Dertigste zondag door het jaar (B)
11. Christus doorkruist ons pad
-Zijn toevlucht nemen tot Jezus, telkens als
wij in nood zijn. -De barmhartigheid van de
Heer. Bartimeüs. -De messiaanse blijdschap.
11.1 God kruist ons levenspad en schenkt
ons licht en blijdschap. De eerste lezing1 is
een juichkreet om de redding van de rest van Israël, om de terugkeer naar het
land van de vaderen na de ballingschap. Allen keren terug, gebrekkigen en
zieken, blinden en lammen, die hun heil in de Heer vinden. Jubel van vreugde om Jakob, juich om de heerser der volken. Verkondig
overal Gods lof met deze woorden: Jahwe heeft redding gebracht aan zijn volk,
aan wat van Israël nog rest. Ik haal hen terug uit het noorden [...] ook de
blinden en lammen [...]. In dichte drommen keren zij terug. Na zoveel lijden kondigt de profeet de zegeningen van God over zijn
volk aan. Bedroefd gingen zij heen,
getroost leid Ik hen terug. Ik voer hen naar stromende beken, over gebaande
wegen waarop ze niet struikelen.
In Jezus gaan alle profetieën in vervulling.
Hij ging weldoende over de wereld rond2; Hij
deed goed zelfs aan wie Hem niets vroeg. In Hem werd de volheid openbaar van de
goddelijke barmhartigheid jegens de meest behoeftigen. Geen enkele onvolkomenheid
scheidde Christus van de mensen: Hij gaf blinden het gezichtsvermogen terug,
genas melaatsen, deed kreupelen en lammen weer lopen, Hij voedde een hongerige
menigte, dreef duivels uit... Hij ging naar degenen toe die het meest te lijden
hadden naar ziel en naar lichaam. «Eigenlijk zouden wij naar Jezus moeten gaan;
maar daar kwam een dubbele hindernis tussen. Onze ogen waren blind [...]. Wij
lagen verlamd op onze draagbaar, niet in staat naar Gods grootheid toe te gaan.
Daarom daalde onze beminnelijke Heiland en de Heelmeester van onze zielen
vanuit de hoogte neder.»3
Wij, die zoveel
ziektes hebben, «moeten een onwrikbaar geloof hebben in Wie ons redt, in de goddelijke
Geneesheer die juist gezonden is om ons te genezen. We moeten met des te
meer kracht geloven naarmate onze ziekte erger, zelfs hopeloos is.»4 Er zijn perioden waarin we misschien sterker onze
ziekte ervaren: ogenblikken waarop de bekoring krachtiger is, en waarop we vermoeidheid
of duisternis voelen of onze eigen zwakte sterker ervaren. Dan moeten we naar
Jezus gaan, die altijd dichtbij is, met een nederig en oprecht geloof, zoals
dat van zoveel zieken en behoeftigen uit het evangelie. Dan moeten we tot de
Meester zeggen: «Heer, stel geen vertrouwen in mij. Laat mij op U vertrouwen.
Als we in onze ziel de liefde, de erbarming en de tederheid van de blik
gewaarworden, waarmee Christus ons aanziet omdat Hij ons niet in de steek laat,
zullen we de woorden van de Apostel volledig begrijpen: virtus in infirmitate perficitur (2 Kor 12,19), kracht wordt juist in zwakheid vervolmaakt. Door het geloof in
de Heer zullen wij ondanks, beter gezegd, dankzij het brok ellende dat wij
zijn, trouw zijn aan God, onze Vader. De macht van God zal schitteren en ons in
onze zwakte steunen.»5 Wat een geruststelling is
het voor ons, te weten dat Christus altijd zo dicht bij ons is!
11.2 Het evangelie van deze Mis4 verhaalt ons van Jezus' tocht door de stad Jericho
en de genezing van een blinde, Bartimeüs, die langs de weg om aalmoezen zat te
bedelen. De Meester is de laatste huizen van de stad voorbij en vervolgt zijn
weg naar Jeruzalem. Dan bereikt Bartimeüs het lawaai van het kleine gezelschap
dat met de Heer meetrok. Zodra hij hoorde
dat het Jezus de Nazarener was, begon hij luidkeels te roepen: Jezus, Zoon van
David, heb medelijden met mij! Die man, die in
duisternis leeft maar hevig verlangt naar het licht, naar helderheid, genezing,
begreep dat dit zijn kans was: Jezus kwam hem heel dicht voorbij. Hoeveel dagen
had hij niet op dat ogenblik gewacht! De Meester is nu binnen zijn stembereik.
