22 januari. Vijfde
dag van de Bidweek
8. CHRISTUS EN DE KERK
-In de Kerk ontmoeten wij Christus.
-Voorstellingen en voorafbeeldingen van de Kerk. Mystiek Lichaam van Christus. -De Kerk is een gemeenschap van geloof, sacramenten en leiding. De Gemeenschap van de heiligen.
8.1 De zending van Christus eindigde niet bij zijn opstijging ten hemel. Jezus is niet slechts een historische figuur
die geboren werd, geleefd heeft, gestorven en verrezen is om verheerlijkt te worden aan de
rechterhand van God de Vader, maar Hij leeft ook nu nog werkelijk, zij het mysterieus, onder ons.
In de eerste
christentijd bestond het gevaar, dat sommigen alleen
leefden vanuit de historische herinnering aan die Jezus, die velen van hen
hadden gezien; anderen daarentegen leken alleen in afwachting te leven van de
wederkomst van Christus, die zij zeer spoedig verwachtten. Tegenover deze
gevaren schreef de auteur van de 'Brief aan
de Hebreeën': Jezus Christus is
dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.1 Ofschoon de apostelen en de eerste geloofsleiders
sterven en geen rechtstreeks getuigenis van hun geloof kunnen afleggen,
behouden de gelovigen een Meester en Leidsman die nooit zal sterven, die voor
altijd leeft, met heerlijkheid gekroond. Mensen verdwijnen; Christus blijft
eeuwig met ons. Hij bestond gisteren,
bij de mensen in een concreet historisch verleden; Hij leeft vandaag in de hemel, aan de rechterhand van de Vader,
en Hij staat vandaag
naast ons: Hij geeft ons voortdurend het leven door middel van de sacramenten,
Hij vergezelt ons daadwerkelijk in de wederwaardigheden van onze levensweg. De
allerheiligste Mensheid van Christus werd vanaf een bepaalde tijd aangenomen;
de menswording was echter vanaf de eeuwigheid vastgesteld, en Gods Zoon,
geboren uit de Maagd Maria in de tijd en geschiedenis, in de dagen van keizer
Augustus, blijft mens voor altijd, met een verheerlijkt lichaam waarin de
tekenen van zijn lijden uitstralen.2
Christus leeft, verrezen en verheerlijkt, in de
hemel en, mysterieus maar werkelijk, in zijn Kerk; deze Kerk is geen
godsdienstige beweging die met zijn prediking een aanvang nam, maar staat in
nauwe betrekking tot de Persoon zelf van Christus. De Kerk stelt ons Christus
tegenwoordig; in haar ontmoeten wij Hem.
De grootheid van de Kerk ligt juist in deze
innige betrekking tot Jezus; zij is daarom een mysterie dat niet in woorden te
vervatten is. Geen enkele mensentaal is in staat haar ondoorgrondelijke rijkdom
tot uitdrukking te brengen: deze vindt haar oorsprong in de Persoon van Jezus
zelf en heeft tot doel zijn heilbrengende aanwezigheid onder ons voort te
zetten. Meer nog, de enige zending van de Kerk bestaat in het tegenwoordig
stellen van Christus, die ten hemel is gevaren, maar die heeft aangekondigd,
dat Hij met ons zou zijn alle
dagen tot aan de voleinding der wereld.3
Het is de opdracht van de Kerk ons tot Hem te voeren. Het Tweede Vaticaans
Concilie stelt, dat Hij de bewerker is van het heil en het beginsel van vrede
en eenheid, en dat Hij de Kerk gesticht heeft «opdat deze voor allen en ieder
afzonderlijk het zichtbare sacrament mag zijn van deze heil brengende eenheid.»4
8.2 Paulus vi wees erop, dat het voor de
volgelingen van Christus van beslissende betekenis is het wezen van de Kerk te
leren kennen. «En deze kennis is des te belangrijker, met name voor ons
katholieken, naarmate er zoveel dwalingen,
zoveel onjuiste opvattingen, zoveel
eigen meningen voorkomen in de discussies van onze tijd.» Welk een
onwetendheid, wat een dwaling! Velen vergeten of weten niet dat «de Kerk een mysterie is, niet slechts in de zin van de
diepgang van haar leven, maar evenzo in de zin, dat zij niet zozeer een
menselijke, historische en zichtbare werkelijkheid is, dan wel een goddelijke
realiteit die ons natuurlijk bevattingsvermogen overstijgt.»5
De heilige Schrift toont ons hoe de Kerk is
door middel van verscheidene voorafbeeldingen die elkaar aanvullen. Zij hebben
alle Jezus Christus als middelpunt en draaien rondom de eenheid: de Kerk is als
een schaapskooi,
waarvan Jezus de deur
is; een kudde met
