Achtentwintigste week. Woensdag
60. de Bekoring en het kwaad
-Jezus Christus wilde bekoord worden; wij hebben ook
verleidingen en beproevingen te verduren. In de bekoring blijkt onze liefde tot
God en onze trouw aan de met Hem gemaakte afspraken. -Wat bekoring is. Onze
strijd ertegen kan goede gevolgen voortbrengen. -De middelen om te overwinnen.
60.1 Leid ons niet in bekoring maar verlos
ons van het kwade. Dit is de laatste bede in het Onze Vader.
Nadat wij ernaar gestreefd hebben Gods vergiffenis te
verkrijgen voor onze zonden, vragen wij onmiddellijk om de genade Hem niet
opnieuw te beledigen. Wij vragen zijn hulp om sterk te zijn in tijden van
beproeving. «Want het leven in deze wereld is een beproeving... Wij vragen God,
dat wij niet aan ons lot worden overgelaten. Wij vragen zijn voortdurende
vaderlijke leiding. Verlos ons van
het kwade. Van welk kwaad? Van de boosheid van de duivel, de
bron van alle kwaad.»1 De duivel bestaat. Hij
houdt nooit op onrust te zaaien in Gods
schepselen en hen tegelijkertijd op te stoken zich van Hem te vervreemden.
Paus Johannes Paulus ii heeft
verklaard: «Er zijn momenten waarop het bestaan van het kwaad onder de mensen
bijzonder duidelijk is. Dan wordt het zelfs nog duidelijker, dat de machten van
de duisternis die in de mens aanwezig zijn en door de mens werkzaam, machtiger
zijn dan de mens zelf.
»Het lijkt erop, dat de hedendaagse mens dit probleem niet
wil zien. Zij doen alles om het bestaan van deze 'heersers van de wereld der
duisternis', deze 'strategie van de duivel' waarnaar in de Brief aan de
Efeziërs wordt verwezen, uit hun geest te bannen. Toch zijn de momenten in de
geschiedenis waarop deze moeizaam aanvaarde waarheid van openbaring en
christelijk geloof volledig duidelijk is, bijna tastbaar.»2
Jezus wilde bekoord worden, zodat wij door zijn voorbeeld
konden leren hoe wij zulke beproevingen moeten weerstaan en te boven komen. Want wij hebben een hogepriester die in
staat is mee te voelen met onze zwakheden, Hij werd zelf op allerlei manieren
op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde.3 Wij zullen bekoringen in de een of andere gedaante
gedurende ons leven tegenkomen. Misschien zullen wij zelfs meer last hebben van
bekoringen wanneer wij Christus proberen van nabij te volgen. De genade die wij
bij het doopsel hebben ontvangen en ook ons streven naar heiligheid staan bloot
aan risico's, totdat wij sterven. Dit betekent dat wij moeten uitkijken, alert
als een schildwacht op zijn post. En wij dienen eraan te blijven denken, dat
wij de hechte verzekering hebben nooit boven onze krachten beproefd te zullen
worden.4 Wij kunnen de beproeving te boven
komen, als wij de gelegenheden tot zonde vermijden en vertrouwen op Gods hulp.
«Mocht iemand als verontschuldiging aanbrengen dat de zwakheid van de natuur
hem verhindert God te beminnen, dan moet men hem leren dat God, die liefde
eist, ook de kracht van de liefde in de harten stort door de Heilige Geest.
(Rom 5,5). Die goede Geest wordt door de hemelse Vader gegeven aan al wie Hem
vraagt (Lc 9,13), zodat de heilige Augustinus met recht kon bidden: 'Geef wat
Gij gebiedt, en gebied wat U belieft' (Aug. Confessiones, X, 29). Nu God dus
bereid is ons te helpen, vooral sedert de dood van onze Heer Christus, waardoor
de vorst van deze wereld buitengedreven werd, is er geen reden om ons door de
moeilijkheid van de zaak te laten afschrikken; voor wie bemint, bestaat immers
geen moeilijkheid.»5
Bekoring in zich is geen kwaad. Feitelijk geeft het ons de
gelegenheid om de Heer te tonen dat wij Hem meer dan al het andere liefhebben.
