaar, niet in staat naar Gods grootheid toe te gaan. Daarom daalde onze beminnelijke Heiland en de Heelmeester van onze zielen vanuit de hoogte neder.»3

Wij, die zoveel ziektes hebben, «moeten een onwrikbaar geloof hebben in Wie ons redt, in de goddelijke Geneesheer die juist gezonden is om ons te genezen. We moeten met des te meer kracht geloven naarmate onze ziekte erger, zelfs hopeloos is.»4 Er zijn perioden waarin we misschien sterker onze ziekte ervaren: ogenblikken waarop de bekoring krachtiger is, en waarop we vermoeidheid of duisternis voelen of onze eigen zwakte sterker ervaren. Dan moeten we naar Jezus gaan, die altijd dichtbij is, met een nederig en oprecht geloof, zoals dat van zoveel zieken en behoeftigen uit het evangelie. Dan moeten we tot de Meester zeggen: «Heer, stel geen vertrouwen in mij. Laat mij op U vertrouwen. Als we in onze ziel de liefde, de erbarming en de tederheid van de blik gewaarworden, waarmee Christus ons aanziet omdat Hij ons niet in de steek laat, zullen we de woorden van de Apostel volledig begrijpen: virtus in infirmitate perficitur (2 Kor 12,19), kracht wordt juist in zwakheid vervolmaakt. Door het geloof in de Heer zullen wij ondanks, beter gezegd, dankzij het brok ellende dat wij zijn, trouw zijn aan God, onze Vader. De macht van God zal schitteren en ons in onze zwakte steunen.»5 Wat een geruststelling is het voor ons, te weten dat Christus altijd zo dicht bij ons is!

11.2 Het evangelie van deze Mis4 verhaalt ons van Jezus' tocht door de stad Jericho en de genezing van een blinde, Bartimeüs, die langs de weg om aalmoezen zat te bedelen. De Meester is de laatste huizen van de stad voorbij en vervolgt zijn weg naar Jeruzalem. Dan bereikt Bartimeüs het lawaai van het kleine gezelschap dat met de Heer meetrok. Zodra hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij luidkeels te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! Die man, die in duisternis leeft maar hevig verlangt naar het licht, naar helderheid, genezing, begreep dat dit zijn kans was: Jezus kwam hem heel dicht voorbij. Hoeveel dagen had hij niet op dat ogenblik gewacht! De Meester is nu binnen zijn stembereik. Daarom trok hij zich niets aan van de velen die hem toesnauwden te zwijgen, maar riep hij nog veel harder. Hij kon die gelegenheid niet laten schieten. Wat een voorbeeld voor ons leven! Want Christus, altijd binnen bereik van onze stem, van ons gebed, komt soms nog dichter voorbij, opdat wij Hem krachtig durven toeroepen. «Timeo -legt Augustinus uit- Iesum transeuntem et non redeuntem, ik ben bang dat Jezus langs komt en niet meer terugkeert.»7 Wij mogen de genade niet laten afdruipen als regenwater op een harde grond.

Tot Jezus moeten wij vaak roepen -en dat doen wij thans in de stilte van ons binnenste- met een vurig gebed: Iesu, Fili David, miserere mei! Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! Als wij Hem roepen, worden wij getroost door de woorden van de heilige Bernardus, die we tot de onze maken: «Mijn enige verdienste is de barmhartigheid van de Heer. Ik zal niet arm aan verdiensten zijn, zolang Hij het niet is in erbarming. En omdat de erbarming van de Heer groot is, zijn ook mijn verdiensten groot.»8 Met deze verdiensten snellen wij tot Hem: Iesu, Fili David... Wij moeten tot Hem roepen, zo bevestigt de heilige Augustinus, met gebed en tevens met de werken die dit gebed dienen te vergezellen.9 De goede werken, met name liefde, goed afgeleverd werk, zuiverheid van de ziel in een berouwvolle belijdenis van onze zonden, staan borg voor dit roepen tot Jezus die langs komt.

Nadat de blinde de hindernis van zijn omstanders genomen had, bereikte hij waarnaar hij zozeer verlangde. Jezus bleef staan en zei: Roep hem eens hier. Ze riepen de blinde toe: Heb goede moed! Sta op. Hij roept U. Hij wierp zijn mantel af, sprong overeind en kwam naar Jezus toe.

