Tweede week. Woensdag
15.
DE BEKER VAN DE HEER DRINKEN
-In alles onze wil vereenzelvigen met die van de Heer. Met
Hem medeverlossen. -Het offer van lijden en vrijwillige versterving. Boete in
het gewone leven. Een paar voorbeelden van versterving. -Verstervingen die
voortvloeien uit het dienen van de anderen.
15.1 Onderweg naar
Jeruzalem spreekt Jezus voor de derde keer tot zijn leerlingen over zijn lijden
en dood en over zijn glorierijke verrijzenis. In een stopplaats, in de omgeving
van Jericho, komt een vrouw, de moeder van Jakobus en Johannes, naar Hem toe om
Hem een verzoek te doen ten behoeve van haar zoons. Zij wierp zich voor zijn
voeten -vertelt de heilige Matteüs- om Hem iets te vragen. In alle
eenvoud zegt zij Jezus: Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk
zitten, een aan uw rechter- en een aan uw linkerhand.1 De Heer antwoordt
vervolgens: Gij weet niet wat gij vraagt. Zijt gij in staat de beker te
drinken die Ik ga drinken? Zij zeiden Hem: ja, dat kunnen wij.2
De twee broers moeten er niet veel van hebben kunnen volgen
toen Jezus sprak van het lijden, zegt de heilige Lucas: Zij begrepen er
niets van; die uitspraak bleef hun duister, en wat Hij zei, konden zij niet
volgen.3
Het is moeilijk de taal
van het kruis te volgen. Toch waren zij
ertoe bereid, al was het maar door de algemene bedoeling alles te willen doen wat Jezus verlangde. Zij
kenden voor hun Heer geen beperkingen; net zomin als wij die
gesteld hebben. Daarom moeten we, als
we in ons gebed iets vragen, bereid zijn vóór alles de wil van de Heer te
aanvaarden; ook als die niet samenvalt met onze verlangens. «Zijne Majesteit
-zegt de heilige Theresia van Avila- weet beter wat goed voor ons is; het is
niet aan ons Hem raad te geven over wat Hij moet geven, want Hij kan ons
terecht zeggen, dat we niet weten wat we vragen.»4 Hij wil dat we Hem vragen wat we nodig hebben en
verlangen, maar vooral dat we onze wil laten beantwoorden aan de zijne. Hij zal
ons altijd het beste geven.
Johannes en Jakobus vragen een ereplaats in het nieuwe rijk.
En Jezus spreekt hun van verlossing. Hij vraagt hun of zij bereid zijn met Hem
te lijden. Hij gebruikt het Hebreeuwse beeld van de beker, die de wil van God
over een mens verbeeldt.5 Die van de Heer is een allerbitterste beker die zal
veranderen in een beker van zegeningen6 voor alle mensen.
Andermans beker drinken was een teken van een diepe
vriendschap en de bereidheid een gezamenlijk doel te delen. De Heer nodigt wie
Hem volgen wil uit tot deze nauwverbonden deelneming. Om deel te hebben aan
zijn glorierijke verrijzenis is het nodig met Hem het kruis te delen. Zijt gij
bereid met Mij te lijden? Kunt gij met Mij de beker drinken? Dat kunnen wij, antwoordden die twee apostelen.
De heilige Jakobus stierf een paar jaar later, onthoofd op
bevel van Herodes Agrippa.7 Johannes heeft onnoemelijk veel pijn en vervolging
ondergaan uit liefde tot de Heer.
