Vijfentwintigste zondag door het jaar (B)
29. de belangrijkste van allen
-Heersen is dienen. -Liefde voor Christus is de grondslag
voor alle gezag en gehoorzaamheid in de Kerk. -Gezag in de Kerk is een grote
zegen. Gehoorzamen zoals Christus deed.
29.1 De
eerste lezing van de Mis gaat over het lijden van de kinderen van God die ten
onrechte vervolgd worden: Laten
wij de rechtschapene belagen want hij is ons een last en hij verzet zich tegen
wat wij doen. Hij verwijt ons overtredingen van de wet en hij beschuldigt ons
ervan dat wij afwijken van wat wij geleerd hebben. Hij beroemt zich erop God te
kennen en noemt zich een dienaar van de Heer. Hij is een aanklacht tegen onze
opvattingen geworden; het valt ons al zwaar hem te zien. [...] Laten wij hem maar
eens op de proef stellen met niets-ontziende folteringen om zijn
zachtmoedigheid te leren kennen en zijn geduld te toetsen. Laten wij hem veroordelen tot een smadelijke dood:
er wordt toch over hem gewaakt, zoals hij beweert.1 De liturgie past deze beschrijving toe op Jezus
Christus. Hij werd veroordeeld tot een wrede geseling en een smadelijke dood.
De heilige Marcus laat ons in het evangelie van vandaag2 zien hoe Jezus ernaar streefde zijn leerlingen voor
te bereiden op zijn naderende dood en verrijzenis. Toen zij door Galilea
reisden, sprak Hij tot hen in heel duidelijke woorden: De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen van de
mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen
na zijn dood zal Hij weer opstaan. De leerlingen van de Heer waren ontsteld door dit nieuws, want
zij droomden van een aards koninkrijk. Zij begrepen die woorden niet, maar schrokken ervoor terug
Hem te ondervragen.
Ondanks de waarschuwing van de Meester gingen de apostelen
door met praten over de aard van hun toekomstig rijk en wie de grootste was. Bij hun aankomst in
Kafarnaüm vroeg Jezus hun: Waar
hebt ge onderweg over getwist? Maar zij zwegen beschaamd. Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf
bij zich en zei tot hen: 'Als iemand de eerste wil zijn moet hij de laatste van
allen en de dienaar van allen zijn'. Om zijn leer duidelijker te
maken nam Hij een kind en zette
het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen: 'Wie een kind als dit
opneemt in mijn naam, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op, maar
Hem die Mij gezonden heeft'.
De Heer wil, dat ieder die macht uitoefent, zich realiseert,
dat hun werk dienstbaarheid is. «Om zijn apostelen de betrokkenheid en
nederigheid te laten zien die nodig is bij hun ambt, neemt Hij een kind in zijn
armen en legt de betekenis uit van dit gebaar: als we omwille van Christus
degenen opnemen die van weinig belang zijn in de ogen der wereld, dan is het
alsof we Christus zelf omarmen en de Vader die Hem gezonden heeft. Dit kleine
kind dat Jezus omarmde, staat voor elk kind in de wereld en iedereen die
behoeftig, hulpeloos, arm of ziek is, mensen die van nature niet aantrekkelijk
zijn.»3
29.2 Met
deze woorden wil Jezus de Twaalf leren hoe zij de Kerk moeten besturen. Hij
toont hun, dat het uitoefenen van gezag een daad van dienstbaarheid is. Het
woord 'autoriteit' komt uit het Latijnse woord 'auctor', wat betekent: de
auteur, promotor of bron van iets.4 Het doet
denken aan de functie van iemand die de belangen of de ontwikkeling van een
sociale groepering in de gaten houdt. Hieruit vloeit voort, dat gezag en
gehoorzaamheid niet als tegenstrijdige begrippen moeten worden gezien. In de
Kerk hebben beide hun oorsprong in dezelfde liefde voor Christus. De een
bestuurt vanuit de liefde voor Christus, terwijl de ander gehoorzaamt vanuit de
liefde voor Christus.