Jezus als Goede Herder
die ervoor zorgt, dat zij nooit in handen van de vijand valt of zonder
weidegrond is; akker en wijngaard
van de Heer; gebouw,
waarvan Christus de hoeksteen is, dat de apostelen tot fundament heeft en
waarin de gelovigen de taak van levende
stenen vervullen. De Kerk, die ook het Jeruzalem van omhoog en onze Moeder wordt genoemd, wordt eveneens
beschreven als de onbevlekte Bruid.6 Zoals sint Paulus aan de eerste christenen van
Korinthe uitlegde, is de Kerk het Mystieke
Lichaam van Christus.7 Met dit
beeld wordt duidelijk uitgedrukt hoe de Kerk
Christus toebehoort en met Hem verbonden is. Tussen Jezus en de Kerk, tussen Jezus en ons is een
levensstroom gevestigd die hen onafscheidelijk maakt.8 Door deze vitale en innige vereniging van Christus
met de Kerk kun je over Christus dingen
zeggen die in letterlijke zin genomen alleen maar op de Kerk van
toepassing zijn, en omgekeerd. Zo kan men
zeggen, dat Christus vervolgd wordt,
wanneer de Kerk vervolgd wordt9, dat Christus bemind wordt, als de leden van zijn Lichaam
bemind worden, dat Christus wordt geloochend, wanneer men de gelovigen niet
wil helpen.10 Eveneens kunnen we zeggen, dat
«het verzoenend lijden van Christus hernieuwd en in zekere zin voortgezet en
aangevuld wordt in het Mystieke Lichaam, de Kerk... Terecht dus wil Jezus
Christus, die nu nog in zijn Mystieke Lichaam lijdt, dat wij zijn metgezellen
zijn in de boetedoening, en dat wordt ook vereist door onze verbondenheid met
Hem; want omdat wij het Mystieke Lichaam van Christus zijn, moeten ook de
ledematen hetzelfde lijden ondergaan als het hoofd.»11
Het betreft derhalve een zeer hechte en mysterieuze vereniging.
Deze vereniging
verhindert niet, dat iedere gelovige zijn eigen manier van
zijn, zijn eigen persoonlijkheid bezit. Het individuele 'ik' van ieder mens
wordt niet opgeheven door de vereniging met Christus, evenmin als het eigen
wezen van de Kerk, ook al wordt zij door Hem gevormd en tot leven gebracht. De
getrouwe gelovigen ontvangen van de Heer hetzelfde genadeleven; deze deelneming
aan het goddelijk leven geeft vorm aan hun onderlinge vereniging. De innige gemeenschap van de gelovigen omvat zowel
het inwendige, geestelijke en onzichtbare aspect als het uitwendige en
zichtbare karakter van de Kerk. «Als de Kerk een lichaam is -zo verklaarde Pius xii-, dan zal dit
noodzakelijkerwijs één en onverdeeld moeten zijn; naar het woord van sint Paulus: Wij allen tesamen maken één lichaam uit (1 Kor
12,12). En niet alleen moet het één en onverdeeld zijn, maar ook iets concreets
en duidelijk zichtbaars [...]. Zodoende verwijderen zich van de goddelijke
waarheid degenen die zich een dusdanig beeld van de Kerk vormen, dat men haar
niet kan aanraken of zien, door haar te maken tot een 'pneumatisch' wezen,
zoals ze dat noemen, waarin vele gemeenschappen van christenen, ook al zijn ze
in het geloof van elkaar gescheiden, zich niettemin door een onzichtbare band
verenigen. Maar het lichaam heeft ook behoefte aan een veelheid van ledematen
die zodanig met elkaar verbonden zijn, dat zij elkaar wederkerig ondersteunen.»12
8.3 De eenheid van de gelovigen die het Mystieke Lichaam van Christus vormen wordt
gegrondvest door een gemeenschap van geloof, sacramenten en hiërarchie,
waarvan de paus het middelpunt is.
De Kerk is een 'geloofsgemeenschap', dat wil
zeggen, zij wordt gevormd door alle gedoopten, die van God eenzelfde roeping hebben ontvangen en die deze
goddelijke roepstem edelmoedig hebben beantwoord. Bij gevolg belijden zij dezelfde leer en zijn zij verenigd
door hetzelfde goddelijk leven dat hun door het doopsel is verleend.
Deze innige vereniging, die voortkomt uit het geloof, behelst leer en leven te
zamen. Wanneer in de oude tijden een gedoopte zich afscheidde van de leer of het
leven zoals dit door allen in de Kerk werd beleden en beleefd, dan werd deze
beschouwd als een 'geëxcommuniceerde', dat wil zeggen, iemand die de
'gemeenschap' van allen had verbroken. Vervolgens werd deze zaak door het
kerkelijk gezag behandeld en werd iemand, in uitzonderlijke en buitengewoon
ernstige gevallen, uit de Kerk gezet.
