Vierendertigste week. Maandag
47. De arme weduwe
-Geen grenzen
stellen aan de edelmoedigheid. -Onvoorwaardelijke
overgave. De Heer niets ontzeggen. -Edelmoedigheid van God.
47.1 Groot waren de offers die men de Heer
dagelijks in de tempel van Jeruzalem bracht. Sommige hadden betrekking op de
producten van het land als teken van de goddelijke opperheerschappij over al
het geschapene. Ze bestonden uit meel en olie, aren of gekookt brood, die
vervolgens bewierookt werden als uitdrukking van het verlangen, dat ze de Heer
welgevallig mochten zijn.1 Een deel van de
offergave werd op het altaar verbrand, een ander deel werd door de priester in
het binnenste van de tempel opgegeten.2 De
«holocaust», het brandoffer, was een offer waarbij het slachtdier (een lam, een
vogel...) dat tevoren was gewijd, volledig werd vernietigd, bijna altijd door
middel van vuur. «Holocaust» betekent immers, dat tijdens het offer het
slachtdier volledig werd verbrand. Ten tijde van de Heer werden er
's ochtends en 's middags offers gebracht; vandaar dat men het een eeuwig offer3 noemde. Het was de voorafbeelding van het
offer dat nog zou komen, het eucharistisch offer.
Als offergave en tevens voor het onderhoud van
de tempel wierpen de joden ook hun aalmoezen in een voor allen zichtbare
plaats, de schatkist. Op een dag bevond Jezus zich bij deze plek en keek toe hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel
in liet vallen.4 Hij
zag ook hoe een arme weduwe naderbij kwam en er twee kleine munten in wierp.
Marcus heeft ons zelfs gewezen op de waarde van die muntstukken: ter waarde van een cent,
een onbetekenend bedrag. Toch raakte de Heer ontroerd bij de stap die deze
vrouw zette, want Hij begreep aanstonds dat dit alles voor haar betekende. Haar
offer was voor God voornamer dan dat van alle anderen. Die arme weduwe gaf
immers alles wat zij bezat, alles waar
ze van leven moest. De anderen hadden gegeven van
wat hun overschoot, zij daarentegen van wat zij nodig had. Zij zal haar offer
hebben gebracht met grote liefde, met een groot vertrouwen in de Goddelijke
Voorzienigheid en God zal haar hebben beloond, ook reeds tijdens haar dagen
hier op aarde. De heilige Augustinus tekent aan: «Zij wierpen er veel in van
het vele dat zij bezaten; zij wierp er alles in wat zij bezat. En zij had veel,
want zij had God in haar hart. God in de ziel bezitten is meer dan goud in de
ark. Wie heeft er meer in geworpen dan die weduwe, die niets voor zichzelf
behield?»6 Wij leren vandaag door deze passage
uit het evangelie van de heilige Mis, dat we niet bevreesd moeten zijn om
edelmoedig te zijn met God en goede werken in dienst van de Heer en de ander,
en zelfs niet bang om dat te offeren wat ons voor het levensonderhoud
noodzakelijk schijnt. En wat hebben we in feite maar weinig nodig! Aan God
moeten wij aanbieden wat wij zijn en wat wij hebben, zonder ook maar een klein
deeltje voor onszelf te behouden. Er bestaat een oud gezegde dat zegt, dat men
God kan veroveren met het laatste muntstuk. Is er iets in ons hart dat niet aan
de Heer toebehoort? Tijd, goederen, vrienden...? Wat vraagt Jezus nu van ons? Met
welke dingen zouden we misschien moeten kappen of ze naar het tweede plan
verschuiven?
Zoveel vreugde bracht dat gebaar van de vrouw
bij de Heer teweeg, dat Hij meteen de behoefte voelde het aan zijn leerlingen
te vertellen.7 Dezelfde vreugde ondergaat zijn
hart, wanneer wij ons geheel en al aan Hem overgeven. «Het Rijk Gods heeft geen
prijs, en toch kost het je precies wat je hebt [...]. Petrus en Andreas heeft het
een boot en enkele netten gekost; de weduwe kostte het twee zilveren
muntstukjes (vgl. Lc 21,2); een ander een glaasje fris water (vgl. Mt 10,42)...»8
47.2 Tijdens zijn prediking in de drie
jaren van zijn openbare leven, en met name door zijn overgave aan lijden en
dood, roept de Heer zijn volgelingen op om zich aan God de Vader aan te bieden,
niet meer door middel van het offeren van dieren, vogels of vruchten van het
land maar door het offeren van zichzelf. De heilige Paulus zal dit de eerste
christenen van Rome in herinnering roepen: En nu, broeders, smeek ik u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe
als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de
geestelijke eredienst die u past.9 Met name in de heilige Mis kan en moet de christen
zich aanbieden tezamen met Christus, want «opdat de offergave waarmee de
gelovigen tijdens dit Offer het goddelijk slachtoffer aan de hemelse Vader
aanbieden, haar volle kracht kan verkrijgen [...], moeten zij zichzelf offeren
als offerdier [...] en zich, vurig verlangend om aan Jezus Christus die zo bittere
pijnen heeft geleden gelijk te worden, aanbieden als geestelijk offerdier met
en door de eeuwige Hogepriester.»10
Deze overgave wordt dagelijks verwezenlijkt,
gewoonlijk in kleine daden, vanaf de zorg om bij het begin van de ochtend de
dag aan te bieden tot en met de kleine attenties
die het samen leven met anderen vereist; met het hart steeds gericht op
wat de Heer van ons wil vragen, met een bereidheid om Hem niets te ontzeggen.