Daarom trok hij zich niets aan van de velen
die hem toesnauwden te zwijgen, maar riep hij nog veel harder. Hij kon die gelegenheid niet laten schieten. Wat een voorbeeld voor
ons leven! Want Christus, altijd binnen bereik van onze stem, van ons gebed,
komt soms nog dichter voorbij, opdat wij Hem krachtig durven toeroepen. «Timeo -legt
Augustinus uit- Iesum transeuntem et non redeuntem, ik ben bang dat Jezus langs
komt en niet meer terugkeert.»7 Wij mogen de
genade niet laten afdruipen als regenwater op een harde grond.
Tot Jezus moeten wij vaak roepen -en dat doen
wij thans in de stilte van ons binnenste-
met een vurig gebed: Iesu, Fili
David, miserere mei! Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! Als wij Hem roepen, worden wij getroost door de woorden van de heilige
Bernardus, die we tot de onze maken: «Mijn enige verdienste is de barmhartigheid
van de Heer. Ik zal niet arm aan verdiensten zijn, zolang Hij het niet is in
erbarming. En omdat de erbarming van de Heer groot is, zijn ook mijn
verdiensten groot.»8 Met deze verdiensten
snellen wij tot Hem: Iesu, Fili David... Wij moeten tot Hem roepen, zo bevestigt de heilige Augustinus, met
gebed en tevens met de werken die dit gebed dienen te vergezellen.9 De goede werken, met name liefde, goed afgeleverd
werk, zuiverheid van de ziel in een berouwvolle belijdenis van onze zonden,
staan borg voor dit roepen tot Jezus die langs komt.
Nadat de blinde de hindernis van zijn
omstanders genomen had, bereikte hij waarnaar hij zozeer verlangde. Jezus bleef staan en zei: Roep hem eens hier. Ze
riepen de blinde toe: Heb goede moed! Sta op. Hij roept U. Hij wierp zijn
mantel af, sprong overeind en kwam naar Jezus toe.
De Heer had hem al de eerste keer gehoord, maar
Hij wilde dat Bartimeüs ons een voorbeeld zou geven van standvastigheid in het
gebed, van onverminderd in het aanschijn van de Heer staan. Nu staat hij dan
voor Hem. «Dan ontspint zich een goddelijke dialoog, een wonderlijke,
ontroerende dialoog, die het hart in vuur en vlam zet, want nu zijn u en ik
Bartimeüs. Christus opent zijn goddelijke mond en zegt: Quid tibi vis faciam? Wat wilt ge dat Ik voor u
doe? De blinde: Meester, dat ik zie (Mc 10.51). Logisch,
niet waar? En u, kunt u zien? Bent u niet ooit als die blinde van Jericho
geweest? Ik zal nooit vergeten hoe ik deze passage jaren geleden overwoog en
toen begreep, dat Jezus iets van mij verwachtte. Maar wat? Ik had er toen nog
geen idee van. Ik bad mijn schietgebeden: Heer, wat wilt Gij; wat vraagt U van
mij? Ik voelde dat ik iets nieuws zou moeten aanpakken en het Rabboni, ut videam -Meester, dat ik zie- bracht me ertoe Christus te smeken en zonder ophouden te bestoken met
dit gebed: 'Heer, laat geschieden, wat Gij wilt.' [...]. Christus richt zich nu
tot u. Hij vraagt u: Wat wilt ge van Mij? Dat ik zie, Heer, dat ik zie. Dan
Christus weer: Ga, uw geloof heeft u
genezen. Terstond kon hij zien en hij sloot zich bij Hem aan op zijn weg (Mc 10,52). Hem volgen op zijn weg. U probeert in zijn voetspoor te
treden, u te kleden met het kleed van Christus, Christus zelf te zijn. Maar dan
moet uw geloof, het geloof in het licht dat de Heer u zal geven, krachtdadig
zijn en blijken uit uw daden en uw offers. Maakt u zich geen illusies en denkt
u niet dat u nieuwe wegen zult ontdekken. Het geloof dat Hij van ons verlangt,
is dit: we moeten ons naar zijn ritme voegen met daden die een en al edelmoedigheid
zijn, en door het uit de weg ruimen en verwijderen van elke hindernis.»10
11.3 Als de Heer doet keren de ballingen Sions / zal het ons zijn of wij
dromen. / Dan zal vol lachen zijn onze mond, / jubel zal op onze tong zijn; /
dan verluidt bij de volken: / groot heeft Jahwe gehandeld aan hen! / Groot
heeft de Heer gehandeld aan ons, / blijdschap is ons geworden. / Doe keren onze
ballingen, Heer / als de waterbeken in het zuiden. / Zij die zaaien met tranen,
/ zij zullen oogsten met jubel11, zo lezen we in de tussenzang.