In het Mystieke Lichaam van Christus bestaat
ook een 'gemeenschap van geestelijke goederen', waaraan men met name via de
sacramenten deel heeft. Door de sacramenten verkrijgen de gelovigen het
goddelijk leven; zij worden erdoor gevoed en gesterkt. De heilige eucharistie
is het hoogtepunt van het leven van de Kerk, want daarin wordt ons de
gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus geschonken, wordt de meest
innige vereniging van Christus met zijn leerlingen bereikt en wordt tegelijkertijd
de vereniging tussen allen die de Kerk vormen versterkt. De heilige eucharistie
is «bron en hoogtepunt van het christelijk leven.»13
De Kerk is evenzeer een 'gemeenschap van wederzijdse bovennatuurlijke hulp'. Zij kent een
grote verscheidenheid en veelvormigheid van charisma's en roepingen,
ondergeschikt aan de eenheid en onder eenzelfde hiërarchie, waarvan de paus
het middelpunt is; zonder hem kan de eenheid van eenzelfde geloof niet voortbestaan.
De eenheid van de Kerk vindt haar
verwezenlijking in de 'gemeenschap van de heiligen'. Dit dogma drukt de
verbintenis van de christenen onder elkaar uit, want wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden;
wordt één lid geëerd, alle delen in de vreugde.14 «De onderlinge samenhang van de christenen, met
Christus verenigd door de sacramentele liefde, wordt van afstand geordend,
geeft ieder de schatten van de anderen, en aan de anderen de schatten van
ieder.»15 Wij allen hebben elkaar nodig,
wij allen kunnen elkaar steunen; inderdaad genieten wij voortdurend de
geestelijke goederen van de Kerk. Ons gebed, het opdragen van ons werk, van de
kleine ongemakken die de dag van vandaag met zich meebrengt, dat alles kan
daadwerkelijk een steun zijn voor alle broeders die op weg zijn naar het geloof
en voor hen die er al wel dicht bij zijn, maar nog niet de volle gemeenschap
bezitten. De overweging van deze daadwerkelijke hulp die wij anderen kunnen
bieden, moet ons ertoe aanmoedigen onze kleinste verplichtingen zo goed
mogelijk te vervullen en er een bovennatuurlijke zin aan te geven door ze de
Heer als offer aan te bieden, want «op dezelfde manier als in een natuurlijk
lichaam de werking van elk lid gericht is op het welzijn van het geheel, zo
geschiedt dit ook met het geestelijk lichaam, de Kerk: omdat alle gelovigen één
lichaam vormen, wordt het goede dat door de een tot stand wordt gebracht, overgebracht
op de andere.»16 Dit moet aanmoedigen anderen
hulp te verlenen door gebed en het trouw vervullen van ons werk. Eens zullen
we, vol verwondering, in God het zo grote goed mogen aanschouwen dat wij voor
vele christenen en voor de gehele Kerk hebben gedaan vanuit ons kantoor, de
keuken, de operatiezaal of de akker. Laten we geen enkel uur werk, geen enkele
tegenslag of lang wachten verloren doen gaan. Alles kunnen we veranderen in
genade, en zo, met Christus verenigd, heel zijn Mystieke Lichaam nieuw leven
geven.
Heer,
zie genadig naar uw volk en schenk het in uw goedheid de gaven van uw Geest.
Laat het voortdurend groeien in liefde tot de waarheid en de volmaakte eenheid
van alle christenen met woord en daad nastreven.17
-1. Heb 13,8. -2. Vgl. The Navarre Bible, noot bij Heb 13,8. -3. Mt 28,20. -4. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 9. -5. Paulus vi, Toespraak 27-IV-1966. -6. Vgl. Vaticanum ii, loc. cit., 6. -7. Vgl. 1 Kor 12,12-17. -8. Vgl. Vaticanum ii, loc. cit., 7. -9. Vgl. Hnd 9,5. -10. Vgl. Mt 25,35-45. -11. Pius xi, Enc. Miserentissimus Redemptor, 8-V-1928. -12. Pius xii,
Enc. Mystici Corporis,
29-VI-1943, 7. -13. Vgl. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen
gentium, 11; Decr. Presbyterorum
ordinis, 5. -14. 1 Kor
12,26. -15. Ch. Journet,
Théologie de l'Eglise.
-16. H. Thomas van Aquino, Over het Credo. -17. Altaarmissaal, Mis voor de eenheid der christenen, cyclus C,
collectegebed.