Onze overgave moet volkomen zijn, onvoorwaardelijk. In een van de oudste
geschriften van de eerste christenheid wordt het volgende verteld: wanneer een
man enkele uitstekend vervaardigde vaten met goede wijn vult maar enkele
daarvan slechts voor de helft, zal hij, wanneer hij ze later opnieuw
inspecteert, niet de vaten die hij helemaal had gevuld onderzoeken -want hij
weet dat de daar bewaarde wijn goed blijft- maar zal hij naar de vaten kijken
die half leeg zijn, omdat hij terecht vreest dat de wijn daarin verzuurd is.11 Hetzelfde gebeurt met onze zielen. De 'halve
overgave' verbreekt uiteindelijk de vriendschap met de Meester. Alleen een
volledige edelmoedigheid zal ons in staat stellen het ritme van zijn stappen te
volgen. Anders zullen we ons verder van Hem verwijderd zien en wordt Hij
slechts een verre en vage gestalte. Als een christen in overeenstemming met
zijn geloof wil leven, zal hij moeten besluiten om God zonder enig voorbehoud
toe te behoren; en God mag van geen enkel terrein worden uitgesloten. Zo wordt
de Heer het middelpunt van heel de genegenheid en droomwereld van de leerling.
Deze overgave van wat we zijn en hebben, wordt iedere dag verwezenlijkt in de
trouw, in de kleine dingen, in onze verplichtingen jegens de Heer en de ander.
Laten we niet bevreesd zijn om alles wat we
hebben ter beschikking van Jezus te stellen. Laten we niet aarzelen onszelf
volledig te geven. «Als de schijnheiligen rondom u twijfelen of de Heer het
recht heeft zoveel te eisen, moet u zich niet van de wijs laten brengen. Integendeel,
zoek de aanwezigheid van God, zonder voorbehoud, volgzaam, als leem in de hand van de pottenbakker (Jer 18,6) en belijd Hem in onderdanige genegenheid: Deus meus et omnia! Gij
zijt mijn God en mijn Al.»12
47.3 Een oude Oosterse legende vertelt hoe
iedereen die de koning ontmoette, verplicht was hem een geschenk aan te bieden.
Op een dag ontmoette een arme boer de monarch. En aangezien hij niets bezat om
hem aan te bieden, deed hij een beetje water in de holte van zijn hand en bood
de vorst dit allereenvoudigste geschenk aan. De koning -een buitengewoon man!-
was zeer verblijd door de goede wil die zijn onderdaan toonde en hij gaf opdracht
om hem ter beloning een kom vol gouden munten te geven.
De Heer, edelmoediger dan alle koningen ter
wereld, beloofde het honderdvoudige in dit leven en later het eeuwige leven.13 Hij wil dat wij ook reeds in dit leven gelukkig
zijn: zij die Hem edelmoedig volgen, verkrijgen reeds hier op aarde een vreugde
en vrede die de menselijke vreugde en troost verre overstijgen. Deze vreugde is
een voorbode van de hemel. Hem nabij hebben is reeds de beste beloning. «Hij is
zo dankbaar -schrijft de heilige Teresia- dat een oogopslag, als we aan Hem
denken, niet onbeloond blijft.»14
De Heer verwacht elke dag het eenvoudige aanbod
van ons werk, van de kleine moeilijkheden die we altijd tegen zullen komen, van
de echt beleefde naastenliefde, van de tijd die we ten gunste van anderen
hebben besteed, van de edelmoedige aalmoes... Bij deze dagelijkse overgave aan de
ander «moeten we verder gaan dan alleen de strikte rechtvaardigheid, naar het
voorbeeldige gedrag van de weduwe die ons leert hoe we edelmoedig moeten geven,
zelfs van wat tot de eigen levensbehoeften behoort. We zullen vooral voor ogen
moeten houden, dat God de menselijke daden niet meet met een maat die blijft
steken in de schijn van 'hoeveel' we hebben gegeven. God meet naar de maatstaf
van de inwendige waarden van 'hoe' we ons ter beschikking van de naaste
stellen: een maatstaf volgens de graad van liefde waarmee we ons uit vrije wil
aan het dienen van onze broeders geven.»17
Onze offers aan God, vaak ogenschijnlijk van zo
weinig belang, zullen nog beter de Heer bereiken als we ze aanbieden via onze
Vrouwe. Zoals de heilige Bernardus aanbeveelt: «Dat weinige wat ge wilt
aanbieden, poog dat in de bekoorlijke en alle achting waardige handen van Maria
te leggen, opdat het de Heer wordt aangeboden zonder gevaar te lopen door Hem
te worden afgewezen.»18
-1. Vgl. Lev 2,1-2;14-15. -2. Vgl. Lev 6,7-11. -3. Vgl. Dan 8,11. -4. Mc 12,41. -5. Vgl. Lc 21,1-4. -6. H. Augustinus, Preek 107 A. -7. Vgl. Mc 12,43. -8. H. Gregorius de Grote, Homilie 5 over de evangelies. -9. Rom 12,1. -10. Pius xii, Enc. Mediator Dei, 20 november 1947, 25. -11. Vgl. Pastor
Hermas, Mandata, 13,5,3. -12. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 167. -13.
Vgl. Lc
18,28-30. -14. H. Teresia van Avila, Weg der volmaaktheid,
23,3. -15. 1 Kor 10,31. -16. Kol 3,17. -17. Johannes
Paulus ii, Homilie, 10 november 1985. -18. H. Bernardus, Homilie bij de Geboorte van de H. Maagd Maria, 18.
|