De Heer had hem al de eerste keer gehoord, maar Hij wilde dat Bartimeüs ons een voorbeeld zou geven van standvastigheid in het gebed, van onverminderd in het aanschijn van de Heer staan. Nu staat hij dan voor Hem. «Dan ontspint zich een goddelijke dialoog, een wonderlijke, ontroerende dialoog, die het hart in vuur en vlam zet, want nu zijn u en ik Bartimeüs. Christus opent zijn goddelijke mond en zegt: Quid tibi vis faciam? Wat wilt ge dat Ik voor u doe? De blinde: Meester, dat ik zie (Mc 10.51). Logisch, niet waar? En u, kunt u zien? Bent u niet ooit als die blinde van Jericho geweest? Ik zal nooit vergeten hoe ik deze passage jaren geleden overwoog en toen begreep, dat Jezus iets van mij verwachtte. Maar wat? Ik had er toen nog geen idee van. Ik bad mijn schietgebeden: Heer, wat wilt Gij; wat vraagt U van mij? Ik voelde dat ik iets nieuws zou moeten aanpakken en het Rabboni, ut videam -Meester, dat ik zie- bracht me ertoe Christus te smeken en zonder ophouden te bestoken met dit gebed: 'Heer, laat geschieden, wat Gij wilt.' [...]. Christus richt zich nu tot u. Hij vraagt u: Wat wilt ge van Mij? Dat ik zie, Heer, dat ik zie. Dan Christus weer: Ga, uw geloof heeft u genezen. Terstond kon hij zien en hij sloot zich bij Hem aan op zijn weg (Mc 10,52). Hem volgen op zijn weg. U probeert in zijn voetspoor te treden, u te kleden met het kleed van Christus, Christus zelf te zijn. Maar dan moet uw geloof, het geloof in het licht dat de Heer u zal geven, krachtdadig zijn en blijken uit uw daden en uw offers. Maakt u zich geen illusies en denkt u niet dat u nieuwe wegen zult ontdekken. Het geloof dat Hij van ons verlangt, is dit: we moeten ons naar zijn ritme voegen met daden die een en al edelmoedigheid zijn, en door het uit de weg ruimen en verwijderen van elke hindernis.»10

11.3 Als de Heer doet keren de ballingen Sions / zal het ons zijn of wij dromen. / Dan zal vol lachen zijn onze mond, / jubel zal op onze tong zijn; / dan verluidt bij de volken: / groot heeft Jahwe gehandeld aan hen! / Groot heeft de Heer gehandeld aan ons, / blijdschap is ons geworden. / Doe keren onze ballingen, Heer / als de waterbeken in het zuiden. / Zij die zaaien met tranen, / zij zullen oogsten met jubel11, zo lezen we in de tussenzang.

Deze psalm van jubel en vreugde herinnert ons aan het geluk van de Israëlieten, toen zij van het decreet van Cyrus vernamen waarin werd afgekondigd, dat het uitverkoren volk kon terugkeren naar het land van hun vaderen, waar zij de tempel en de heilige stad hoopten te herbouwen. De psalm werd gezongen tijdens de bedevaarten naar Jeruzalem, met name bij de voornaamste joodse feestdagen. Daarom heet deze psalm het 'bedevaartslied'.

De Negeb is een woestijn ten zuiden van Palestina; tijdens regenperioden kwamen er stromen water naar beneden die de woestijn tijdelijk in een oase veranderden. Zo keren ook de gevangenen van Babylonië terug naar Israël, dat onbevolkt en verlaten was, en zij bidden de Heer het land bij hun terugkeer te hernieuwen en een nieuw tijdperk vol van zegeningen in te stellen. De tranen die vergoten werden, veranderden in zaden van bekering en berouw over de zonden uit het verleden, die de oorzaak van de straf waren geweest. En net zoals de zaaier vermoeid raakt als hij onder tranen het zaad uitstrooit, maar op een goede dag van zijn akker kan terugkeren met de schoven die hij met pijn had gezaaid, zo zaaide het uitverkoren volk tranen van eerherstel en draagt het thans schoven van vreugde en bevrijding.12

Deze psalm herinnert aan de messiaanse blijdschap, waarnaar ook de eerste lezing verwijst. In het evangelie van vandaag heeft Bartimeüs reeds deel aan het komende heil dat zijn volheid zal bereiken na het lijden, de dood en de verrijzenis van Christus. Juist de blindheid van Bartimeüs en zijn armoede waren een reden om Jezus te ontmoeten, die Bartimeüs ruimschoots al zijn lijden uit het verleden vergeldt. Het leven van deze blinde werd geheel anders: et sequatur eum in via..., en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht. Bartimeüs is nu een leerling geworden die de Meester volgt. Onze smarten, onze duisternis misschien, kunnen een kans op een nieuwe ontmoeting met Jezus bieden, een kans om Hem op een nieuwe wijze te volgen -nederiger, meer gelouterd- over de levensweg, om leerlingen te worden die dichter naast Hem wandelen. Dan kunnen wij tot velen zeggen, namens de Heer: Heb goede moed! Sta op. Hij roept u! «In die tijd, vertellen de evangelies, kwam de Heer voorbij, en zij, de zieken, riepen Hem en gingen naar Hem toe. Ook nu komt Christus voorbij in jouw christenleven. Als jij met Hem meedoet, zullen er zovelen Hem kennen, Hem roepen, Hem om hulp vragen. Hun zullen de ogen geopend worden voor de wonderbaarlijke lichten van de genade.»13

Domine, ut videam: Heer, dat ik moge zien wat Gij van mij wilt. Domina, ut videam: Vrouwe, dat ik moge zien wat uw Zoon nu van mij vraagt, in mijn omstandigheden, en dat ik dat in zijn handen moge leggen.

-1. Jer 31,7-9. -2. Vgl. Hnd 10,38. -3. H. Bernardus, Preek Eerste Zondag van de Advent, 78. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 193. -5. Ibidem, 194. -6. Mc 10,46-52. -7. Vgl. H. Augustinus, Preek 88, 13. -8. H. Bernardus, Preek over het Hooglied, 61. -9. H. Augustinus, Preek 349, 5. -10. H. Jozefmaria Escrivá, o.c. 197-198. -11. Tussenzang, Ps 125,1-6. -12. Vgl. D. de las Heras, Comentario ascético-teológico sobre los Salmos, bl. 325. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 665.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012