Drieëndertigste week. Woensdag
42. Christus, onze koning
-Alles op Christus instellen. -De verwerping
van Jezus. -Het koninkrijk van Christus verbreiden.
42.1 Jezus bevond zich in de buurt van
Jeruzalem en velen verwachtten de onmiddellijke komst van het Koninkrijk Gods,
een koninkrijk -volgens hun verkeerde opvatting- van tijdelijk karakter. De
Heer zou, naar ze dachten, zegevierend de stad binnentrekken na het Romeinse
gezag overwonnen te hebben. En zij zouden, wanneer dat ogenblik gekomen was,
een bevoorrechte plaats krijgen. Dit droombeeld dat zo ver van de werkelijkheid
af stond, was het verlengstuk van een mentaliteit die in veel joodse kringen
van die tijd bestond. Om deze dwaling tot in de kern recht te zetten legde
Jezus hun een gelijkenis voor, die we vandaag in het evangelie van de heilige
Mis horen.1
Een man van hoge geboorte ging op reis naar een
ver land om het koningschap te verkrijgen. Het was gebruikelijk dat de koningen
van de gebieden die afhankelijk waren van het Romeinse Rijk, de koninklijke
macht uit handen van de keizer ontvingen, en daartoe moesten zij soms zelfs
naar Rome gaan. In de parabel laat deze voorname man het beheer van zijn gebied
over aan tien vertrouwensmannen; daarna vertrok hij om het koningschap te
verkrijgen. Hij gaf hun tien ponden. Het pond was geen officiële munt maar werd
wel als munteenheid gebruikt; de waarde ervan was 35 gram goud. Deze mannen
kregen een opdracht: Doet daar tijdens
mijn afwezigheid zaken mee. Zij dienden dus hun
kleine schat te gelde te maken. En deze mannen vervulden hun taak: zij leenden
het tegen rente uit, bezochten markten, kochten en verkochten. Zij deden goed
werk voor hun heer, weken, maanden en jaren
lang... En dat is precies hetgeen ook de Kerk blijft doen sinds
Pinksteren, toen zij de onmetelijke gave van de Heilige Geest ontving, en samen
met Hem, door Christus gezonden, het onfeilbare Woord Gods, de kracht van de
sacramenten, de macht tot vergeving schenkt... Zoals de H. Jozefmaria Escrivá de
Balaguer schreef: «Er is zeer veel gedaan in die twintig eeuwen; het lijkt mij
dan ook niet objectief noch eerlijk, als ik zie met hoeveel animositeit
sommigen het werk van hun voorgangers minachten. Er is veel werk verricht in de
loop van tweeduizend jaren, en vaak is het zelfs uitstekend gedaan. Andere
keren zijn er vergissingen begaan, was er soms achteruitgang; vrees en
angstvalligheid hebben niet ontbroken,
dapperheid en edelmoedigheid echter evenmin, zoals ook nu. Maar de mensenfamilie vernieuwt zich steeds weer. Daarom
moet iedere generatie zich er opnieuw mee bezig houden de mens de
grootheid van zijn roeping als kind van God bewust te maken, hem het gebod van
de liefde tot Schepper en naaste in te prenten.»2
Het leven is een tijd om de goddelijke goederen
vruchten te doen geven. Het is de taak van ieder van ons, gelovigen, om thans
de schat van genade die de Heer in onze handen heeft gelegd, te gelde te maken,
terwijl wij «in zijn Geest tot leven gewekt en verenigd, op weg zijn naar die
voleinding van de geschiedenis van de mensheid, welke volledig met het plan van
zijn liefde overeenstemt: Alles in
Christus herstellen wat in de hemel en op aarde is
(Ef 1,10).»3 Terwijl de Heer tot ieder van ons
terugkeert op het wellicht niet zo ver verwijderde moment van de dood, is dit
onze opdracht: met alle ijver de Heer tegenwoordig pogen te stellen in alle
menselijke werkelijkheden. Niets is God vreemd, want alles is door Hem
geschapen en richt zich tot Hem, ofschoon ieders eigen autonomie bewaard
blijft: de zaken, de politiek, het gezin, de sport, het onderwijs...
Zie, Ik kom spoedig -zegt de Heer vandaag tot ons- en mijn loon breng Ik mee, om ieder te vergelden naar zijn werk. Ik ben
de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde.4 Alleen in Hem krijgt ons doen en laten hier op aarde betekenis. De gehele Kerk
en iedere gedoopte is de bewaarder
van Christus' schat: de heiligheid van God groeit in de wereld, wanneer
ieder van ons strijdt om trouw te zijn aan zijn plichten, aan de verplichtingen
die hij als burger, als christen, is aangegaan.
42.2 Terwijl die trouwe beheerders ijverig
poogden de schat van hun heer winst te laten opbrengen, waren er veel burgers
in dat land, die hem haatten en hem
een gezantschap achterna stuurden om te zeggen: Wij willen niet, dat deze man
koning over ons wordt. De Heer zal met veel
verdriet deze woorden in zijn verhaal hebben ingelast, want Hij spreekt hier in
de parabel over zichzelf: Hij is die voorname man die naar verre landen
vertrekt. Jezus zag in de ogen van heel wat Farizeeën een toenemende haat en de
meest volledige afwijzing. Hoe groter zijn goedheid was en hoe groter de
bewijzen van zijn barmhartigheid, des te meer nam het onbegrip toe dat men op
vele gezichten kon aflezen. Wat zal voor de Meester die frontale afwijzing hard
geweest moeten zijn, een afwijzing die haar hoogtepunt bereikte in zijn Lijden,
korte tijd daarna!