Bekoring kan als middel dienen voor onze groei in deugdzaamheid en heiligheid. Heilig de mens die standhoudt in de
beproeving. Heeft hij de toets doorstaan, dan zal hij de zegekrans van het
leven ontvangen, die God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.6 Natuurlijk zou het niettemin voor ons uitermate roekeloos
en dwaas zijn om op een of andere wijze naar bekoring te verlangen of deze op
te roepen. Omgekeerd zouden wij ons vergissen als wij buitensporige angst
zouden hebben voor bekoring, alsof God niet naast ons zou staan. «Maak je niet
ongerust, als je bij het overdenken van de heerlijkheden van de
bovennatuurlijke wereld die andere -vleierige- stem in je binnenste hoort: die
van de oude mens. Het is het 'lichaam van de dood', dat zijn verloren rechten
opeist... Jij hebt genoeg aan de genade. Wees trouw en je zult overwinnen.»7
60.2 De
heilige Thomas van Aquino geeft ons deze definitie van bekoring: «Bekoren is
niets anders dan aftasten, op de proef stellen. De mens bekoren, is zijn deugd
op de proef stellen.»8 Bekoring is alles wat ons
kan scheiden van het gelovig volbrengen van Gods wil. Wij kunnen bekoringen
doormaken die voortkomen uit onze menselijke natuur, die gekwetst werd door de
erfzonde en daardoor tot zonde geneigd is: wij worden geboren met een
ongeordendheid van de zinnelusten. De duivel spoort aan tot het kwaad. Hij
maakt gebruik van onze zwakte en belooft ons een geluk bij hem waarover hij
niet beschikt en dat hij niet kan geven. Zijn beloften zijn leeg. De heilige
Petrus waarschuwde de eerste christenen: Weest nuchter, wordt wakker! Uw vijand de duivel zwerft rond
als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om te verslinden.9 Tertullianus geeft ons de remedie: Alleen «wie zijn
vertrouwen op God stelt, vreest de duivel niet.»10
De duivel is bondgenoot van 'de wereld' en van onze
hartstochten. 'De wereld' betekent hier alles in ons bestaan wat ons scheidt
van God. Dit omvat degenen met wie wij omgaan, als zij alleen voor zichzelf en
voor genotzucht leven, als zij hun blik slechts op tijdelijke, wereldse zaken
gericht hebben. Deze mensen beschouwen christelijke onthechting en kuisheid als
absurde overblijfselen uit een voorbije tijd... Zij hebben minachting voor
vrijwillige versterving, ook al is deze volstrekt onmisbaar bij het navolgen
van Christus. Deze mensen zijn niet meer in staat de zaken van God te
begrijpen. Ze willen liever anderen binnen te leiden in -en over te halen tot-
hun manier van leven, waarin God afwezig is. Door hun gedrag en manier van
spreken proberen zij iedereen mee te krijgen op deze brede weg. Zij zullen
zelfs proberen mensen te ontmoedigen die hun best doen serieus naar hun
christelijke roeping te leven, door hen stelselmatig belachelijk te maken en ook
anderen daartoe aan te zetten.
God laat toe dat wij bekoord worden, om ons een groter goed
te laten bereiken. Zijn Voorzienigheid heeft de zaken zo geregeld, dat
beproevingen en tegenslagen goede vruchten kunnen voortbrengen. Soms blijken
deze toetsingen de beste middelen te zijn om ons dichter bij Hem te brengen.
Bekoringen werken dikwijls als een soort barometer voor ons
geestelijk leven. Het is juist in moeilijkheden en in bekoringen dat wij onze
ware capaciteit voor grootmoedigheid, offer en onthechting ontdekken... Wij
zullen in dergelijke omstandigheden ook onze verborgen afgunst, gierigheid,
zinnelijkheid en trots tegenkomen, evenals onze verbijsterende mogelijkheid om
kwaad te doen. Dit zijn voor ons goede ogenblikken om in zelfkennis en
nederigheid te groeien. Wij zullen inzien hoe zwak wij zijn, hoeveel hulp wij
nodig hebben van de Heer. Hierdoor zullen wij het makkelijker vinden om de
bijstand van de Heer te vragen. Wat moeten wij dikwijls deze woorden bidden tot
God de Vader: Leid ons niet in bekoring,
maar verlos ons van het kwade! Als wij beproeving aan den lijve
ondervinden, zal dat ons helpen de tekorten van anderen te begrijpen. Wij
zullen hun strijd beter naar waarde schatten en wij kunnen de mensen met wie
wij leven en werken beter van dienst zijn.
