Achtentwintigste zondag door het jaar (C)
57. Dankbaar zijn
-De genezing van de tien melaatsen. -De Heer wacht op onze
dank voor zijn talloze gaven van elke dag. -Dankbaar zijn ten opzichte van
allen.
57.1 De
eerste lezing van de Mis vandaag vertelt ons over de genezing van melaatsheid
van Naäman de Syriër door de profeet Elisa.1 De
Heer gebruikte dit wonder om Naäman tot het ware geloof te brengen. Dit was een
veel grotere gave dan de gezondheid van het lichaam. Zo gauw Naäman merkte dat
hij genezen was, riep hij uit: Nu
weet ik dat er alleen in Israël een God is, en nergens anders op aarde.
Het evangelie van vandaag van de heilige Lucas legt een soortgelijke
gebeurtenis vast.2 De Heer geneest een
Samaritaan van zijn melaatsheid en beloont dan zijn dankbaarheid met de gave
van het geloof. Evenals de Syriër was de Samaritaan een vreemdeling. Hij
behoorde niet tot het volk van Israël.
Op zijn laatste tocht naar Jeruzalem trok Jezus door het
grensgebied van Samaria en Galilea. Toen Hij daar een dorp binnenging ontmoette
Hij tien melaatsen. Zij stonden op
een afstand van Jezus en zijn volgelingen. De wet verbood
melaatsen om in direct contact met anderen te komen.3
In deze groep melaatsen bevond zich een Samaritaan, ofschoon Joden en
Samaritanen elkaar gewoonlijk meden.4
Afzondering en schande hadden traditionele vijanden samengebracht. Zij verhieven hun stemmen met
een verzoek dat het hart van Jezus onmiddellijk moet hebben bewogen: Jezus, Meester, ontferm U over ons!
Zij leverden zich over aan Gods barmhartigheid. Christus kreeg medelijden met
hen. Hij zei dat ze zich moesten laten zien aan de plaatselijke priesters. De
wet schreef voor dat zulke genezingen op deze wijze moesten worden
geverifieerd.5 De melaatsen gehoorzaamden de
Heer en gingen op weg, alsof zij al genezen waren. Zij werden bevrijd van hun
kwaal door hun geloof en hun volgzaamheid.
De melaatsen leren ons bidden. Zij namen hun toevlucht tot
goddelijk medelijden, dat de bron is van alle genade. Zij laten de weg tot
genezing zien, een weg die voor ons allemaal openstaat, ongeacht de soort
melaatsheid die wij in onze ziel meedragen. De les is, dat wij geloof moeten
hebben en volgzaam moeten zijn aan degenen die namens de Heer spreken. Wij
zullen de stem van de Heer vooral horen door middel van geestelijke leiding.
57.2 En onderweg werden zij gereinigd.
Wij kunnen ons makkelijk hun verbazing en vreugde voorstellen. Te midden van al
die opwinding waren zij Jezus helemaal vergeten. Slechts een van de groep, de
Samaritaan, keerde terug naar waar Hij was met zijn leerlingen. Hij ging
waarschijnlijk hardlopend terug. De evangelist zegt dat hij God verheerlijkte met luider stem.
Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus' voeten neer om Hem voor zijn
genezing te danken. Wat een mooie en diepmenselijke reactie! «Wat zijn betere
woorden om in ons hart te dragen, met onze mond uit te spreken, met een pen
neer te schrijven, dan de woorden: 'God zij dank'? Er is geen enkele zin die zo
moeiteloos gezegd kan worden, die met groter vreugde gehoord kan worden,
gevoeld met meer bewogenheid en uitgesproken met groter uitwerking.»6 Dankbaarheid is een schitterende deugd.
Natuurlijk was de Heer verheugd over de dankbaarheid van deze
Samaritaan. Tegelijkertijd was Hij teleurgesteld over de afwezigheid van de
overige negen. Zijn niet alle tien
gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? Jezus toont ons zijn
verwondering bij het verloop van de gebeurtenissen. Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan
alleen deze vreemdeling? Hoe dikwijls heeft Jezus zich dit over
ons afgevraagd? Laten wij vandaag in ons gebed proberen al de keren waarin wij
nalatig en ondankbaar zijn geweest, goed te maken. Ons leven is zeker vol van
goddelijke genezing geweest, van goddelijke uitnodigingen en ontmoetingen. De
heilige Johannes Chrysostomus schreef, dat Gods gaven de zandkorrels op het
strand ruimschoots overtreffen.7
Het is menselijk, dat wij duidelijker voelen wat wij nodig
hebben dan wat wij ontvangen hebben. Dit kan misschien gedeeltelijk verklaren
waarom wij duidelijk niet waarderen wat wij hebben en waarom onze dankbaarheid
onvoldoende kan zijn. Misschien denken wij op een of andere wijze recht te
hebben op een aangenaam bestaan. Wij zijn geneigd de boodschap te vergeten die
de heilige Augustinus uit het evangelieverhaal van vandaag haalde:«Wij zijn
niets, tenzij de zonde die we bezitten, want wat heb je dat je niet gekregen hebt?
(1 Kor 4,7).8 Ons leven behoort een
onophoudelijke daad van dankzegging te zijn. Wij moeten ons dikwijls de vele
natuurlijke en bovennatuurlijke gaven voor de geest halen die God ons heeft
geschonken. Wij mogen onze vreugde niet verliezen wanneer wij in nood zijn.
