Drieëndertigste week. Maandag
40. De Heer weigert nooit zijn genade
-De vurigheid van het gebed vermeerderen in
ogenblikken van duisternis. -Geestelijke leiding, de gebruikelijke weg
waarlangs God in de ziel te werk gaat. -Geloof in en bovennatuurlijke dimensie
van dit middel tot innerlijke groei.
40.1 Toen Jezus Jericho naderde, zat er langs de weg een blinde te bedelen, lezen we in het evangelie van de Mis.1
Sommige kerkvaders merken op dat die blinde aan
de poort van Jericho het beeld is «van degene die de helderheid van het eeuwige
licht niet kent»2, want de ziel kan somtijds
momenten van blindheid en duisternis doormaken. De vlakke, open weg die hij
ontwaarde, kan op een dag vaag en minder duidelijk worden, en wat voorheen
licht en vreugde was, wordt dan diepe duisternis die het hart bedroefd. Vaak
wordt zulk een toestand veroorzaakt door persoonlijke zonden waarvan de
gevolgen nog niet geheel zijn weggenomen, of door gebrek aan meewerken met de
genade: «Misschien vormt het stof dat wij bij het lopen doen opdwarrelen -onze
armzaligheid- een dichte wolk, die het licht niet laat doordringen».3 In andere gevallen staat de Heer zo'n moeilijke
situatie toe om de ziel te zuiveren, haar in nederigheid en vertrouwen in Hem
te doen rijpen. Het is logisch dat in zulke omstandigheden alles meer moeite
kost, dat de duivel de droefheid heviger tracht te maken of van dit ogenblik
van innerlijke onrust gebruik wil maken.
Waar deze toestand ook vandaan komt, als wij er
ooit in terecht komen, wat moeten we dan doen? De blinde van Jericho -Bartimeüs, de zoon van Timeüs-4 leert het ons: we moeten ons tot de
Heer wenden, die altijd nabij is, ons gebed intensiveren opdat Hij zich over
ons zal ontfermen en medelijden met ons krijgt. Hij hoort ons altijd, ook al
lijkt Hij zijn weg te vervolgen en ons achter te laten. Hij is niet ver. Maar
het kan gebeuren, dat ons overkomt wat ook Bartimeüs overkomen is: Die voorop liepen, snauwden hem toe te zwijgen. De blinde ondervond steeds meer moeilijkheden om bij Jezus te komen
en «wanneer wij willen terugkeren tot God, dan komen juist die zwakheden waarin
we vervallen zijn, in ons hart, bedekken het begripsvermogen, brengen de geest
in verwarring en zouden de stem van onze gebeden willen uitdoven.»5 Het is de druk van de zwakte of de zonde die zich
doet voelen.
Laten we het voorbeeld van de blinde nemen: Maar hij riep nog veel harder: Zoon van David, heb
medelijden met mij. «Daar heb je het nu: terwijl de
menigte hem berispte dat hij moest zwijgen,
verheft hij steeds luider zijn stem; zo ook met ons [...]. Hoe groter de
innerlijke verwarring is, hoe groter de moeilijkheden die we tegenkomen, met
des te meer kracht moet het gebed uit ons hart opstijgen.»6
Jezus bleef staan terwijl Hij de indruk wekte
zijn tocht naar Jeruzalem te vervolgen, en Hij liet de blinde bij zich roepen. Wat wilt ge dat Ik voor u doe? Hij zei: Ut videam,
Heer, maak dat ik zien kan. En terstond kon hij
zien en volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte.
Soms zal het moeilijk zijn de oorzaken te
achterhalen waarom de ziel zo'n moeilijke situatie moet doorstaan waarin alles
meer moeite lijkt te kosten. We weten niet waar het vandaan komt, maar wel
kennen wij het altijd werkzame geneesmiddel: het gebed. «Als we in duisternis
verkeren, onze ziel blind en in onrust is, moeten we zoals Bartimeüs naar het
Licht gaan. Herhaal, roep, dring steeds harder aan: Domine, ut videam! -Heer, laat mij zien!...