De ervaring van bekoring kan ons inspireren tot groei in
deugdzaamheid. Om een geloofstwijfel te overwinnen bidden wij vurig een
oefening van geloof. Telkens wanneer wij een negatieve gedachte of slechts een
kritieke opmerking weten te voorkomen, verbeteren wij tegelijkertijd onze
relatie met de Heer. Wij kunnen de moeilijke perioden in ons leven zien als
kansen waarin wij onze liefde voor de heilige Maagd verdiepen, groeien in
nederigheid en volgzamer en oprechter zijn op geestelijk gebied... Wij kunnen
onszelf niet toestaan paniekerig of ontmoedigd te worden door bekoring. Niets
kan ons van God scheiden zonder onze eigen toestemming. Niemand kan zondigen,
als hij of zij niet instemt met de zonde. Als de Heer ons een tijd van
beproeving geeft, is het omdat Hij wil dat wij meer met Hem verenigd worden.
Beproeving kan dus een bron zijn van genade en verdienste die
voert tot eeuwig leven. En omdat u
genade hebt gevonden bij God, was het nodig dat u beproefd zou worden.11 Met deze woorden legde de engel Rafaël de
beweegreden van God uit. Veel christenen hebben troost gevonden bij deze
passage uit het Oude Testament in het uur van beproeving.
60.3 Als
wij bekoringen willen overwinnen, moeten wij onze toevlucht nemen tot de hulp
van God. Hij kan alles: Weliswaar
leeft gij in de wereld in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld
overwonnen.12 Met Christus naast
ons kunnen wij zeggen: 'Omnia
possum in eo qui me confortat', Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft.13 De
Heer is mijn licht en mijn heil: wie zou ik dan vrezen?14
God heeft ons de engelbewaarders gegeven om ons in tijden van
beproeving en gevaar te helpen. U
aangaande gebiedt Hij zijn engelen om u, wáár gij ook gaat, te bewaren; zij
zullen u op de handen dragen, dat gij niet uw voet aan een steen stoot.15 Wij mogen altijd de hulp van de engelbewaarders
inroepen, maar vooral wanneer wij bekoord worden. Onze engelbewaarder is een
heel machtige bondgenoot en vriend die klaar staat om te helpen als wij het
moeilijk hebben.
Wij zijn het best voorbereid op het weerstaan van bekoring,
wanneer wij trouw zijn aan ons persoonlijk gebed, als wij lauwheid vermijden en
als wij de noodzaak tot versterving voor ogen houden. Wij zijn sterk, als wij
de gelegenheid tot zonde mijden. Bewaar
uw hart, meer dan alles wat gij moet behoeden, want daar ontspringt de bron van
het leven.16 Wanneer wij goed
werken, diep geconcentreerd en ordelijk, dan mijden wij luiheid en kwaad. Wij
moeten altijd voor ogen houden, dat het makkelijker is van meet af aan de
verleiding te weerstaan. De Romeinse dichter Ovidius, geciteerd in de
'Navolging van Christus'17, zegt: «Bied
weerstand in het begin; te laat komt het medicijn, als door het lange wachten
het kwaad te sterk geworden is (Remed., 91)». Maar zelfs als het kwaad te sterk
geworden is, kunnen wij, in nederigheid, onze toevlucht nemen tot het geschikte
geneesmiddel.
Wij kunnen effectief strijden tegen beproeving met behulp van
de geestelijke leiding. Wanneer wij onze bekoringen bespreekbaar maken, zijn
wij goed op weg ze te overwinnen. Laten wij Onze Lieve Vrouw vragen dat wij
succesvol mogen zijn in de beproevingen van ons innerlijk leven.
-1. H. Petrus Chrysologus, Preek 67. -2. Johannes Paulus ii, Toespraak, 3 mei 1987. -3.
Heb 4,15. -4. Vgl. 1 Kor 10,13. -5. Romeinse catechismus, III,
1,7. -6. Jak 1,12.
-7. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 707. -8. Vgl. H. Thomas van Aquino, Commentaar op het gebed des Heren. -9. 1 Pe 5,8. -10. Tertullianus, De oratione, 8. -11. Tob 12,13 (Vulgaat). -12. Joh 16,33. -13. Fil 4,13. -14. Ps 27,1. -15. Ps 91,11-12. -16. Spr 4,23. -17. Thomas a Kempis,
De navolging van Christus,
Baarn 1973, 1,13,21.
|