Deze ervaring van armoede, als alles moeilijk gaat, kan een voorbereiding zijn
op het ontvangen van een groot goed. De psalmist herinnert ons eraan: Gedenkt de wonderen die Hij deed.9 Laten wij niet vergeten, dat de Samaritaan Jezus
Christus leerde kennen door zijn afschuwelijke ziekte. Door zijn dankbaarheid
won de Samaritaan de vriendschap van Christus en de kostbare gave van het
geloof. Sta op en ga heen, uw
geloof heeft u gered. De overige negen die genezen waren,
onthielden zichzelf het beste deel van de grootmoedigheid van de Heer. De
heilige Bernardus leert, dat «aan hem die dankbaar is voor de ontvangen gaven
nog veel meer beloofd zal worden. Aan wie getrouw is in kleine zaken, zullen
terecht grote zaken worden toevertrouwd. Omgekeerd, wie ondankbaar is geweest
voor gunsten, wordt nieuwe gunsten onwaardig.»10
Laten wij de Heer voor alles danken. Wij mogen vol blijdschap
leven in de wetenschap, dat God ons heeft overstelpt met geschenken. «Ben je
nooit getuige geweest van de dankbaarheid van kinderen? -Volg ze na en zeg in
voor- en tegenspoed tot Jezus: Hoe goed bent U! Hoe goed!...»11 Danken wij Jezus voor de kans die wij krijgen dat
wij van zonden gereinigd worden in de biecht? Zijn wij dankbaar voor de
geweldige gave Jezus Christus bij ons te hebben, aanwezig in het tabernakel?
57.3 De
tussenzang van vandaag roept uit: Zingt
voor de Heer een nieuw gezang omdat Hij wonderen deed.12 Als wij vanuit het geloof leven, zullen wij genoeg
redenen tot dankbaarheid vinden. «Er is niemand die niet met wat nadenken kan
ontdekken, dat er nogal wat redenen zijn om God dankbaar te zijn... Wanneer wij
ertoe gekomen zijn om alles wat Hij ons gegeven heeft, op waarde te schatten,
hebben wij een overvloed aan redenen om Hem voortdurend te danken.»13
Veel gaven van God komen via de mensen met wie wij contact
hebben in het dagelijkse leven. In zulke gevallen moet onze dank tot de Heer
via dezelfde mensen gaan. Wij kunnen ons best doen hun leven minder moeilijk te
maken. Wanneer wij hen op deze wijze danken, zullen wij God zelf danken, want
Hij is in alle mensen aanwezig. Wij kunnen erop vertrouwen, dat God onze
pogingen ruimschoots zal vergoeden. «Wij geloven niet, dat onze omgang met
mensen beperkt is tot alleen maar goederen en diensten. In feite is het zo, dat
andere mensen ons kennen en inderdaad ook iets meer geven dan materieel
profijt. Leraren hebben ons les gegeven, anderen hebben ons ons vak geleerd.
Een arts geneest de ziekte van een kind of redt het van de dood. En al die
anderen die ons uitgedeeld hebben van de schatten van hun verstand, hun kennis,
hun kunde, hun goedheid. Dat kan niet betaald worden met bankbiljetten, want
zij hebben hun ziel gegeven. Ook de steenkool die ons warmte verschaft,
vertegenwoordigt de moeizame arbeid van de mijnwerker; het brood dat wij eten,
de vermoeidheid van de boer. Zij hebben ons een stukje van hun leven gegeven.
Wij leven van het leven van onze broeders en zusters. Dat kan niet in geld
worden uitgedrukt. Zij hebben allemaal hun hele hart gelegd in het vervullen
van hun maatschappelijke verplichtingen: zij hebben er recht op, dat ons hart
dat erkent.»14 Wij moeten met name dankbaar zijn
jegens degenen die ons helpen bij het ontdekken van de weg die naar God leidt.
God is blij met de dankbaarheid die wij de mensen betonen die
ons op zoveel manieren in ons dagelijks leven helpen. Soms is het gewoon een
glimlach of een vriendelijk dankjewel om waardering uit te drukken... Het is mogelijk,
dat die negen melaatsen die genezen waren, Jezus in hun hart dankten, maar het
feit blijft, dat zij niet teruggingen zoals de Samaritaan en wij zijn ons ervan
bewust, dat hier iets ontbreekt. Jezus zou het gewaardeerd hebben, als zij het
wel gedaan hadden. Misschien waren zij van plan terug te keren ... Misschien
hadden zij de bedoeling het te doen en daarmee moest de Heer het doen.
Er gaat geen dag voorbij, zonder dat wij een of andere
speciale en buitengewone genade van God ontvangen. Laten wij ons vast voornemen
iedere avond ons gewetensonderzoek te beëindigen met het gebed: Dank U, Heer,
voor alles. Wij kunnen geen dag voorbij laten gaan zonder te bidden om
zegeningen over onze naasten, die op allerlei manieren onze weldoeners zijn.
Gebed is eigenlijk een heel effectieve vorm van dank: Ik dank U, mijn Heer,
voor de goede voornemens, genegenheid en inspiratie die U mij hebt gegeven...
-1. 2 K
5,14-17. -2. Lc
17,11-19. -3. Vgl. Lv
13,45. -4. 2 K 17,24
e.v.; Joh 4,9. -5.
Vgl. Lv 14,2. -6. H. Augustinus, Brief 72. -7. Vgl. H. Johannes
Chrysostomus, Homilieën
over Matteüs, 25,4. -8. H. Augustinus,
Preek 176,
6. -9. Ps 105,5.
-10. H. Bernardus, Commentaar op de Psalm 50, 4,1. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 894. -12. Tussenzang, Ps 98,1-4. -13. H. Bernardus, Preek voor de zesde zondag na Pinksteren,
25,4. -14. G. Chevrot, Mais moi je vous dis...
|