Gezag is noodzakelijk voor iedere gemeenschap en in het geval
van de Kerk is het nadrukkelijk door de Heer gewild. Wanneer in de maatschappij
gezag afwezig is, of wanneer gezag misbruikt wordt, dan wordt schade aangericht
bij de leden. Als het doel van de groep wezenlijk is voor het welzijn van zijn
leden, dan kan deze schade heel ernstig blijken. «Het is een blijk van grote
gemakzucht -en soms een groot gebrek aan verantwoordelijkheid-, als mensen, op
een verantwoordelijke plaats, vluchten voor het ongemak van het terechtwijzen
met het excuus de pijn van anderen te willen vermijden. Zij besparen zich
misschien in dit leven ongemak..., maar zetten het eeuwig geluk -van zichzelf en
van anderen- op het spel door hun nalatigheden die echte zonden zijn.»5
In de Kerk moet gezag uitgeoefend worden zoals Christus het
deed, als iemand die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen: Ik ben niet gekomen om gediend te worden
maar om te dienen.6 Zijn dienst
aan de mensheid is gericht op redding, omdat Hij gekomen is voor allen om zijn leven te geven als een losprijs
voor velen.7 De Heer heeft deze
woorden gezegd als antwoord op omstandigheden die veel lijken op die welke in
het evangelie van vandaag zijn beschreven. Jezus zei bij die gelegenheid tegen
zijn apostelen: Gij weet dat de
heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken
van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot
wil worden, moet dienaar van u zijn en wie onder u de eerste wil zijn, moet
slaaf van u wezen.8 De apostelen
begonnen juist de leer van de Meester te begrijpen. Zij zouden deze volledig
gaan begrijpen na de komst van de Heilige Geest op Pinksteren. Jaren later zou
de heilige Petrus aan de bisschoppen schrijven dat zij verplicht zijn voor de
kudde te zorgen die hun door God is toevertrouwd. Zij moesten het volk niet
overheersen maar, in plaats daarvan, het dienen door hun voorbeeld.9 Ook de heilige Paulus bevestigde dat hij, daar hij
niet onder iemands speciale gezag stond, aller dienaar wilde zijn om daardoor
alles te winnen.10 Hoe hoger iemand is in de
hiërarchie van de Kerk, hoe groter zijn plicht is anderen te dienen. Deze
waarheid is weerspiegeld in de titel die lange tijd voorbehouden was aan de bisschop
van Rome: 'Servus servorum Dei', de dienaar van de dienaren Gods.11
Laten wij vragen dat de Kerk altijd gezegend mag zijn met
goede herders die weten hoe zij allen moeten dienen, vooral degenen die in de
grootste nood zijn. De herders van de Kerk moeten weten «hoe zij de
eigenschappen van een vader van een gezin kunnen combineren met de liefdevolle
intuïtie van een moeder die ieder van haar kinderen op een verschillende manier
benadert in overeenstemming met hun behoeften.»12
Laten wij iedere dag bidden voor de bisschop van Rome, voor
de bisschoppen, voor priesters, voor ieder die met gezag over ons is
aangesteld, voor hen die afhankelijk zijn van ons goede voorbeeld. Dit gebed
zal God ten zeerste bevallen.
29.3 De
uitoefening van een gezag is een dienst, zoals het leven van Christus een
dienst is geweest. Hij werd gehoorzaam
tot de dood, tot de dood aan het kruis.13
In deze context moeten wij gezag begrijpen. Gezag is een goed. Gezag in de Kerk
is meer dan goed; het is een zegen. Zonder gezag zou de Kerk niet kunnen
bestaan overeenkomstig de wens van haar Stichter.
Een gemeenschap van mensen weet, dat zij alleen haar
gemeenschappelijke doelstellingen kan bereiken onder de leiding en coördinatie
van een gezag. «Het dagelijks leven geeft ontelbare voorbeelden van dit streven
van een gemeenschap naar gezag: van sociale- of sportclubs tot vakbonden, tot
beroepsgenootschappen; tot aan de spontane organisatie die ter plekke ontstaat
als een groep jongens samenkomt voor een spelletje voetbal [...]. De neiging om
gezag binnen de gemeenschap te aanvaarden is niet de vrucht van een onderdanige
of collectief gedeelde mentaliteit. Het is juist het natuurlijke streven van
ieder individueel nadenkend geweten.»14 Laten
wij naar het gezag in de Kerk met de ogen van het geloof kijken. Christus zelf
komt naar ons toe in de voorschriften die ons door kerkelijke autoriteiten
worden gegeven.
De grote vijand van gezag en gemeenschap is eigenliefde. Dat
is iets waaraan wij allen lijden. Het is onze gedeelde nalatenschap van de
erfzonde. Wij moeten nederig zijn. De trots zal motieven zoeken om
gehoorzaamheid te vermijden. Laten wij besluiten Gods geboden van ganser harte
en blijmoedig te gehoorzamen. «Vandaag, nu je in je omgeving niets anders ziet
dan ongehoorzaamheid, gelaster, gekrakeel, gekonkel, moeten wij meer dan ooit
de gehoorzaamheid, oprechtheid, trouw en eenvoud beminnen: en alles wat ons,
bewust van het bovennatuurlijke, menselijker zal maken.»15
Laten wij deze meditatie besluiten met ons onder de
bescherming te stellen van onze heilige moeder Maria. Zij wilde de dienstmaagd des Heren16 zijn. Zij zal ons de volle betekenis leren van dit
prachtige christelijke devies: «Heersen is dienen.»17
-1. Wijsh
2,12-20. -2. Mc
9,29-36. -3. The Navarre Bible,
aantekening bij Mc
9,36-37. -4. Vgl. J. Corominas, Diccionario crítico etimológico castellano e hispano,
Madrid 1987, deel 1, trefwoord 'Autor'. -5. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 577.
-6. Mt 20,28. -7. Ibidem. -8. Mt 20,24-27. -9. Vgl. 1 Pe 5,1-3. -10. Vgl.
1 Kor 9,19 e.v.
en 2 Kor 4,5. -11.
Vgl. C. Burke, Authority and Freedom in the Church, uitg.1988,
bl. 114. -12. A. del Portillo, Escritos sobre el sacerdocio,
Madrid 1979, bl. 35. -13. Fil
2,8. -14. C. Burke, o.c. bl. 117. -15. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 530. -16. Lc 1,38. -17. Vgl.
Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 36.
|