-De materiële goederen zijn slechts
hulpmiddelen.-Consequenties van armoede: juist gebruik van geld, geen onnodige
uitgaven. -Schaarste en gebrek blijmoedig accepteren.
42.1 Het
evangelie van vandaag vertelt ons van het moment waarop Jezus besloot het Meer
van Galilea over te steken.1 Iemand kwam naar
Hem toe en zei: Ik zal U volgen,
waar Gij ook heengaat. Toen legde Jezus in enkele woorden uit,
wat het volgen van Hem inhoudt: verwerpen van gemak en comfort, onthechten van
bezit, volledige overgave aan de goddelijke wil: de vossen hebben holen en de vogels hun nesten, maar de
Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.
Jezus vraagt van leerlingen, van ons allemaal, een radicale
onthechting, die een gewoonte moet worden: het vaste besluit om de baas te
blijven over de dingen die wij gebruiken.
Wij mogen nooit gehecht raken aan bezittingen. Voor degenen die geroepen
zijn om in de wereld te leven, is het noodzaak deze strijd serieus aandacht te
geven en gaande te houden. Deze strijd is nu des te belangrijker omdat het
verlangen om te hebben, te bezitten, het genieten van het bezit het einddoel
geworden is voor velen.2
Om de armoede te beleven die Christus van zijn leerlingen
vraagt, is een grote innerlijke onthechting in de geest, de wil, de fantasie,
onontbeerlijk. Het is noodzakelijk dezelfde geest als de Heer in zijn leven tot
uitdrukking te brengen.3 Een van de eerste
blijken van evangelische armoede is het gebruik van goederen als middel in
plaats van als doel op zichzelf.4 Laten wij de
Heer vragen, dat wij ons nooit laten meeslepen door een ongeordend verlangen
naar steeds meer overvloed. Materiële middelen zijn goed voorzover zij gebruikt
worden voor een hoger doel: om een gezin te onderhouden, om kinderen op te
voeden, om een betere opleiding te krijgen, om de maatschappij vooruit te
helpen, om apostolaatswerk te steunen en mensen in nood bij te staan...
Dit is niet zo makkelijk als het op de praktijk aankomt, want
de mens is geneigd toe te geven aan het hart, dat zich zonder maat of matiging
hecht aan de materiële middelen. Wij moeten leren hoe wij in het dagelijkse
leven de gehechtheid aan mens, plaats of bezit, die ons op weg gaan naar de
Heer kan belemmeren, kunnen vermijden. Deze oefening is nodig, of wij nu heel
veel bezitten of nauwelijks iets. Wij moeten de geest van armoede niet
verwisselen met de toestand van armoede: «Het is dat soort armoede, die bestaat
in onthechting, godsvertrouwen, soberheid en bereidheid om te delen, die Jezus
zalig noemde.»5 Deze armoede wordt gevraagd van
degenen die heilig willen worden middenin de wereld.
De heilige Paulus zegt ons, dat ook hij deze leerschool van
het onder alle omstandigheden onthechte leven onderging. Hij schreef de
christenen van Filippi: Ik weet
wat armoede is, ik weet wat overvloed is, ik ben volledig ingewijd. Ik kan
volop eten en ik kan honger lijden, ik ben vertrouwd met overvloed en met
gebrek. Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft.6 Hij had heel zijn vertrouwen op God gevestigd.
42.2 Laten
wij verder gaan met onze beschouwing van de armoede van Christus die niets had om zijn hoofd op te laten
rusten. Christus volgen is leven zoals Hij leefde. Het is nodig
dat wij materiële middelen gebruiken om onze taak op aarde te volbrengen, maar
wij moeten niet toelaten, dat deze middelen onze vastberadenheid doen
verminderen of verslappen.
De ware christelijke armoede valt niet te rijmen met de zucht
naar overtollige goederen, maar ook niet met een onrustig streven naar dingen
die nodig zijn. Als iemand die vastbesloten is God te dienen, door zulke zorgen
zou worden verteerd, dan zou dit een teken zijn van lauwheid. In dit geval is
de ziel tevergeefs aan het proberen twee heren te dienen.7 Als wij de ontbering en het ongemak van de armoede
bereidwillig aanvaarden, zullen wij meer en meer verenigd worden met Jezus
Christus.
Een aspect van deze deugd heeft te maken met het juiste
gebruik van geld. Sommige dingen zijn zonder meer te luxueus. Hoe kan een
christen streven naar zo'n overdaad wanneer zoveel mensen leven in bittere
armoede? Sommige voorwerpen, gemakken en gewoonten passen niet in het leven van
een christen, ook niet als het door iemand anders betaald wordt. Leven zonder
deze aantrekkelijke zaken zal misschien botsen met de huidige stijl van leven.
