Veertiende week door het jaar. Maandag
58. Christus vinden in de Kerk
-Het is niet mogelijk Christus lief te hebben, te volgen of
naar Hem te luisteren zonder de Kerk lief te hebben, te volgen en naar haar te
luisteren. -In de Kerk delen wij in het Leven van Christus. -Geloof, hoop en
liefde voor de Kerk.
58.1 Iedereen zoekt naar Jezus.
Iedereen heeft Jezus nodig, en Hij op Zijn beurt staat altijd klaar om medelijden
te hebben met allen die Hem met geloof benaderen. Zijn Allerheiligste Mensheid
was, zolang Hij onder de mensen verbleef, als het ware een kanaal waardoor alle
genade vloeide. Daarom probeerden de menigten Hem aan te raken, want er ging van Hem een Kracht uit die allen genas. (Lc
6,19)
De vrouw over wie wij in het evangelie van de mis van vandaag1 horen, was ook bewogen om dicht bij Jezus te komen.
Bij haar fysieke lijden -dat al twaalf jaar had geduurd- kwam nog de schaamte
zich onrein te voelen volgens de wet. In die tijd beschouwden de joden de
vrouw, aangedaan door een ziekte van dit type, niet alleen als onrein, maar ook
alles wat zij aanraakte. Daarom naderde zij Jezus van achteren en raakte alleen
zijn mantel aan, zodat de mensen haar niet zouden opmerken. «Zij raakte
voorzichtig de zoom van Zijn mantel aan, zij kwam naar Hem toe met geloof, zij
geloofde en zij wist dat zij genezen was.»2
Deze wonderen -genezingen en uitdrijvingen van de duivel- die
Christus verrichtte terwijl Hij op aarde leefde, waren een bewijs dat de
verlossing reeds een werkelijkheid was, niet slechts een hoop. De mensen die
wij naar de Meester zien gaan, voorzeggen als het ware de devotie die
christenen later zouden hebben voor de Allerheiligste Mensheid van Christus.
Later, toen Hij op het punt stond naar de hemel op te stijgen en zijn plaats in
te nemen naast zijn Vader, en in de wetenschap dat wij Hem altijd nodig zouden
hebben, stelde Hij de middelen in waardoor wij in alle tijden en plaatsen in staat
zouden zijn de oneindige schatten van de verlossing te ontvangen: Hij stichtte
de Kerk, en op zo'n manier dat wij haar gemakkelijk zouden herkennen en vinden.
Wanneer we de Kerk zoeken, zijn we zoals de mensen die naar de Zoon van Maria
zochten. In de Kerk zijn is met Jezus zijn; zich met
zijn kudde verenigen is zich met Jezus verenigen. Tot deze gemeenschap behoren
is een lid te zijn van zijn Lichaam. Het is alleen in de Kerk dat we Christus
kunnen vinden, precies dezelfde Christus waar het uitverkoren volk zo lang op
gewacht had.
De mensen die beweren zich tot Christus te keren terwijl ze
zijn Kerk aan de kant laten liggen, en haar zelfs schade berokkenen, kunnen op
een dag tot dezelfde verrassing komen als de heilige Paulus toen hij onderweg
was naar Damascus: Ik ben Jezus die gij vervolgt.3 En Beda de Eerbiedwaardige bedenkt dat «Hij niet
zegt: 'waarom achtervolg je mijn leden, maar waarom achtervolg je Mij?' Want
Hij wordt nog steeds beledigd in Zijn Lichaam, dat de Kerk is.»4 Paulus wist tot op dat ogenblik niet dat de Kerk achtervolgen Jezus zelf achtervolgen is. Wanneer
hij later over de Kerk spreekt, doet hij dat met woorden die haar beschrijven
als het Lichaam van Christus5, of eenvoudig als
Christus6; en hij beschrijft de gelovigen als leden
van Christus' Lichaam.7 Het is niet mogelijk
Christus te beminnen, te volgen of naar Hem te luisteren, zonder de Kerk te
beminnen, te volgen of naar Haar te luisteren, want zij is de
vertegenwoordiging, zowel sacramenteel als geheimvol, van de Heer die zijn
reddende zending in de wereld verlengt tot het einde van de tijd.