En voor je ogen zal het weer dag beginnen te worden, je zult weer kunnen
genieten van het heldere licht dat Hij je schenken zal.»7
40.2 Jezus, de Heer van alle dingen, kon de
zieken genezen -Hij kon immers elk wonder bewerkstelligen- op de wijze die Hij
het meest geëigend achtte. Sommigen heeft Hij met een enkele zin, een eenvoudig
gebaar, op afstand genezen... Bij anderen deed Hij dat in fasen, zoals bij de
blinde over wie Johannes ons spreekt...8 Thans
geeft Hij de zielen veelal het licht door middel van andere mensen. Toen de
Wijzen in duisternis verkeerden, omdat de ster die hen van zo ver had geleid,
verdwenen was, deden zij wat het gezond verstand hun ingaf: navraag doen bij
wie zou moeten weten waar de koning der joden geboren was. Zij vroegen daarom
naar Herodes. «Wij, christenen, hebben het echter niet nodig bij een Herodes of
de wijzen van de wereld te rade te gaan. Want Christus heeft zijn Kerk de
veilige leer en de genadestroom van de sacramenten gegeven. Hij heeft het zo
beschikt, dat er mensen zijn die ons de weg wijzen, ons leiden en ons
voortdurend aan de juiste weg herinneren [...]. Als de Heer toelaat dat wij de
weg niet vinden in de duisternis, ook in kleine dingen, als wij bemerken dat
ons geloof niet sterk is, dan moeten wij onze toevlucht zoeken bij de goede
herder [...]. Hij geeft zijn leven voor de anderen. Hij wil door woord en daad
getuigen dat zijn hart vol liefde is. Misschien is ook hij een zondaar, maar
hij vertrouwt altijd op de vergeving en de barmhartigheid van Christus.»9
Gewoonlijk is
niemand in staat zichzelf te leiden zonder een uitzonderlijke
hulp van God. Het gebrek aan objectiviteit waarmee we onszelf bezien, de hartstochten...
maken het moeilijk, wellicht onmogelijk, om die -soms kleine, maar wel veilige-
paden te vinden die ons in de juiste
richting zetten. Daarom heeft de Kerk, die altijd een moeder is, vanaf
de vroegste tijden het voorname middel tot innerlijke vooruitgang aangeraden:
de geestelijke leiding. Laten we geen buitengewone genade verwachten in
normale dagen en evenmin in die dagen waarin we meer behoefte hebben aan licht
en helderheid, als wij die middelen die de Heer binnen ons bereik heeft gesteld
niet zouden willen benutten. Hoe vaak verwacht Jezus niet oprechtheid en gehoorzaamheid van de ziel om het
wonder te kunnen bewerkstelligen! De Heer ontzegt zijn genade nooit of te nimmer als wij in gebed tot Hem gaan,
en evenmin in de middelen waarmee Hij zijn genade uitstort.
Met de nederigheid die de heiligen eigen is,
schreef de heilige Teresia: «Wij zouden voortdurend moeten bidden voor hen die
ons licht geven. Wat zouden we zonder hen zijn te midden van zo grote stormen
die de Kerk nu teisteren?»10 De heilige Johannes
van het Kruis merkte op gelijke wijze op: «Wie alleen wil zijn, zonder steun of
leiding, is als een boom die alleen, zonder eigenaar, in het veld staat;
hoeveel vruchten hij ook krijgt, de voorbijgangers zullen ze plukken en hij zal
niet tot bloei komen. De boom echter, die verzorgd en beschermd wordt door de
goede zorgen van zijn eigenaar, zal vruchten geven op de tijd dat men het van
hem verwacht. Een ziel die alleen is, zonder meester, ook al is ze deugdvol, is
als een ontstoken kool die alleen is; men zal er eerder kou dan vuur van
ondervinden.»11
Laten we altijd tot de Heer gaan, met intenser
gebed naarmate de inwendige of uitwendige
moeilijkheden groter zijn, als deze
ons trachten te beletten ons tot Jezus te wenden, die voorbijgaat.