Ons voorbeeld zal vele anderen helpen om de waarde van een sober leven te
ontdekken.
Wat staat er meer haaks op de geest van christelijke ascese
dan een vlaag van koopwoede die ingegeven wordt door een bevlieging? Wij moeten
ook eerlijk tegenover onszelf zijn op het punt van, bijvoorbeeld, zakelijke
kostenrekeningen en dergelijke vaste vergoedingen en voorrechten. Het hart kan
heel gemakkelijk verstrikt raken in de wereldse zaken en onbekwaam worden om
bovennatuurlijke goederen lief te hebben. Er zijn veel hogere waarden dan wat
de zintuigen verrukt.
Ongeacht of wij nu rijk zijn of arm, wij dienen arm van geest
te zijn uit liefde voor Christus. Wij gebruiken materiële goederen op allerlei
manieren, maar wij behoren ze altijd te
gebruiken met dezelfde innerlijke benadering. «Ikschrijf deze tekst over, omdat deze rust zal geven
aan je ziel: 'Ik bevind mij in een financiële situatie die zo ellendig
is, dat het niet erger kan. Ik laat er mijn gemoedsrust niet onder lijden. Ik
heb de absolute zekerheid, dat God, mijn Vader, deze hele situatie eens en voor
altijd zal oplossen.
»Ik wil, Heer, de zorg voor al het mijne in uw edelmoedige
handen leggen. Onze Moeder, Uw Moeder, heeft net als in Kana in uw oren laten
klinken: ze hebben niet genoeg... Ik geloof in U, ik hoop op U, ik heb U lief,
Jezus: voor mij niets; alles voor hen.'»8 Misschien
dienen wij dikwijls dit gebed tot het onze te maken.
42.3 Wij
willen Christus van nabij volgen, leven zoals Hij leefde midden in de wereld.
Een manier om in armoede te leven is, goed om te gaan met wat wij hebben, zodat
het lang meegaat. Deze manier van omgaan met bezit vereist echte versterving.
Het bestaat in kleine zelfverloocheningen die telkens opnieuw gedaan worden.
Het is veel gemakkelijker en aangenamer om spullen maar te laten rondslingeren
zonder ernaar om te kijken, om een kleine reparatie achterwege te laten die een
grotere reparatie met meer kosten later zou voorkomen.
Als wij kunnen leven zonder overvloed aan goederen, zullen
wij in dit opzicht dichter bij het leven van Christus zijn, dat vol
verstervingen was. Laten wij onszelf dikwijls afvragen: Heb ik dit of dat echt nodig?
De heilige Augustinus leert ons: «Wat overdaad is voor de rijke, is noodzaak
voor de arme. Wanneer wij overvloedig veel bezitten, hebben wij zaken die ons
schaden.»9 Heb ik veel spullen die ik niet echt
nodig heb? Schoenen, gebruiksvoorwerpen, sportkleding, kleren... «Een duidelijk
teken van onthechting is: niets -maar dan ook niets- te beschouwen als je
bezit.»10 Leef ik werkelijk consequent volgens
christelijke onthechting?
Christelijke armoede is zeker te combineren met een
smaakvolle inrichting van het eigen huis. Het huis moet een plaats zijn waar ieder
van het gezin zich kan ontspannen van het dagelijkse werk in een plezierige
omgeving. Mensen mogen ernaar uitzien om thuis weer nieuwe energie op te doen.
Toch mag het geen plek zijn voor non-stop amusement. «Wij moeten in het
dagelijks leven tegenover onszelf veeleisend zijn, anders maken wij problemen
die er niet zijn, krijgen wij quasi-behoeften die per slot van rekening het
gevolg zijn van inbeelding, grilligheid, gemakzucht en luiheid. We moeten met
rasse schreden naar God gaan, zonder dodelijke last en zonder belemmeringen
waardoor de tocht bemoeilijkt wordt.»11
Terwijl wij vechten om vrij te worden van bedrieglijke
banden, moeten wij groeien in dankbaarheid jegens de Heer voor alles wat wij hebben.
Wij mogen God danken voor de goederen die wij tot onze beschikking hebben op
het werk, dat ons toestaat ons gezin te onderhouden en mee te werken aan
activiteiten met een goed doel. Wij zijn bereid om van die goederen afstand te
doen, als God het zo wil. Wij klagen niet als wij datgene wat wij nodig hebben,
ontberen. Wij zullen onze innerlijke vreugde niet verliezen, omdat wij ons
weten in de handen van onze liefhebbende Vader. Hij weet wat goed voor ons is.