58.2 Niemand kan zeggen dat hij
God liefheeft als hij niet de weg, door God zelf bepaald, naar Hem kiest:
Jezus. Dit is mijn Welbeminde Zoon; luistert naar Hem.8 Wij handelen onlogisch
als wij beweren vrienden van Christus te zijn en tegelijkertijd zijn woorden en
wensen afwijzen. Die menigten mensen van vele verschillende plaatsen ontdekken
allemaal in Jezus Iemand die tot hen spreekt met gezag, die tot hen spreekt
over God. Hij zelf is het vleesgeworden goddelijke Woord; zij komen van aangezicht
tot aangezicht te staan met Jezus de Meester. En wij, in onze tijd, sluiten ons
bij Hem aan wanneer we de leer van de Kerk aanvaarden: Wie
naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij.9
Jezus is vooral onze Verlosser. Hij is de Priester; Hij bezit
volledig het éne en enige priesterschap en Hij offerde zichzelf als het
verzoenend slachtoffer voor de zonde. Ook Christus heeft
zichzelf niet de eer van het hogepriesterschap toegekend; dat heeft God gedaan,
die Hem zei 'Gij zijt mijn zoon'.10 Wij
verenigen ons met Christus, tegelijkertijd priester en slachtoffer, die eer
geeft aan God de Vader en ons heiligt wanneer we deelnemen aan het leven van de
Kerk; wij doen dat in het bijzonder als we deelhebben aan haar sacramenten, die
als het ware goddelijke kanalen zijn waardoor de genade vloeit totdat ze onze
zielen bereikt. Telkens wanneer wij de sacramenten ontvangen, komen we met
Christus zelf in aanraking, de fontein van alle genade. Door de sacramenten
bereiken de oneindige verdiensten die Christus voor ons verwierf, de mensen van
alle tijden, en zijn voor allen de vaste hoop op eeuwig leven. In de heilige
eucharistie die Christus de Kerk gebood te vieren, hernieuwen wij Zijn offergave
en opoffering. Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven
wordt, doet dit tot gedachtenis aan Mij.11
Alleen de heilige eucharistie garandeert ons het Leven dat Hij voor ons verdiende:
Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid.
Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven van de
wereld.12 De voorwaarde om in dit offer
en deze maaltijd te delen gaat terug op een ander sacrament dat Christus aan
zijn Kerk heeft geschonken: het Doopsel. Gaat dus en maakt
alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de
Zoon en de Heilige Geest.13 Wie gelooft en gedoopt is zal gered worden.14 En als onze zonden de oorzaak zijn dat wij van God
zijn gescheiden, is de Kerk ook het middel waardoor onze toestand als levende
leden van de Heer wordt hersteld: Aan wie ge de zonden
vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet
vergeven.15 Christus legde vast dat deze
sterke band met Hem tot stand zou worden gebracht door die zichtbare tekenen die
het sacramentele leven van zijn Kerk zijn. Door de sacramenten vinden we ook
Christus.
Ofschoon er soms meningsverschillen in de Kerk kunnen zijn,
zal het voor ons niet moeilijk zijn Christus te vinden. Meerderheden of
minderheden doen er niet veel toe wanneer het een kwestie is van Jezus te
vinden; op de Calvarieberg stonden alleen Zijn moeder met een paar vrouwen en
een aankomende volwassene, maar daar, een paar meter verder, was Jezus! In de
Kerk weten ook wij waar de Heer is: Hij maakte aan Petrus bekend, Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij
zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult
ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn.16 Zelfs Simons verloocheningen van Hem waren voor Hem
niet voldoende om die macht te herroepen. Eenmaal uit de doden opgestaan
bevestigde de Heer die macht op een plechtige wijze: Weid
mijn lammeren, hoed mijn schapen17. De
Kerk is daar waar Petrus en zijn opvolgers zijn, en de bisschoppen in
gemeenschap met de opvolger van Petrus.
58.3 In de Kerk zien we Jezus,
dezelfde Jezus die de menigten zo graag wilden aanraken want
er ging van Hem een kracht uit die allen genas. Een ieder die zich
verbindt met Christus de Leraar, de Priester en de Koning door het aanvaarden
van de leer, de sacramenten en het gezag van de Kerk, behoort tot de Kerk. Op
een bepaalde manier onderhouden wij eenzelfde relatie met de Kerk als we met
Christus doen: door middel van geloof, hoop en naastenliefde.