«Ook aan ons vraagt Hij, zoals Hij Jakobus en Johannes
gevraagd heeft: Potestis bibere calicem, quem ego bibiturus sum? (Mt 20,22). Kunt u de kelk drinken -de kelk der
volkomen overgave aan de wil van de Vader- die Ik zal drinken? Possumus,
ja, wij kunnen het, antwoorden Johannes en Jakobus. U en ik, zijn wij ernstig
bereid in alles de wil van God onze Vader te vervullen? Hebben we de Heer ons
hele hart geschonken? Of hangen wij nog vast aan onszelf, onze gemakzucht, onze
eigenliefde? Is er in ons nog iets wat niet past bij ons christen-zijn? Waar
ligt het aan dat wij ons niet willen zuiveren? Vandaag hebben we de gelegenheid
ons te beteren.»8
15.2 Als die vrouw haar
moederlijk verzoek uit, vraagt Jezus aan zijn leerlingen: «Zijt gij in staat
de beker te drinken... ? De Heer weet dat zij zijn lijden zouden kunnen
navolgen, en toch vraagt Hij het hun, opdat wij ook horen dat niemand met
Christus kan heersen, als hij niet eerst zijn lijden nagevolgd is. Immers,
waardevolle dingen krijg je niet dan tegen een hoge prijs.»9 Een christelijk
leven zonder versterving is onbestaanbaar; het is de prijs die betaald moet
worden. «De Heer heeft ons gered door het kruis; met zijn dood heeft Hij ons
opnieuw de hoop, het recht op leven willen geven. We zullen Christus niet
voldoende kunnen eren, als we Hem niet erkennen als onze Redder, als we Hem
niet eren in zijn dienstwerk aan het kruis... De Heer heeft van smart een instrument
van de verlossing gemaakt; met zijn smart heeft Hij ons verlost, in zoverre wij
niet weigeren onze smart met de zijne te verenigen en van beide een
verlossingswerktuig maken.»10
Smart zal nu en altijd de
mogelijkheid bieden zich aan te sluiten bij de beker van Christus, zich
te verenigen met zijn lijden, tot heil van
heel de mensheid. Wat geen betekenis had, heeft nu betekenis in
Christus. Ook wij kunnen zeggen: Daarom ben ik bereid alles te verdragen ter
wille van de uitverkorenen, opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jezus en eeuwige heerlijkheid.11 Dagelijks
sterf ik, broeders, zo waar als ik roem draag op u in Christus
Jezus onze Heer.12 Het belangrijkste argument voor versterving en
een leven van boetvaardigheid waartoe de vasten ons oproept, is de medeverlossing, «het deelhebben aan het lijden van
Christus»13,
deelhebben aan juist de beker van de Heer.
Wij zijn de eerste begunstigden, maar de bovennatuurlijke werkzaamheid van onze geofferde smart en
vrijwillige versterving raakt de gehele Kerk, en zelfs de hele wereld.
Die vrijwillige versterving is een middel tot zuivering en uitboeting, nodig om
in het gebed met de Heer te kunnen omgaan en onmisbaar voor een vruchtbaar
apostolaat, want «actie is niets waard zonder gebed; het gebed krijgt waarde
door het offer.»14 Boetvaardigheid
en versterving beoefenen we in ons gewone
leven, in het doen en laten van elke dag, zonder dat we op bijzondere
gelegenheden hoeven te wachten. «Boete is het stipt uitvoeren van de
dagindeling die u opgesteld hebt, ook als het lichaam tegenstreeft of de geest zich wil verliezen in hersenspinsels.
Boete is op tijd opstaan. En ook, het niet -tenzij om een geldige reden-
uitstellen van dat moeilijke en inspannende karwei.
»Boete bestaat in het kunnen samenvoegen van de
verplichtingen tegenover God, tegenover de anderen en tegenover uzelf door van
uzelf veel te eisen, zodat u voor alle noodzakelijke dingen tijd vindt. U doet
boete als u zich met liefde onderwerpt aan uw gebedsrooster, ook als u uitgeput
bent, lusteloos of kil.
»Boete is zich altijd met de grootste genegenheid tegenover
de anderen gedragen, te beginnen bij uw familie. Het is zorg dragen voor de
grootst mogelijke fijngevoeligheid jegens hen die lijden, zieken, voor hen die
pijn hebben. Het is het met geduld tegemoet treden van lastige en ongelegen
komende mensen. Het is het onderbreken of veranderen van onze plannen als dat
-vooral vanwege de goede en juiste belangen van anderen- nodig is.
»Boete bestaat in het met goed humeur verdragen van duizend
vervelende kleinigheden die domweg voorkomen; in het niet opgeven van het werk,
ook niet op momenten waarop het élan van het begin verdwenen is; in het
dankbaar opeten wat ons wordt voorgezet zonder lastig te doen met onze grillige
voorkeuren.
