Zevende week. Dinsdag
56. DE HEER, KONING DER KONINGEN
-De psalm van het koningschap en de triomf van
Christus. -Het afwijzen van God in de wereld. -Het goddelijk kindschap.
56.1 Vele generaties lang waren de psalmen een bedding voor de ziel om God
hulp te vragen, Hem te danken, te loven en Hem vergeving te vragen. De Heer
zelf wilde een psalm gebruiken om zich te wenden tot zijn hemelse Vader op de
laatste momenten van zijn leven hier op aarde.1 Het waren de voornaamste gebeden voor de
Joodse families. De heilige
Maagd en sint Jozef zullen in hun onmetelijke vroomheid heel wat psalmen
gebeden hebben. Jezus leerde ze van zijn ouders. Hij maakte ze zich eigen en
gaf ze de volheid van hun betekenis. De Kerk gebruikt de psalmen elke dag in de
liturgie van de mis en zij vormen een belangrijk deel van het gebed -het getijdengebed-
dat de priesters dagelijks uit naam van de gehele Kerk tot God bidden.
Psalm ii werd van oudsher gerekend tot de messiaanse of koninklijke psalmen en
de Kerkvaders en kerkelijke schrijvers hebben deze vaak becommentarieerd, en
hij heeft de vroomheid van veel gelovigen gevoed. De eerste christenen namen
hun toevlucht tot deze psalm om te midden van de tegenstand kracht te vinden.
In de Handelingen der apostelen is ons een getuigenis van dit gebed nagelaten.
Verteld wordt hoe Petrus en Johannes voor het Sanhedrin gebracht werden omdat
zij een lamme die bij de ingang van de Tempel om aalmoezen bedelde, door de naam van Jezus Christus2 genezen hadden.
Toen zij op wonderbare wijze bevrijd waren, keerden zij terug naar hun eigen
mensen en vertelden wat hun overkomen was. Allen tezamen hieven een smeekbede
aan tot de Heer, waarvan deze psalm van het koningschap van Christus het
middelpunt is. Hun gebed luidde als volgt: Heer, Gij zijt het, die hemel en aarde, de zee en alles wat daarin is,
gemaakt hebt, die door de Heilige Geest bij monde van David, uw dienaar, gezegd
hebt: Waarom tieren de volken en zinnen de naties op ijdele plannen? De
koningen der aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de Heer en
tegen zijn Gezalfde.3
De woorden die de psalmist tot God richt bij
het overwegen van de situatie van zijn tempel, zijn profetische woorden die in
vervulling zouden gaan in de tijd van de apostelen, en daarna gedurende het
bestaan van de Kerk en zo ook in onze dagen. Vanuit de realiteit van dit moment
kunnen wij herhalen: Waarom zijn de
volken rumoerig, beramen de naties verzet? Waarom zoveel haat, zoveel
kwaad? Sinds de erfzonde heeft die strijd ononderbroken voortgeduurd: de
machtigen der aarde verenigen zich tegen God en wat van God is. Je hoeft alleen
maar te kijken hoe de waardigheid van Gods schepsel, de mens, op zoveel
plaatsen met voeten getreden wordt, hoe de machtige massamedia zich ten dienste
stellen van het kwaad, te kijken naar de laster en smaad, de abortus van
honderdduizenden schepselen die geen enkele kans hadden te kiezen voor het
menselijke en bovennatuurlijke leven waar God zelf hen toe bestemd had, naar
zoveel aanvallen op de Kerk, tegen de paus en tegen de mensen die trouw willen
zijn aan hun geloof en vanuit die trouw willen leven...
God echter is sterker. Hij is de rots.4 Tot Hem nemen
Petrus en Johannes en de mensen met wie zij toen in Jeruzalem bijeen waren, hun
toevlucht. Daardoor konden zij in alle vrijmoedigheid zijn woord verkondigen.
Toen dat gebed ten einde was -vertelt ons de heilige Lucas in de Handelingen-
voelden allen zich gesterkt. Allen
werden vervuld van de Heilige Geest en verkondigden vrijmoedig het woord Gods.5
Wij kunnen in het overwegen van deze psalm
kracht vinden om de hindernissen te overwinnen die zich kunnen voordoen in een
milieu dat van God verwijderd is, de betekenis van ons goddelijk kindschap en
de blijdschap van het verkondigen van Gods koningschap naar alle windhoeken.