De heilige Maagd zal ons helpen dit uitstekende advies in
praktijk te brengen: «Hecht je hart aan niets dat vergankelijk is: volg
Christus na die zich arm maakte voor ons, en niets had om zijn hoofd op te
leggen.
»Vraag Hem jou midden in de wereld een daadwerkelijke
onthechtheid, zonder afzwakkingen, te verlenen.»12
-1. Lc
9,57-62. -2. Vgl. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium spes, 63.
-3. Vgl. H. Franciscus van Sales, Inleiding tot het devote leven,
III, 15. -4. A. Tanquerey, The spiritual life, Baltimore,
1930. -5. Congregatie voor de
geloofsleer, Instructie
over christelijke vrijheid en geweten, 22 maart 1986, 66. -6. Fil 4,12-13. -7. Vgl. Mt 6,24. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 807. -9. H. Augustinus, Commentaar op de Psalm 147. -10. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 524. -11. Idem, Vrienden van God, 125. -12. Idem, De Smidse, 523.
Eenentwintigste zondag
door het jaar (B)
56. Christus volgen
-Net als de apostelen volgen wij Christus voor altijd. -De
wegmarkering. We hebben de vrijheid die te volgen. -Ware vrijheid. Onze
overgave aan de Heer vernieuwen.
56.1 De eerste lezing van vandaag1 vertelt
ons over het moment dat het uitverkoren volk, na de Jordaan te zijn
overgestoken, op het punt staat het Beloofde Land binnen te gaan. Jozua riep
alle stammen van Israël in Sichem bijeen en zei tegen hen: Als u Jahwe niet verkiest te dienen,
kiest dan nu wie u wel wilt dienen: de goden die uw voorouders aan de overkant
van de Rivier hebben vereerd, of de goden van de Amorieten, in wier land u
woont. Ik en mijn familie, wij dienen Jahwe. En
alle volken antwoordden hem: Wij denken er niet aan, Jahwe te verlaten [...] Ook wij
willen Jahwe dienen, Hij is onze God.
In het evangelie van vandaag2
lezen we dat Jezus dezelfde vraag stelt aan zijn leerlingen. Na de aankondiging
van de eucharistie in de synagoge van Kafarnaüm verlieten veel leerlingen hun
Meester, omdat ze zijn leer over het mysterie van de eucharistie moeilijk
konden aanvaarden. Jezus blijft achter met alleen zijn naaste volgelingen en
Hij wil dat zij hun trouw en onvoorwaardelijk vertrouwen in Hem opnieuw
bevestigen. Dus wendt de Heer zich tot de mannen die Hem tot dan toe gevolgd
hebben en vraagt hun: Wilt
ook gij soms weggaan? En Petrus antwoordt namens allen: Heer, naar wie zouden wij gaan?
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de
Heilige Gods zijt. De apostelen zeggen nogmaals 'ja' tegen
Christus. Wat zou er zonder Jezus van hen terechtkomen? Waarheen zouden ze
gaan? Wie zou de verlangens van hun hart bevredigen? Leven zonder Christus,
toen net zoals nu, is leven zonder betekenis.
Ook wij moeten 'ja' zeggen tegen Jezus, voor altijd. We hebben
de Waarheid, het Leven en de Liefde omarmd. We hebben de vrijheid die God ons
gegeven heeft, gericht op haar enig geldige doel. Op de dag dat de Heer op een
bijzondere manier naar ons keek, hebben wij Hem verteld dat Hij het doel van
ons leven zou zijn; en sindsdien hebben wij Hem bij vele andere gelegenheden
gezegd: Heer, naar wie
zouden wij gaan? Zonder U heeft niets enige betekenis.
Vandaag is een goede gelegenheid om de oprechtheid van onze
overgave aan de Heer te onderzoeken, om te kijken of we met vreugde alles
achterwege laten wat ons ervan afhoudt Jezus te volgen. «Vraagt u zich wel eens
af -samen met mij, ik doe immers hetzelfde onderzoek- of u onwrikbaar en
standvastig trouw bent aan de keuze van uw levensweg? Of u, als u de zeer
lieflijke stem van God u tot heiligheid hoort aansporen, in vrijheid antwoordt:
'ja'?»3 'Ja' zeggen tegen de Heer in alle omstandigheden
betekent ook 'nee' zeggen tegen andere wegen, tegen andere mogelijkheden. Hij
is onze Vriend; alleen Hij heeft woorden van eeuwig leven.
