Eerste week. Woensdag
4. DE BARMHARTIGE MESSIAS
-Altijd
toevlucht nemen tot de barmhartigheid van de Heer. Zijn leven overwegen om te
leren barmhartig te zijn. -De Heer kent in het bijzonder medelijden en barmhartigheid
voor rouwmoedige zondaars. Het sacrament van de barmhartigheid. Ons gedrag
tegenover de anderen. -Werken van barmhartigheid.
4.1 Talrijke
mensen stroomden naar Hem toe die lammen, gebrekkigen, blinden, stommen en vele
anderen met zich meevoerden -zegt het evangelie uit de Mis van vandaag- om ze
aan zijn voeten neer te leggen. Hij genas hen tot verbazing van het volk dat
zag hoe stommen spraken en gebrekkigen gezond werden, lammen liepen en blinden
konden zien. Jezus riep zijn leerlingen bij zich en sprak: Ik heb medelijden
met al deze mensen.1 Dat is
heel vaak de oorzaak dat het hart van Jezus geroerd wordt. Gedreven door zijn
barmhartigheid zal Hij vervolgens het prachtige wonder van de broodvermenigvuldiging
doen.
De liturgie geeft ons deze
passage in de adventstijd ter overweging, omdat de overvloed aan goederen en de
grenzeloze barmhartigheid tekenen zijn van de komst van de Messias. Ik heb
medelijden met die mensen. De grote drijfveren om zich aan de anderen te
geven zijn medelijden en barmhartigheid. Om te leren barmhartig te zijn moeten
we naar Jezus kijken die kwam om te redden wat verloren was.2 Hij komt niet om
het geknakte riet definitief te breken, noch om de smeulende pit geheel uit te
doven, maar om zich te belasten met onze ellende om ons daarvan te verlossen,
om mee te lijden met hen die lijden of behoeftig zijn. Elke bladzijde van het
evangelie is een blijk van Gods barmhartigheid.
Wij moeten het leven van
Jezus overwegen want «Jezus vat heel de geschiedenis van deze goddelijke barmhartigheid
samen [...]. Heel wat taferelen in het evangelie blijven in onze herinnering
gegrift, onder andere de vergevingsgezindheid ten opzichte van de
echtbreekster, de parabel van de verloren zoon, die van het verloren schaap en
van de schuldenaar die vergeving krijgt. Ten slotte de opwekking van de zoon
van de weduwe van Naïn. Wat een motieven van rechtvaardigheid zou je kunnen
vinden om dat grote wonder te doen: de enige zoon van die arme weduwe in Naïn
is dood, hij die zin gaf aan haar leven, hij die haar in haar ouderdom kon
helpen. En toch doet Christus geen wonderen uit rechtvaardigheid maar uit
barmhartigheid, omdat Hij innerlijk ontroerd is bij het zien van het menselijk
leed.»3 Jezus
die geraakt wordt door het leed van de mens.
De barmhartigheid van God
is de kern van de hele heilsgeschiedenis, het waarom van alle heilsfeiten. God
is barmhartig. Dit attribuut van God is als het ware de motor die de
geschiedenis van elke mens richt en voortstuwt. Als de apostelen de Openbaring
willen samenvatten, verschijnt de barmhartigheid van God telkens als de kern
van een eeuwig plan, dat God zonder tegenprestatie in zijn edelmoedigheid
bereid heeft. De Psalmist verzekert ons terecht dat zijn genade heel de aarde
vervult.4 Gods
houding jegens de mens is er een van voortdurende barmhartigheid. Een beroep
daarop is het universele geneesmiddel voor al onze kwalen, ook voor die kwalen
waarvoor we meenden al een geneesmiddel te hebben.
Het overwegen van Gods
barmhartigheid zal ons nu en in het uur van onze dood, zoals we in het
weesgegroet bidden, een groot vertrouwen geven. Wat een blijdschap om, met de
heilige Augustinus, tot de Heer te zeggen: «En heel mijn hoop is alleen
gevestigd op uw overgrote barmhartigheid.»5 Alleen daarop, Heer. Op uw
barmhartigheid steunt al mijn hoop. Niet op mijn verdiensten, maar op uw
barmhartigheid.