Laten we steeds die gewone middelen benutten, waardoor Hij zo grote wonderen bewerkt.
40.3 Wij zullen de geestelijke leiding
benutten vanuit de intentie te leren leven volgens de goddelijke wil. Zelfs met
de heilige Paulus wilde God, ondanks het buitengewone begin van zijn roeping,
nadien de normale weg bewandelen, dat wil zeggen: hem vormen en zijn wil omvormen
via anderen. Ananias legde hem de handen op en op hetzelfde ogenblik vielen hem als het ware de schellen van de ogen.
Hij zag weer.12
In degene die ons helpt, zien wij Christus zelf
die onderricht, verlicht, geneest en voedsel
aan onze ziel schenkt om zijn weg te volgen. Zonder deze
bovennatuurlijke betekenis, zonder dit geloof zou de geestelijke leiding zonder
kracht zijn. Zij zou iets volledig anders worden: een uitwisseling van meningen
misschien. Dit middel is een grote hulp en schenkt veel sterkte, wanneer we
werkelijk Gods wil met ons willen onderzoeken en ons daarmee vereenzelvigen.
Laten we in de geestelijke leiding niet iemand zoeken die onze tijdelijke
problemen kan oplossen; hij zal ons helpen om ze te heiligen, nooit om ze te
organiseren of op te lossen. Dat is niet zijn zaak.
Het besef dat wij via die persoon, die op een
bijzondere genade van God mag rekenen, tot Christus zelf naderen, zal ons vertrouwen,
onze fijnzinnigheid, eenvoud en oprechtheid bepalen in dit middel, de
geestelijke leiding. Bartimeüs kwam naar Jezus toe als iemand die naar het
Licht, het Leven, de Waarheid, de Weg toe gaat. Zo moeten ook wij doen, omdat
de geestelijke leidsman een werktuig is van de Heer, door middel van wie Hij
ons genade schenkt, gelijk aan die welke wij zouden hebben verkregen als we Hem
op de wegen van Palestina hadden ontmoet. In een voortdurende geestelijke
leiding wordt de ziel langzamerhand gesmeed; en stap voor stap, met vallen en
opstaan, bouwen wij het bovennatuurlijke bouwwerk van de heiligheid op. «Heb je
gezien hoe ze dit machtige bouwwerk hebben laten oprijzen? -Een baksteen, en
nog een. Duizenden bakstenen! Maar één voor één. -En zakken cement, één voor
één. En blokken steen, waarvan elk op zich, vergeleken met het geheel, weinig
voorstelt. -En brokken ijzer. -En arbeiders die dag in dag uit evenveel uren
werken...
»Heb je gezien hoe ze dit machtige bouwwerk
opgetrokken hebben?... -Door almaar kleine dingen!»13
Een schilderij komt penseelstreek na penseelstreek tot stand, een boek wordt
bladzijde voor bladzijde geschreven, met geduldige liefde, en een kabel die een
groot gewicht kan torsen is uit een oneindig aantal vezels geslagen.
Als we het middel van de geestelijke leiding
goed benutten, zullen we ons voelen als Bartimeüs, die Jezus op zijn weg volgde
terwijl hij God verheerlijkte, vol vreugde.
-1. Lc 18,35-43. -2. Vgl. H. Gregorius de Grote, Homilieën over de Evangelies, I,2,2. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 34. -4. Mc 10,46-52. -5. H. Gregorius de Grote, o.c., I,2,3. -6. Vgl. Ibidem, I,2,4. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 862. -8. Vgl. Joh 9,1 e.v. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu
langs komt, 34.
-10. H. Teresia van Avila, Leven, 13,10. -11. H. Johannes van het Kruis, Dichos de luz y de amor.
-12. Vgl. Hnd 9,17-18. -13. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 823.
|