56.2 Zoals de leerlingen die te Kafarnaüm hun volledige aanhankelijkheid aan
Christus bevestigden, zijn er in alle tijden en op alle plaatsen vele mannen en
vrouwen die, na misschien lange tijd in de duisternis gewandeld te hebben,
uiteindelijk Jezus vinden en het pad zien dat voert naar de hemel die open is
en vóór hen staat aangegeven. Zo is het ook in ons leven gebeurd. Ten slotte
ontdekken we dat wij onze vrijheid niet zomaar gekregen hebben om van de ene
plek naar de andere te gaan zonder een vast referentiepunt, maar juist om aan
te sturen op een doel: Christus! Toen begonnen we het verrassend vreugdevolle
karakter te kennen van de vrijheid die Jezus kiest en ons dichter bij Hem
brengt, en afwijst wat ons scheidt, want «de vrijheid staat [...] niet op
zichzelf: zij vraagt om een richting, een gids.»4
De Poolster van onze vrijheid, die op ieder moment aanwijst welke richting we
moeten nemen, is de Heer, want naar wie zouden wij gaan als we niet tot Hem
gingen?
Helaas betekent vrijheid voor veel mensen je impulsen of
instincten volgen, jezelf laten meeslepen door je hartstochten of door waar je
op het moment maar zin in hebt. Veel mensen denken zo, en zij vergeten dat
«vrijheid beslist een onvervreemdbaar en fundamenteel menselijk recht is, maar
vooral dat zij niet gekarakteriseerd mag worden door de mogelijkheid om voor
het kwade te kiezen, maar voor de mogelijkheid 'het goede te kunnen kiezen op
verantwoorde wijze', door het als zodanig te herkennen en ernaar te verlangen.»5 Iemand die een verkeerde en verarmde opvatting van
vrijheid heeft, zal het idee afwijzen dat er een geldig en verplicht doel is
dat alle mensen moeten volgen, omdat dat hem tegengesteld aan de vrijheid zal
schijnen te zijn.6
Als wij Christus gekozen hebben, als Hij echt het doel van
ons streven en van al onze handelingen is, verheven boven elk ander doel, dan
zullen we alles wat ons leert hoe we naar Hem moeten reizen, of alles wat ons
opmerkzaam maakt voor de belemmeringen die ons van Hem scheiden, zien als een
enorme gunst, als een zekere gids waarvoor we innig dankbaar zijn. Een reiziger
in een onbekend land zorgt ervoor een kaart te hebben, vraagt mensen die de weg
kennen en volgt de aanwijsborden, en doet dat vrijwillig, want hij wil zijn
bestemming bereiken. Hij beschouwt zijn vrijheid op geen enkele wijze beperkt
en hij vindt het ook geen vernedering dat hij van kaarten, verkeersborden en
gidsen afhankelijk is om te komen waar hij heen wil. Als hij onzeker is, of
denkt dat hij verdwaald is, zijn de wegwijzers die hij tegenkomt een
gelegenheid voor geruststelling en opluchting.
Eigenlijk vertrouwen we heel vaak meer op kaarten of
wegwijzers dan op ons eigen gevoel voor richting, want we hebben de
onbetrouwbaarheid daarvan al vaak genoeg ervaren. Wanneer we de wegwijzers
volgen, hebben we niet het gevoel dat die ons opgelegd worden; we verwelkomen
ze eerder als een grote hulp, een nieuw stuk informatie dat we ons onmiddellijk
eigen gaan maken. Dit gebeurt met de Tien Geboden, met de wetten en het
onderricht van de Kerk en met de raadgevingen die we in geestelijke leiding
krijgen of die we in moeilijke situaties zoeken. Ze zijn als wegwijzers die op
verschillende manieren onze vrijheid garanderen, de vrije keuze die we gemaakt
hebben om Christus te volgen en geen andere paden te verkennen die voeren naar
plaatsen waar we niet heen willen. «Het gezag van de Kerk, in haar onderricht
over geloof of moraal, is een 'dienst'. Het is als de bewegwijzering die naar
de hemel leidt. We moeten haar vertrouwen, want het heeft een goddelijk gezag. Het
wordt niemand opgelegd. Het wordt eenvoudigweg aan de mensen aangeboden. En
iedereen kan, als hij of zij wil, het zich eigen maken.»7
We moeten niet verbaasd zijn als deze goddelijke wegwijzers
ons soms uitnodigen om paden en wegen te verlaten die aantrekkelijker lijken te
zijn, en ons voeren langs andere die steiler en smaller en zwaarder zijn.