Op de eerste plaats door geloof, dit
betekent geloven wat bij veel gelegenheden niet zo voor de hand liggend is. Ook
de tijdgenoten van Jezus zagen een man die werkte, die moe werd, die eten nodig
had, die pijn voelde, kou en angst, maar die Man was God. In de Kerk hebben wij
heilige mensen gezien die dikwijls onopgemerkt bleven, verborgen zoals ze zijn
geweest door een zeer gewoon leven. We zien ook zwakke mensen zoals wijzelf,
kleingeestig, lui, egocentrisch. Maar als zij gedoopt zijn en in staat van
genade blijven, zijn zij in Christus en delen zij in zijn leven, ondanks al hun
gebreken. Als zij zondaars zijn, heet de Kerk hen ook welkom in haar midden,
als leden die haar nog meer nodig hebben.
Onze houding ten opzichte van de Kerk moet er ook een zijn
van hoop. Christus zelf verzekerde ons: Op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel
zullen haar niet overweldigen.18 Zij zal
de vaste rots zijn waar we bescherming kunnen zoeken
tegen de grillige slingeringen die de wereld schijnt te maken. Zij kan ons
nooit in de steek laten, want wij zullen in haar altijd Christus vinden.
En als wij God liefde schuldig zijn, dat betekent dat wij ook
onze Moeder de Kerk moeten liefhebben, «want niemand kan God als Vader hebben
die de Kerk niet als zijn moeder heeft.»19 Zij is de Moeder die ons het leven schenkt; dat
leven van Christus waardoor wij kinderen zijn van de Vader. Een moeder moet
worden bemind. Alleen slechte kinderen blijven onverschillig, soms vijandig,
tegenover de persoon die hun het zijn gaf. Wij hebben een goede moeder: het is
daarom dat wij zo gekwetst zijn door de wonden die haar worden aangedaan door
sommigen buiten en binnen de Kerk, en door de zonden en zwakheden van haar leden.
Daarom, als goede zonen en dochters van de Kerk, doen wij ons uiterste best
niet te spreken over de zwakten van individuele personen, in het verleden of
nu, over deze of die christen, of zij wel dan niet een positie van gezag
bekleden. Wij trachten nooit de Kerk te bekritiseren die Heilig is en zo barmhartig
dat zij haar moederlijke zorgen zelfs niet aan zondaars ontzegt. Hoe kunnen wij
ooit koud, nors of beledigend over haar spreken? Hoe kunnen we onverschillig blijven voor onze moeder? Wij zijn niet onverschillig
en willen het niet zijn. Wat het hare is, is ook het onze; en het kan niet van
ons worden verwacht dat wij een neutrale houding aannemen zoals een rechter die
onpartijdig een rechtszaak tegen iemand aanhoort. Dit kan nooit de houding zijn
van een kind ten opzichte van zijn moeder.
Wij behoren toe aan Christus wanneer wij
tot de Kerk behoren. In haar worden wij leden van het lichaam van Hem
die Onze Lieve Vrouw ontving, droeg, en in de wereld bracht. Het is daarom dat
de Gezegende Maagd «Moeder van de Kerk is, dat wil zeggen, Moeder van heel het
volk van God, zowel de gelovigen als de herders.»20 Het voorlaatste juweel, dat de kinderlijke vroomheid
in de litanie van Onze Lieve Vrouw heeft geplaatst, het meest recente
compliment aan de Moeder van Christus is bijna synoniem:
Moeder van de Kerk.
-1. Mt 9,20-22. -2. H. Ambrosius, Commentaar op het
evangelie volgens de heilige Lucas VI, 56. -3. Hnd
9,5. -4. H. Beda, Commentaar
op de Handelingen van de Apostelen, in loc. -5. 1 Kor
12,27. -6. 1 Kor 1,13. -7. Rom 12,5. -8. Mt 17,5. -9. Lc 10,16. -10. Heb 5,5. -11. Lc 22,19. -12. Joh 6,51. -13. Mt 28,19. -14. Mc 16,16. -15. Joh 20,23. -16. Mt 16,19. -17. Joh 21,15-17. -18. Mt
16,18.-19. H. Cyprianus, Over
de Eenheid, 6,8. -20. Paulus vi, Toespraak, 21 november 1964.
|