Veertiende week door het jaar. Dinsdag
59. De ascetische strijd
-Vele gevechten worden elke dag in de harten van de mensen
gevoerd. De voortdurende hulp van de Heer in de strijd. -Dagelijkse inspanning,
die zowel opgewekt is als nederig, is nodig als we Christus willen volgen. -Vaak
opnieuw beginnen. Toevlucht tot de heilige Maagd, onze Moeder.
59.1 De mysterieuze
worstelwedstrijd van Jakob met de engel in mensengedaante aan de oevers van de
rivier Jabbok markeert een centraal keerpunt in het leven van de aartsvader.
Tot dan toe had Jakob zich op een al te menselijke manier gedragen, vertrouwend
op zuiver natuurlijke middelen. Vanaf dat moment zou hij zijn vertrouwen
bovenal in God stellen, die in hem zijn verbond met het uitverkoren volk
bevestigde.
Jakob was alleen door de kracht die God hem gaf in staat die
wedstrijd te winnen, en de les die uit deze gebeurtenis moet worden getrokken
was, dat Gods zegen en bescherming nooit onvoldoende zouden zijn bij ook maar
één van de moeilijkheden die zouden plaatshebben.1
Het Boek Wijsheid drukt het als volgt uit: Zij deed hem zegevieren
in een zware strijd, opdat hij zou weten dat vroomheid machtiger is dan alles.2
Voor de Kerkvaders is deze scène uit het Oude Testament een
beeld van de geestelijke strijd die de christen moet volhouden tegen zeer
superieure krachten, en tegen zijn eigen hartstochten en neigingen, die de
mensheid naar het kwade hebben doen overhellen nadat de erfzonde was begaan. De
heilige Paulus waarschuwt ons dat onze strijd niet gaat
tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de
wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelen.3 Dit zijn de opstandige engelen, die al door Christus
zijn overwonnen, maar die niet zullen ophouden de mens op te hitsen tot het
kwade tot het allerlaatste moment van zijn leven op aarde. Elke dag zijn er
twisten in onze harten, leert de heilige Augustinus ons. Iedere mens vecht in
zijn ziel tegen een heel leger. De vijanden zijn trots, hebzucht, gulzigheid,
zinnelijkheid, luiheid. En, voegt de heilige eraan toe, het is moeilijk te
vermijden dat deze aanvallen ons verwonden.4
Niettemin kunnen wij zeker van de overwinning zijn als we gebruik maken van de
middelen die God ons heeft gegeven, namelijk gebed, versterving, volledige
oprechtheid in de geestelijke leiding, de hulp van onze engelbewaarder en,
bovenal, van onze Moeder Maria. Bovendien, «als Hij die zelfs zijn leven voor
ons heeft gegeven de rechter in deze strijd is, hoe zouden wij dan niet oprecht
trots en vol vertrouwen kunnen zijn?
»Bij de Olympische Spelen stelt de scheidsrechter zich tussen
de beide tegenstanders op en wacht de uitslag af zonder een van hen te
bevoordelen. Als de scheidsrechter zich op gelijke afstand van de twee
strijders opstelt, dan doet hij dat om neutraal te kunnen blijven. In de strijd
die wij met de duivel moeten voeren, blijft Christus niet onpartijdig. Hij
staat helemaal aan onze zijde. Hoe kan dat? U kunt zien, dat Hij vanaf het
ogenblik waarop we de lijsten invulden» -dit zijn woorden gesproken door
Johannes Chrysostomus tot een aantal christenen op de dag van hun doopsel- «ons
zalfde, terwijl Hij tegelijkertijd de anderen aan ketenen vastbond. Ons heeft
Hij gezalfd met de olie van gelukzaligheid, en de duivel heeft Hij met
onverbrekelijke boeien geketend om zijn aanvallen op niets te doen uitlopen.
Als ik struikel, strekt Hij zijn hand naar mij uit: Hij richt mij uit mijn
gevallen toestand op en zet mij weer op de been.»5
Hoeveel bekoringen, moeilijkheden of rampspoeden ons echter
ook mogen overvallen, Christus is voor eeuwig onze zekerheid. Hij verlaat ons
niet. Hij blijft niet neutraal! Hij staat altijd aan
onze kant. Wij kunnen allemaal met de heilige Paulus zeggen: Omnia possum in eo qui me confortat, ik kan alles doen in
Christus die mij sterker maakt, die mij de hulp geeft die ik nodig heb, indien
ik me maar naar Hem keer en de middelen gebruik die Hij heeft ingesteld.