56.2
Dirumpamus vincula eorum... Laat ons hun boeien verbreken, hun
ketenen werpen wij af!6 Het lijkt de weerklank van een algemene klacht. «Zij breken het zoete
juk, ontdoen zich van de last ervan, de wondere last van heiligheid en gerechtigheid,
van genade, van liefde en van vrede. Zij gaan tekeer tegen de liefde, zij
lachen om de ongewapende goedheid van een God die weigert gebruik te maken van
zijn engelenlegioenen om zich te verdedigen (Vgl. Joh 18,36).»7 Die woont in de hemel, Hij lacht, de Heer, drijft
de spot met hen. Dan vaart Hij uit in zijn gramschap en slaat hen met schrik
voor zijn toorn.8 De straf van God wordt niet alleen in het aardse leven voltrokken.
Ondanks de schijnbare triomf van velen die zich verklaren tot of gedragen als
vijanden van God, ligt hun grootste ongeluk, als zij geen berouw hebben, in het
niet begrijpen en nooit bereiken van het echte geluk. Menselijke of
bovenmenselijke voldoening kan de trieste beloning zijn voor het goede dat zij
in de wereld tot stand hebben gebracht. Sommige heiligen hebben over dit alles
gezegd, dat «de weg naar de hel al een hel is». Ondanks alles is de Heer altijd
bereid hen te vergeven, hun de echte vrede en blijdschap te schenken.
De heilige Augustinus wijst er in zijn
verklaring van deze psalmverzen op, dat de toorn van God ook begrepen kan
worden als de verblinding van de geest waarmee zij geslagen worden die de wet
van God op deze wijze onvoldoende naleven.9 Er bestaat geen grotere rampspoed dan God
niet te kennen, Hem de rug toegekeerd te hebben, dan in te stemmen met zijn
eigen leven van dwaling en kwaad.
Niettemin is God, ondanks zoveel schandaligs,
geduldig en Hij wil dat alle mensen
gered worden.11 De wraak van God, waarover de psalm
spreekt, «is niet zomaar kwaadheid omdat iets niet goed gaat; het is de
strengheid die nodig is, zoals bij een vader jegens zijn kind, een arts jegens
zijn patiënt, een leraar tegenover zijn leerling».12 Alles wel
beschouwd is de tijd om over de goddelijke barmhartigheid te beschikken
beperkt: Er komt een nacht en dan kan
niemand werken.13 Met de dood verdwijnt de mogelijkheid
tot berouw.
Paus Johannes Paulus ii heeft aangegeven
dat verwerping van de goddelijke barmhartigheid een opvallend kenmerk van onze
tijd is. Dit is een droevige feitelijkheid die ons voortdurend moet aanzetten
tot de bekering van ons hart; tot een smeken bij de Heer en de vraag aan Hem
naar het waarom van zoveel opstandigheid. Aan iedereen dringt zich het beeld op van
veel mensen die zich afsluiten voor de goddelijke barmhartigheid en de
vergeving van de zonden die zij beschouwen als «niet belangrijk of niet
wezenlijk voor hun leven.» Het is «een ondoordringbaarheid van het geweten, een
zielstoestand die uit vrije keuze verstard lijkt: het is wat de Heilige Schrift
gewoonlijk de hardheid van het hart noemt. In onze tijd weerspiegelt deze gesteltenis van de geest en het
hart zich in het verlies van het zondebesef.»14
Wie Christus van nabij wil volgen, heeft de
plicht eerherstel te brengen voor deze heftige afwijzing van God door zoveel
mensen en wij moeten bidden om een overvloed aan genade en barmhartigheid.
Laten wij bidden, dat deze goddelijke clementie nooit op zal raken. Het is
immers de laatste reddingslijn waaraan de schipbreukeling zich kan vastklampen,
nadat hij iedere andere hulp waardoor hij gered had kunnen worden heeft
afgewezen.
56.3 Op het grote vraagstuk van het mysterie van het kwaad -de
opstandigheid van het schepsel- waarvoor wij komen te staan wanneer wij
nadenken over de vrijheid van de mens, wijst psalm 2 naar de oplossing door het
koninkrijk van Christus -ondanks het kwaad dat bestaat of kan bestaan- te
verkondigen: Heb Ik hem niet gezalfd
tot mijn koning op de Sion, mijn heilige berg? Zo gewaag ik van 's Heren
besluit; Hij sprak tot mij: gij zijt mijn zoon, Ik riep u heden in het leven.15
«De barmhartigheid van God onze Vader heeft ons
zijn Zoon tot Koning gegeven. Wanneer Hij dreigt, laat Hij zich vermurwen; Hij
kondigt zijn toorn aan en levert ons zijn liefde uit. Gij zijt mijn Zoon, zegt
Hij tot Christus. Ook tot ons, tot jou en tot mij, zegt Hij, jullie zijn mijn
kinderen, mits wij besluiten alter
Christus, ipse Christus te worden, de andere
Christus, Christus zelf. Het hart dat ontroerd is over de goedheid van God, is
welsprekender dan de mond. Hij zegt ons: Gij zijt mijn kind. Niet een vreemdeling,
niet een goed behandelde dienaar, niet een vriend, wat al heel wat zou zijn.