4.2 De Heer
toont zijn barmhartigheid in het bijzonder aan de zondaars: Hij vergeeft hun al
hun zonden. De farizeeën hebben Hem daarover regelmatig lastig gevallen, maar
Hij heeft hen vaak tegengesproken door te zeggen: Niet de gezonden hebben
een dokter nodig, maar de zieken.6 Wij,
die zondaars zijn, die ziek zijn, zullen vaak de goddelijke barmhartigheid
inroepen: Laat ons uw barmhartigheid zien, geef ons uw heil, o Heer7, herhaalt de Kerk in deze liturgische tijd
voortdurend. Bij zoveel gelegenheden, zelfs elke dag, zullen we behoefte eraan
hebben onze toevlucht te nemen tot het barmhartige Hart van Jezus en zeggen: Als
Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen.8 Zeker
onder die omstandigheden is «het kennen van God, de God van barmhartigheid en
van gezegende liefde voortdurend een onuitputtelijke bron van bekering, niet
alleen de inwendige handeling van een moment, maar ook de standvastige
gesteldheid, de staat van de ziel. Diegenen die ertoe komen God op die wijze te
kennen, die Hem zo zien, kunnen niet anders leven dan in een onophoudelijke
bekering tot Hem.»9 Werkelijk,
ook wij kunnen uitroepen: Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer en hoe
genadig is Hij voor wie zich tot Hem bekeren!10 Hoe groot is de goddelijke barmhartigheid voor ieder
van ons!
Dat zet ons aan, ons heel
vaak tot de Heer te wenden, met berouw over onze tekortkomingen en zonden, in
het bijzonder in het sacrament van de goddelijke barmhartigheid, de biecht. De
Heer stelt echter een voorwaarde aan het verkrijgen van zijn medelijden en
vergevingsgezindheid voor onze kwalen en zwakte: dat wij ook grootmoedig van
hart zijn voor onze medemens. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan11 leert de Heer
ons hoe onze houding ten opzichte van de naaste die lijdt, moet zijn. Het is
niet goed onverschillig 'met een boog om hem heen te gaan'. Wij moeten 'naar
hem toegaan'. «Een barmhartige Samaritaan is elke mens die bezorgd is om het
lijden van een andere mens, waaraan die ook maar lijdt. Deze bezorgdheid moet
geen nieuwsgierigheid zijn, maar een oprechte beschikbaarheid. Dat is een
vastberaden innerlijke gesteldheid van het hart die tegelijk een uitdrukking is
van het gevoel. Een barmhartige Samaritaan is elke mens die gevoelig is voor
andermans lijden, elke mens die geraakt wordt door het ongeluk van de naaste.
Als Christus, die het innerlijk van de mens kent, die ontroering onderstreept,
wil dat zeggen dat die van belang is voor onze gehele houding tegenover
andermans lijden. Kortom, het is noodzakelijk in zichzelf die gevoeligheid van
het hart jegens de lijdende mens te ontwikkelen. Bij tijd en wijle is dat mee
lijden het enige of belangrijkste blijk van onze liefde en onze saamhorigheid
met de mens die lijdt.»12
Kennen wij niet allemaal
thuis, op kantoor, in de fabriek, iemand die, lichamelijk of geestelijk, een
handicap heeft en, misschien dringend, onze tijd, zorg en aandacht nodig heeft?
4.3 Uit de
gehele heilige Schrift spreekt Gods dringende verlangen dat ook de mens
medeleven en diepgewortelde gevoelens van barmhartigheid zou kennen, dat deze
ook «mededogen met de ellende van de naaste zou hebben om die ellende, zo dat
mogelijk is, te verhelpen.»13
De Heer belooft ons dat we
ons gelukkig zullen voelen als we voor onze naaste een barmhartig hart hebben,
en verzekert ons dat wij Gods barmhartigheid zullen verwerven in die
mate waarin wij deze aan onze medemens tonen. De mogelijkheid barmhartigheid te
tonen is even groot als de omvang van de menselijke ellende die verholpen moet
worden. Omdat de mensheid kan lijden aan rampen en ellende van lichamelijke,
verstandelijke en geestelijke aard, is de ruimte voor werken van barmhartigheid
onbeperkt; er is zoveel ruimte als er menselijke nood bestaat. Daardoor zijn de
werken van barmhartigheid ontelbaar -het zijn er zoveel als de mens noden
heeft- ook al worden er traditiegetrouw, bij wijze van voorbeeld, slechts
veertien werken van barmhartigheid opgesomd, waarin deze deugd op bijzondere
wijze naar voren komt.