Hoewel ons gevraagd kan worden een gemakkelijk bestaan op te geven, zullen we
altijd de vreugde hebben, zelfs wanneer de weg zwaar is, dat ons leven het
bereiken van een moeilijk doel vóór zich heeft, dat we misschien een groot
aantal jaren geleden gekozen hebben of misschien een paar dagen terug. Laten we
naar de top gaan, waar Christus op ons wacht.
56.3 De wegwijzers die de Heer ons geeft, moeten we vertrouwen. Het zijn
geen beperkingen die aan de mensen worden opgelegd, het zijn geen zware lasten.
Het zijn stralende lichtbronnen die de weg verlichten, die ons in staat stellen
gemakkelijker te zien en te reizen. Wie oprecht op de genade van God probeert
te antwoorden, zal ware vrijheid ontdekken door Jezus te volgen. Bij het horen
van zijn stem ziet men eindelijk zijn weg: «de geboden worden dan niet gezien
als van buitenaf opgelegd, maar als een vereiste die van binnenuit wordt
geboren, en waaraan de christen zich derhalve uit vrije wil, 'helemaal vrij'
onderwerpt, omdat hij weet, dat hij aldus meer en vollediger aan zichzelf
beantwoordt.»8 En we moeten de vrije beslissing
nemen om te proberen goed te doen in ons werk, in eerlijke ontspanning, in het
gezinsleven, in vriendschap, in alle edele dingen -een beslissing die vaak
vernieuwd moet worden, waardoor we trouw blijven aan Christus en zo die volheid
van zijn bereiken waartoe wij geroepen zijn.
Johannes Paulus ii
zegt ons dat «de mens niet echt vrij kan zijn of echte vrijheid kan doen
groeien, tenzij hij erkent dat zijn bestaan de wereld te boven gaat en hij zijn
relatie met God beleeft; want vrijheid is altijd de vrijheid van de mens,
gemaakt naar het beeld van zijn Schepper [...]. Christus, de Verlosser van de
mensen, maakt ons vrij. De apostel Johannes tekent de woorden op: Als de Zoon je vrijmaakt, zul je
inderdaad vrij zijn (Joh 8,36). En de apostel Paulus voegt eraan
toe: Waar de Geest van de
Heer is, daar is vrijheid (2 Kor 3,17). Vrijgemaakt worden van ongerechtigheid,
vrees, dwang en lijden zou nutteloos zijn als we in de diepte van ons hart
slaaf zouden blijven, slaaf van de zonde. Om echt vrij te zijn moet de mens
bevrijd worden van deze slavernij en veranderd worden in een nieuw schepsel. De
radicale vrijheid van de mens ligt zo op het diepste niveau, het niveau van
openheid voor God door de bekering van het hart, want in het hart van de mens
zijn de wortels te vinden van elke vorm van onderworpenheid, elke schending van
de vrijheid.»9
Iedere dag dat we Christus volgen, ervaren we sterker de
vreugde van onze keuze en de verruiming van onze vrijheid, terwijl we
tegelijkertijd de slavernij zien van hen die op een bepaald moment God hun rug
toekeerden of die Hem niet wilden kennen. «Slaaf of Gods kind! Dat is de keuze
van ons leven. Of kind van God, of slaaf van de hoogmoed, van het zingenot, van
dat benauwende egoïsme waarin zoveel zielen verstrikt schijnen te zijn.
»Gods liefde wijst de weg van de waarheid, van de gerechtigheid
en van het goede. Als we besluiten de Heer te antwoorden met 'mijn vrijheid
behoort U' zijn we op hetzelfde moment bevrijd van alle banden waarmee we
vastzaten aan onnozelheden, aan lachwekkende bezigheden en pietluttige
eerzucht.»10 Als we Christus kiezen als het doel
van ons leven, hebben we alles gewonnen.
Heer,
naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.
Laten we vandaag opnieuw bevestigen dat we Christus volgen, met veel liefde,
met vertrouwen op zijn barmhartige hulp; en met volledige vrijheid kunnen wij Hem
zeggen: 'Ik leg mijn vrijheid in uw handen.' Laten we ook haar navolgen die
zei: Zie de dienstmaagd
des Heren; mij geschiede naar uw woord.
-1. Joz
24,1-2,15-17,18. -2. Joh
6,61-70. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God,
24. -4. Ibidem, 26.
-5. Johannes Paulus ii, Toespraak, 6 juni
1988. -6. Vgl. C.
Burke, Conscience
and freedom. -7.
Ibidem. -8. Johannes Paulus ii, Toespraak, 6 juni 1988.
-9.Johannes Paulus ii, Boodschap van Wereldvredesdag,
8 december 1980, 11. -10. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van
God, 38.