De Heer wil eveneens de afwijzing tot
uitdrukking brengen die Hij in de loop der eeuwen van zoveel mensen zou moeten
ondervinden. Is die afwijzing in onze tijd soms minder sterk? Zijn haat en
onverschilligheid geringer? In de literatuur, de kunst, de wetenschappen..., in
de gezinnen, lijkt men wel een reusachtig geschreeuw te horen: nolumus hunc regnare super nos!, wij willen niet, dat die man koning over ons wordt! «Hij, die de
Maker is van het heelal en van ieder schepsel, en die toch zijn heerschappij
niet oplegt, maar bedelt om wat liefde door ons zwijgend de wonden van zijn
handen te tonen. Waarom kennen zoveel mensen Hem dan niet? Waarom moeten wij
altijd die wrede afwijzing blijven horen: wij willen niet, dat deze man koning over ons wordt (Lc 19,14)? Er zijn op aarde miljoenen mensen die zich op deze wijze
opstellen tegenover Christus, of tegen de wijze waarop Hij wordt voorgesteld;
zij kennen Hem gewoonweg niet. Zij hebben de schoonheid van zijn gelaat niet
gezien en zijn heerlijke leer heeft niemand hun leren kennen.
»Bij dit trieste schouwspel voel ik mij
gedrongen de Heer eerherstel te bieden. Als ik de onophoudelijke afwijzing
bespeur die meer metterdaad dan in woorden geschiedt, dan voel ik de behoefte
om met luide stem uit te roepen: opportet
illum regnare! (1 Kor 15,25), Hij moet Koning zijn [...]. De Heer
heeft mij ertoe gedreven om sinds jaren in mijzelf die stille kreet te herhalen:
serviam!
ik zal dienen. Moge Hij in ons doen toenemen dat verlangen naar overgave en
trouw aan zijn goddelijke oproep -heel eenvoudig, zonder praal, zonder lawaai-
midden in de wereld, ook op straat, waar je loopt. Laten wij Hem uit de grond
van ons hart dankzeggen, ons onderdanig gebed, ons kinderlijk gebed tot Hem richten. Dan zullen onze tong en ons
verhemelte met melk en honing worden verzadigd. Spreken over het Rijk Gods, Rijk van vrijheid, vrijheid die Hij
voor ons verdiend heeft (vgl. Gal 4,31), zal dan voor ons iets heerlijks
worden.»5 Wij zullen onze Heer dienen als onze
Koning en Heer, als de Heiland van de gehele mensheid en van ieder van ons
afzonderlijk. Serviam! Ik zal U dienen, Heer, zo zeggen wij Hem vanuit de grond van ons hart.
42.3 Na enige tijd kwam die heer als koning
terug. Toen beloonde hij op grandioze wijze de dienaren die zich hadden
uitgesloofd om winst te maken met hetgeen ze hadden ontvangen; maar hij strafte
op harde wijze degenen die hem tijdens zijn afwezigheid hadden verworpen,
evenals een van de beheerders die zijn tijd verknoeid had en het pond dat hij
had gekregen niet te gelde had gemaakt. «De slechte dienaar had zich niet
beijverd en kon hem niets overhandigen; hij heeft zijn meester niet geëerd en
werd derhalve gestraft. God verheerlijken is daarentegen het aanwenden van de
mogelijkheden die Hij mij heeft gegeven om Hem te kennen, lief te hebben en te
dienen, en Hem aldus heel mijn wezen terug te geven.»6
Dat is het doel van ons leven: God eer bewijzen, nu hier op aarde met wat ons
is toevertrouwd, en later in eeuwigheid samen met de Maagd, de engelen en de
heiligen. Als wij dat voor ogen houden, wat zullen we dan goede beheerders zijn
van de gaven die de Heer ons heeft willen schenken, opdat wij daarmee de hemel
winnen!
«Het zal u nooit berouwen, dat u Hem hebt
liefgehad», herhaalde de heilige Augustinus telkens weer.7 De Heer betaalt uitstekend, ook in dit leven, indien
wij trouw zijn. Hoe zal dat dan niet in de hemel zijn! Thans is het onze
opdracht het Koninkrijk van Christus te verbreiden op aarde, te midden van de
samenleving waarin we ons bewegen: in het gezin, op het werk, onder buren,
onder onze collega's op de universiteit of in de werkplaats, onder de klanten,
de leerlingen... En heel bijzonder onder hen die ons op enigerlei wijze zijn
toevertrouwd. «Laat de hand van uw kleintjes nooit los; draagt vol ijver bij
aan het heil van uw gezin»8 luidde de vurige
raad van de heilige bisschop van Hippo.
In deze dagen voor het hoogfeest van Christus
Koning kunnen wij ons voorbereiden door enkele schietgebeden te herhalen: Regnare Christum volumus!, wij willen dat Christus koning is! En wij willen in de eerste plaats,
dat dit koninkrijk tot werkelijkheid wordt in ons verstand, onze wil, ons hart,
in heel ons zijn.9 Daarom bidden wij Hem:
«Jezus, mijn Heer: maak, dat ik uw genade zozeer voel en volg, dat mijn hart
zich ontledigt..., opdat Gij het vult, mijn Vriend, mijn Broer, mijn Koning, mijn
God, mijn Liefde!»10
-1. Lc 19,11-28. -2. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 121. -3. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 45. -4. Apok 22,12-13. -5. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 179. -6. J. Tissot, , La vie intérieure. -7. Vgl. H. Augustinus, Preek 51, 2. -8. Idem, Preek 94. -9. Vgl. Pius xi, Enc. Quas primas, 11 december 1925. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 913.
|