Kind!»16 Dat is onze toevlucht: het goddelijk kindschap. Daarin vinden wij de
benodigde kracht voor alle moeilijkheden: moeilijkheden van een milieu dat soms
vijandig staat tegenover het christelijk leven, de bekoringen die de Heer
toelaat, opdat wij ons geloof en onze liefde opnieuw bevestigen.
God onze Vader vinden wij altijd heel dichtbij.
«Zijn aanwezigheid is als een hardnekkige geur die nooit die kracht verliest
waarmee hij overal doordringt, zowel in het binnenste van de harten die Hem
aanvaarden, als daarbuiten, in de natuur, in de dingen, in een menigte. God is
daar, Hij hoopt ontdekt, geroepen te worden. Hij hoopt, dat men zich rekenschap
van Hem geeft.»17
Vraag Mij, Ik geef u de
volken als erfdeel, schenk u de aarde als eigendom.17 Elke dag zegt de
Heer ons: Vraag Mij. In het bijzonder in de ogenblikken waarin de genade werkzaam is na de
communie. Vraag Mij, zegt Jezus ons. Hij verlangt ernaar zich te geven en dat wij ons aan
Hem geven.
De heilige Johannes Chrysostomus verklaart deze
woorden van de psalm en onderricht, dat Hij ons niet nu land belooft dat
overvloeit van melk en honing, noch een lang leven, noch een rijk nageslacht,
noch graan, noch wijn, en geen kudde, maar de hemel en de weldaden van de
hemel: het goddelijk kindschap, de Eniggeborene als broer, het deelhebben in zijn
erfdeel, verheerlijkt met Hem verbonden zijn en met Hem heersen.18
Ik breek hun verzet met
ijzeren scepter, sla hen in stukken als potten van klei. Weest nu verstandig,
gij vorsten, heersers der aarde, weet wat ge doet. Dient de Heer met ontzag,
kust Hem bevend de voeten.19 Christus heeft gezegevierd, en voor altijd. Met zijn dood aan het
kruis heeft Hij voor ons het leven gewonnen. Volgens het getuigenis van de
kerkvaders is de ijzeren roede het kruis, «dat gemaakt is van hout, maar sterk
is als staal».20 Het is de banier van de christen, waarmee wij in elke veldslag zullen
overwinnen: de hinderpalen zullen blijken lemen kruiken te zijn. Het kruis in ons
verstand, op onze lippen, in ons hart, in alles wat wij doen: dat is het wapen
om te overwinnen. Ofwel: een leven van soberheid en versterving, zonder te
vluchten voor het beminnelijke offer dat ons verenigt met Christus.
De psalm eindigt met een oproep aan ons trouw
te blijven op de weg, met vertrouwen op de Heer. Dient
de Heer met ontzag, [...] en weest de zoon onderdanig, opdat hij niet zich
vertoornt en gij omkomen zoudt op uw weg. Want licht kan ontbranden zijn
gramschap! Gelukkig te prijzen dan allen die toevlucht vinden bij Hem!21 Wij hebben al
ons vertrouwen gesteld op de Heer. De heilige Engelbewaarders, de trouwe
dienaren van de Heer, vragen wij, dat zij ons elke dag bewaren in een grotere
trouw en liefde tot de eigen roeping, door het koninkrijk te dienen van zijn
Zoon, waartoe wij geroepen zijn.
-1. Vgl. Mt 27,46. -2. Hnd 4,1-33. -3. Vgl. Hnd 4,23-26. -4. 1 Kor 10,4. -5. Hnd 4,29-31. -6. Ps 2,3. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 185. -8. Ps 2,4-5. -9. H. Augustinus, Commentaar op de psalmen, 2,4. -10. 1 Tim2,4. -11. H. Hiëronymus, Breviarium in
Psalmos II. -12. Joh 9,4. -13. Johannes Paulus ii,
Enc. Dominum et vivificantem, 46-47. -14. Ps 2,6-7. -15. H. Jozefmaria
Escrivá, o.c., 185. -16. Ps 2,8. -17. M. Eguíbar, ¿Por qué se amotinan las
gentes? (Salmo II), bl. 27-28. -18. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
16,5. -19. Ps 2,9-11. -20. H. Athanasius, Commentaar op de Psalmen, 2,6. -21. Ps 2,11-12.
|