Deze psalm van jubel en vreugde herinnert ons aan
het geluk van de Israëlieten, toen zij van het decreet van Cyrus vernamen
waarin werd afgekondigd, dat het uitverkoren volk kon terugkeren naar het land
van hun vaderen, waar zij de tempel en de heilige stad hoopten te herbouwen. De
psalm werd gezongen tijdens de bedevaarten naar Jeruzalem, met name bij de
voornaamste joodse feestdagen. Daarom heet deze psalm het 'bedevaartslied'.
De Negeb is een woestijn ten zuiden van
Palestina; tijdens regenperioden kwamen er stromen water naar beneden die de
woestijn tijdelijk in een oase veranderden. Zo keren ook de gevangenen van
Babylonië terug naar Israël, dat onbevolkt en verlaten was, en zij bidden de
Heer het land bij hun terugkeer te hernieuwen en een nieuw tijdperk vol van
zegeningen in te stellen. De tranen die vergoten werden, veranderden in zaden
van bekering en berouw over de zonden uit het verleden, die de oorzaak van de
straf waren geweest. En net zoals de zaaier vermoeid raakt als hij onder tranen
het zaad uitstrooit, maar op een goede dag van zijn akker kan terugkeren met de
schoven die hij met pijn had gezaaid, zo zaaide het uitverkoren volk tranen van
eerherstel en draagt het thans schoven van vreugde en bevrijding.12
Deze psalm herinnert aan de messiaanse
blijdschap, waarnaar ook de eerste lezing verwijst. In het evangelie van
vandaag heeft Bartimeüs reeds deel aan het komende heil dat zijn volheid zal
bereiken na het lijden, de dood en de verrijzenis van Christus. Juist de
blindheid van Bartimeüs en zijn armoede waren een reden om Jezus te ontmoeten,
die Bartimeüs ruimschoots al zijn lijden uit het verleden vergeldt. Het leven
van deze blinde werd geheel anders: et
sequatur eum in via..., en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht. Bartimeüs is nu een leerling geworden die de Meester volgt. Onze smarten,
onze duisternis misschien, kunnen een kans op een nieuwe ontmoeting met Jezus
bieden, een kans om Hem op een nieuwe wijze te volgen -nederiger, meer
gelouterd- over de levensweg, om leerlingen te worden die dichter naast Hem
wandelen. Dan kunnen wij tot velen zeggen, namens de Heer: Heb goede moed! Sta op. Hij roept u! «In die tijd, vertellen de evangelies, kwam de Heer voorbij, en zij,
de zieken, riepen Hem en gingen naar Hem toe. Ook nu komt Christus voorbij in
jouw christenleven. Als jij met Hem meedoet, zullen er zovelen Hem kennen, Hem
roepen, Hem om hulp vragen. Hun zullen de ogen geopend worden voor de
wonderbaarlijke lichten van de genade.»13
Domine, ut videam: Heer, dat ik moge zien wat Gij van mij wilt. Domina, ut videam:
Vrouwe, dat ik moge zien wat uw Zoon nu van mij vraagt, in mijn omstandigheden,
en dat ik dat in zijn handen moge leggen.
-1. Jer 31,7-9. -2. Vgl. Hnd 10,38. -3. H. Bernardus, Preek Eerste Zondag van de Advent, 78. -4. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 193. -5. Ibidem, 194. -6. Mc 10,46-52. -7. Vgl. H. Augustinus, Preek 88, 13. -8. H. Bernardus, Preek over het Hooglied,
61. -9. H. Augustinus, Preek 349, 5. -10. H. Jozefmaria Escrivá, o.c. 197-198. -11. Tussenzang, Ps 125,1-6. -12. Vgl. D. de las
Heras, Comentario ascético-teológico
sobre los Salmos, bl. 325. -13. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 665.
|