»Boete is -voor ouders en in het algemeen voor ieder die een
leidende of opvoedende opdracht heeft- corrigeren wat gecorrigeerd moet worden
met inachtneming van de aard van de fout en de omstandigheden van degene die
hulp nodig heeft, en zonder toe te geven aan geborneerde en sentimentele
subjectieve oordelen.
»De geest van boete brengt ons ertoe ons niet op onordelijke
wijze te verliezen in die monumentale schetsen van toekomstplannen, waarin we
nu al onze meesterlijke pen- en penseelstreken zien. Wat zal God blij zijn, als
het meestertje weet af te zien van gekrabbel en geklieder en als we ermee
instemmen dat Hij de kleuren en lijnen gebruikt die Hij het mooist vindt.»15
15.3 De andere leerlingen die
het gesprek tussen Jezus en de twee broers gehoord hadden, werden kwaad.
En dan zegt de Heer hun: Gij weet dat de heersers der volkeren hen met
ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.
Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden moet dienaar
van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals
ook de Mensenzoon niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en
zijn leven te geven als losprijs voor velen.16
Christus' dienstwerk voor de
mensheid zal uitmonden in de verlossing. Onze houding moet zijn: God en de
naasten dienen met een bovennatuurlijke visie, speciaal in zaken die met onze
verlossing te maken hebben, maar ook bij alle gelegenheden die zich iedere dag
aandienen. Dienen, inclusief de persoon die je niet zo goed ligt, zonder er iets
voor terug te verwachten. Dat is de beste gelegenheid je leven te geven voor je
naasten, op een vruchtbare en onopvallende manier, die nauwelijks waargenomen
wordt, en het eigen egoïsme te bestrijden, dat ons dreigt van onze vreugde te
beroven.
De meeste beroepen zijn een dienst voor de naasten:
huisvrouwen, winkeliers, leraren, huishoudelijk personeel en alle andere, ook
al is het soms minder rechtstreeks, vormen een 'service', een dienst voor de
naaste. Laten we dat aspect niet uit het oog verliezen: dat deze diensten ons
zullen helpen ons te heiligen in het werk.
Het dienen van de naasten vergt versterving en Gods
aanwezigheid en het vergeten van zichzelf. In sommige gevallen zal
dienstvaardigheid botsen met de mentaliteit van velen die alleen aan zichzelf
denken. Voor ons, christenen, vormt het 'onze trots' en onze waardigheid, want
zo volgen we Christus na. Wie vrijwillig uit liefde wil dienen, zal
noodzakelijkerwijs veel menselijke en bovennatuurlijke deugden in het geding
moeten brengen. «Deze waardigheid uit zich in de dienstbaarheid naar het
voorbeeld van Christus die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te
dienen. Wanneer men dus in het licht van Christus' houding alleen werkelijk
kan 'heersen' door te 'dienen', dan eist het dienen tegelijk een zo grote
geestelijke rijpheid welke men terecht met 'heersen aan kan duiden. Om de
anderen waardig en doeltreffend te kunnen dienen, moet men zichzelf kunnen
beheersen en daartoe ook de nodige deugden
bezitten die deze zelfbeheersing mogelijk maken.»17
Ons belang ligt in het veel dienen en helpen van de mensen aan onze zijde, ook al krijgen we geen
cent beloning. Dienen, verbonden met
Christus en omwille van Christus, is regeren met Hem. Onze Moeder, de
heilige Maria, die dienstbaar is aan haar Zoon en de heilige Jozef, zal ons
helpen onszelf te geven, zonder maat, zonder berekening.
-1. Mt 20,21-22. -2. Mt 20,22. -3. Lc
18,34. -4. H. Theresia van Avila, De
innerlijke burcht, 2,8. -5. Vgl. Ps 16,5 en Jes 51,17-22. -6.
1 Kor 10,16. -7. Vgl. Hnd 12,2. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus
nu langs komt, 15. -9. H. Johannes
Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 15. -10. Paulus vi, Toespraak, 24
januari 1967. -11. 2 Tim 2,10. -12. 1 Kor 15,31. -13. Paulus vi, Const. Poenitemini, 17 februari 1966. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
81. -15. Idem, Vrienden van
God, 138. -16. Mt 20,24-28. -17. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptor Hominis, 21.
|