59.2 Een bergbeklimmer klom naar
een schuilgelegenheid hoog in de bergen. Het pad werd steiler en steiler en het
was soms moeilijk voor hem om de volgende stap omhoog te zetten; de ijzige wind
sloeg tegen zijn gezicht, maar hij was er zich niet van bewust wegens de indruk
die de grote stilte die overal heerste op hem maakte, en door de schoonheid van
het landschap. De schuilplaats, die eenvoudig was en ruw uitgehouwen, was zeer
uitnodigend. Zeer spoedig bemerkte hij boven de open haard enkele geschreven
woorden, woorden waarmee hij zich volledig kon vereenzelvigen: «Mijn plaats is
op de top.» Dat is ook onze plaats: op de top, naast Christus, met een vastberaden
verlangen om de heiligheid na te streven op de plaats waar we zijn, zelfs al
zijn we ons zeer goed bewust van onze tekortkomingen en mislukkingen, van
alleen maar van klei te zijn gemaakt. Maar we weten ook dat God ons vraagt elke
dag een kleine inspanning te doen. Hij vraagt ons zonder ophouden te vechten
tegen de hartstochten die de neiging hebben ons naar beneden te trekken. Hij
vraagt ons nooit een verbond met onze gebreken en vergissingen te sluiten. Wat
ons zal doen volhouden in deze strijd is de liefde, een diepe liefde voor
Christus, die we onophoudelijk zoeken.6
De ascetische strijd van de christen moet positief zijn, opgewekt,
vastberaden, en met een sportieve geest worden voortgezet, een geest van een wedstrijd vol
actie. «Heiligheid heeft de flexibiliteit van soepele spieren. Wie heilig wil
worden weet zich zo te ontwikkelen, dat hij, terwijl hij het ene doet wat hij
vervelend vindt, het andere nalaat -als dat geen belediging van God is- wat hem
ook moeite kost. En hij brengt de Heer dank, omdat hij het wel aangenaam vindt.
Als wij, gelovigen, op een andere manier handelen, lopen wij het risico stram
te worden, zonder leven, als een speelpop.
»Heiligheid is niet stram als karton, weet te glimlachen, toegeeflijk
te zijn en te wachten. Het is leven: bovennatuurlijk leven.»7
In de innerlijke strijd zullen we ook mislukkingen ervaren. Vele
van die mislukkingen zullen onbelangrijk zijn; andere zullen ernstiger zijn,
maar onze boetedoening en ons berouw zullen ons nog dichter bij God brengen. En
als we ooit dat, wat we in ons leven als het kostbaarste beschouwden, volledig
kapot maken, zal God in staat zijn juist dat te herstellen als we nederig zijn.
Hij vergeeft ons en helpt ons altijd als we ons met een berouwvol hart tot Hem
wenden. Wij moeten leren vele keren opnieuw te beginnen; met nieuwe vreugde,
met nieuwe nederigheid, want zelfs als we God zwaar hebben beledigd en andere
mensen veel leed hebben toegebracht, kunnen we naderhand in dit leven nog
steeds dicht bij God komen en gelukkig met Hem zijn in het volgende leven,
zolang als er echt berouw is, zolang als we plaats maken in ons leven voor
boete, nederigheid, oprechtheid en berouw... en opnieuw beginnen.
God houdt rekening met onze zwakte en vergeeft ons altijd,
maar we moeten oprecht zijn, berouw hebben, en strijden om opnieuw op te staan.
Er is een onvergelijkbare vreugde in de hemel telkens als we opnieuw beginnen.
Wij zullen dit vele malen moeten doen gedurende onze tocht op aarde, omdat er
altijd fouten, tekortkomingen, zwakheden en zonden zullen zijn waarvan wij ons
moeten herstellen. Mogen we nooit de openheid missen dit te erkennen en onze
zielen voor de Heer in het tabernakel en in de geestelijke leiding openen.