Ons meelevend en
barmhartig handelen zal, op de eerste plaats, gericht zijn op de mensen met wie
we gewoonlijk het meest omgaan -gezin, vrienden, familie- op de mensen die God
aan onze zijde geplaatst heeft, op de meest behoeftige mensen met wie we
geconfronteerd worden. Barmhartigheid zal vaak daarin bestaan, dat we ons
inzetten voor de gezondheid, de ontspanning, de voeding van hen die God aan ons
toevertrouwd heeft. Zieken verdienen bijzondere aandacht: gezelschap, echte
belangstelling voor hun ziekte, hun leren en hen helpen hun leed aan God op te
dragen. In een door veelvuldige aanvallen op het gezin ontmenselijkte
samenleving groeit het aantal in de steek gelaten
zieken en ouden van dagen, die het zonder troost en vriendelijkheid
moeten stellen. Het bezoeken van die mensen in
hun eenzaamheid is een werk van barmhartigheid dat steeds meer nodig is.
God beloont op bijzondere wijze die momenten
van gezelschap: wat gij aan de minste der mijnen hebt gedaan,
hebt gij aan Mij gedaan14, zegt de Heer ons.
Naast de genoemde
stoffelijke werken van barmhartigheid, moeten we ook de geestelijke beoefenen.
Allereerst, wie dwaalt op het rechte spoor brengen, met de aandacht die
het geval vereist, met vriendelijkheid, zonder beledigingen; onwetenden
onderrichten, met name als het gaat om onwetendheid op godsdienstig gebied.
Dat is de grote vijand van God en deze vijand groeit van dag tot dag met
alarmerende sprongen. Tegenwoordig is het geven van catechetisch onderricht een
zeer urgent werk van barmhartigheid en van het allergrootste belang. Raad
geven aan wie twijfelt, hem eerlijk en met de juiste bedoeling helpen op
zijn weg naar God. Troosten wie bedroefd is, door zijn leed te delen,
door hem moed in te spreken opdat hij de blijdschap en de bovennatuurlijke betekenis
van het verdriet dat hij ondergaat, herkent. Vergeven wie ons beledigd heeft,
zonder dralen, zonder overdreven belang te hechten aan de belediging en telkens
als het nodig is. Wie hulp nodig heeft te hulp schieten en die dienst
verlenen met edelmoedigheid en blijdschap. En ten slotte God bidden voor de
levenden en overledenen, waarbij wij ons door de gemeenschap der heiligen
bijzonder verbonden voelen met diegenen aan wie wij veel te danken hebben op
grond van verwantschap, vriendschap enzovoort.
Onze houding van
barmhartigheid jegens de anderen moet zich uitstrekken tot veel andere kanten
van het leven, want «niets zal u zozeer een navolger van Christus doen zijn
-zegt de heilige Johannes Chrysostomus- als uw zorg voor de anderen. Al vast u,
al slaapt u slechts kort en op de grond, al beult u zich -om zo te zeggen- af,
als u zich niet bekommert om de naaste, stelt al wat u doet niet veel voor en
blijft u ver van Zijn beeld verwijderd.»15 Zo zullen we door ons leven Gods
barmhartigheid verwerven en mogelijk die ook verdienen voor anderen in die zee
van barmhartigheid die zich uitstrekt van generatie tot generatie16, zoals Onze
Lieve Vrouw profeteerde aan haar nicht Elisabeth. Bidden we om Gods
barmhartigheid voor onszelf die het zo hard nodig hebben. Laten wij ook zijn
barmhartigheid afsmeken voor onze generatie op voorspraak van de heilige Maria,
Moeder van barmhartigheid, ons leven, onze vreugde, onze hoop. Juist nu het
feest van de Onbevlekte Ontvangenis zo dichtbij gekomen is, zal ons vertrouwvol
beroep op de maagd Maria nog aanhoudender en nog inniger zijn.
-1. Mt
15,30-32. -2. Lc 19,10. -3. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 7. -4. Ps
33(32),5. -5. H. Augustinus, Belijdenissen,
10, XXIX. -6. Mt 9,12. -7. Ps 85(84),8. -8. Mt 8,2. -9. Johannes Paulus ii, Enc. Dives
in Misericordia, 13. -10. Sir 17,29. -11. Lc 10,30 e.v. -12. Johannes Paulus ii, Apost. brief Salvifici
doloris, 28. -13. H. Augustinus,
De stad Gods, 9,5. -14. Mt 25,40. -15. H. Johannes Chrysostomus, Commentaar op de eerste
Korintenbrief. -16. Lc 1,50.
|