59.3 In het algemeen zal de
dagelijkse strijd van de christen in zeer kleine zaken bestaan. Sterkte zal
nodig zijn om met oprechte inspanning onze daden van vroomheid te vervullen en
ze niet achterwege te laten, wat zich in de loop van de dag ook voordoet, en
ons dus niet te laten meeslepen door onze gemoedstoestand van het ogenblik. De
manier waarop wij de naastenliefde beleven, plotseling opkomend slecht humeur
overwinnen, een inspanning doen om innemend te zijn, goed gehumeurd en voorkomend
tegenover anderen... zullen belangrijk zijn, zoals ook onze inspanningen om het
werk dat we aan God hebben opgeofferd af te maken, zonder iets over te slaan of
in te korten, het zo goed mogelijk te doen als we maar kunnen en de middelen
gebruiken om de vorming te verkrijgen die we nodig hebben.
Er zullen ogenblikken zijn van zege en van mislukking, van
vallen en van opnieuw opstaan. We moeten altijd opnieuw beginnen; God vraagt
dat van ons allemaal. De strijd vraagt een liefde die waakzaam is en een
doeltreffend verlangen om heel de dag door God te zoeken. Deze opgewekte strijd
is precies het tegenovergestelde van lauwheid, die gekenmerkt wordt door slordigheid,
een gebrek aan interesse God te zoeken, luiheid en droefheid in het vervullen
van onze plichten tegenover God en andere mensen.
In deze strijd kunnen we altijd rekenen op de hulp van Maria,
onze Moeder, die onze tocht naar haar Zoon stap voor stap volgt. In het
breviergebed beveelt de Kerk haar priesters elke dag deze antwoordzang van de
Maagd aan: «Verheven moeder van de Verlosser, die altijd zijt de open deur des
hemels en de ster der zee, Komt het volk te hulp dat valt en poogt op te
staan...»8
Dit volk dat bezwijkt en strijdt om weer op te staan, zijn wijzelf,
een ieder van ons. De verandering, die telkens als we opnieuw beginnen
plaatsheeft, zelfs indien het dingen betreft die van weinig belang schijnen te
zijn -het bijzonder gewetensonderzoek, de raad ontvangen in de geestelijke
leiding, de voornemens als resultaat van ons zelfonderzoek- is groter dan we
ons kunnen voorstellen. Denk eens hoeveel te groter het zal zijn wanneer het
een kwestie is van de overgang van de dood door de zonde naar het leven van
genade! «De mensheid heeft bewonderenswaardige ontdekkingen gedaan en
wonderbaarlijke resultaten bereikt op het gebied van de wetenschap en de
techniek; zij heeft grote werken verricht op de weg van de vooruitgang en de beschaving
en men zou zeggen dat zij in de jongste tijden erin geslaagd is de loop van de
geschiedenis te versnellen; maar de fundamentele wending, de wending die
'oorspronkelijk' genoemd kan worden, begeleidt altijd de tocht van de mens en
vergezelt, door de verschillende historische gebeurtenissen heen, allen en
iedereen. Het is de omkeer van het 'vallen' naar het 'opstaan', van de dood
naar het leven.»9 Elke keer dat wij opnieuw
beginnen, elke keer dat wij beslissen nog een keer te strijden, krijgen we de hulp
van Onze Lieve Vrouw, Middelares van alle genade. We
moeten ons met volle overgave tot haar wenden wanneer de bekoringen sterker
worden. «Moeder! Moeders op aarde kijken met grotere liefde naar de zwakste van
hun kinderen, degene met de slechtste gezondheid, of die het minst intelligent
is, of die een arme kreupele is.
»Zoete Maagd, ik weet dat u meer Moeder bent dan alle andere
moeders te zamen. En, daar ik uw zoon ben, omdat ik zwak ben, en ziek, en
gehandicapt, en lelijk...»10
-1. Eerste lezing, Jaar I, Gn 32,22-32. -2. Wijsh 10,12.
-3. Ef 6,12. -4. H. Augustinus,
Preek over Psalm 99. -5. H. Johannes
Chrysostomus, Doop Catechese, 3,9-10.
-6. A. Tanquerey, Het
Geestelijke Leven, 193 e.v. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 156. -8. Breviergebed,
Antifoon Alma Redemptoris Mater. -9. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris
Mater, 25 maart 1987,52. -10. H.
Jozefmaria Escrivá, o.c., 234.
|