Dertigste week. Zaterdag
18. De beste plaats
-De eerste plaatsen. -Nederigheid van Maria. -Vruchten van de nederigheid.
18.1 Elke dag
is een goede dag voor een moment van gebed bij en samen
met Maria, maar vandaag, op zaterdag, willen veel christenen overal ter wereld
de dag heel dicht bij Maria doorbrengen. Wij naderen vandaag tot haar, opdat
zij ons leert vooruitgang te boeken in die deugd, die de grondslag is van alle
andere deugden: de nederigheid. Zij is immers «de deur waar alle genadegaven
doorheen gaan; zij schenkt waarde aan al onze daden en maakt ze aangenaam voor God. Tenslotte maakt zij ons tot
meesters van Gods Hart, zelfs zozeer, dat we Hem, bij wijze van spreken,
tot onze dienaar maken; want God heeft nog nooit weerstand kunnen bieden aan
een nederig hart.»1 Nederigheid is zo'n eerste
voorwaarde voor het heil, dat Jezus elke
omstandigheid benut om deze deugd te prijzen.
Het evangelie van de heilige Mis2 vertelt ons hoe Jezus werd uitgenodigd op een
feestmaal. Aan tafel waren, zoals ook nog vaak in onze dagen het geval is, meer
en minder eervolle plaatsen. De genodigden begaven zich, wellicht een beetje
overhaast, naar die aanzienlijkste plaatsen. Jezus bekeek het allemaal. Toen de
maaltijd misschien al op zijn einde liep, werd het gesprek wat kalmer, en de
Heer zei tot hen: Wanneer gij door
iemand op een bruiloft wordt uitgenodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste
plaats [...]. Maar ga [...] op de minste plaats aanliggen. Als degene die u heeft
uitgenodigd dan komt, zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal u eer
te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen. Want al wie zich
verheft zal vernederd, en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.
Jezus zal waarschijnlijk hebben plaatsgenomen
op een bescheiden plaats of op die welke de gastheer Hem had aangewezen. Hij
kent zijn plaats en tegelijkertijd geeft Hij zich rekenschap van die weinig
chique houding, ook vanuit menselijk standpunt gezien, die de disgenoten
aannemen. Zij vergisten zich van de andere kant geheel en al, omdat zij niet
beseften, dat de beste plaats altijd naast Jezus is. Om daar te zijn, bij de
Heer, daarvoor moesten ze zich inzetten. In het leven van de mensen bemerkt men
niet zelden een vergelijkbare houding met die van de disgenoten: wat spannen ze
zich in om in aanzien te staan en bewonderd te worden, en hoe weinig om dicht
bij God te zijn! Wij bidden vandaag tot de heilige Maria, in dit moment van
gebed en gedurende de dag, dat zij ons mag leren nederig te zijn, want dat is
de enige manier om te groeien in liefde voor haar Zoon, om dicht bij Hem te
zijn. Nederigheid verovert Gods hart. «Quia respexit humilitatem ancillae suae -want
Hij zag de nederigheid van zijn dienstmaagd... Ik raak er iedere dag meer van
overtuigd dat de echte nederigheid de bovennatuurlijke basis is van alle
deugden! Spreek met Onze Lieve Vrouw, opdat zij ons oefent die weg te begaan.»3
18.2 De heilige Maagd leert ons de weg van
de nederigheid. Deze deugd bestaat in essentie niet in het onderdrukken van
impulsen van trots, eerzucht, egoïsme, ijdelheid..., want Onze Lieve Vrouw heeft
nooit een van deze neigingen gekend en werd door God in de hoogste graad met
deze deugd gesierd. Het woord «humilitas, nederigheid» komt van het Latijnse
«humus», aarde, en betekent, etymologisch gezien, «zich ter aarde buigen.» De
deugd van nederigheid bestaat in wezen in het zich buigen voor God en voor
alles wat er van God in de schepselen is4, in
het erkennen van onze kleinheid en poverheid tegenover de grootheid van de
Heer. Heilige zielen «voelen een grote blijdschap in het zich klein maken tegenover
God en in de praktijk te erkennen, dat Hij alleen groot is en dat, in
vergelijking met zijn grootheid, die van de mensen leeg van waarheid en slechts
leugen is.»5 Dit zich klein maken kleineert de
waarachtige aspiraties van het schepsel niet, het beknot die niet, maar
veredelt deze, geeft er nieuwe vleugels aan en opent hun een ruimere horizon.
Wanneer Onze Lieve Vrouw wordt uitverkoren om
moeder van God te worden, noemt zij zich aanstonds zijn dienstmaagd.6 En op het ogenblik dat ze de lofprijzing hoort, dat zij de gezegende is onder de vrouwen7, maakt zij zich
op om haar nicht Elisabeth te gaan dienen. Zij is vol van genade8, maar bewaart in haar binnenste de grootheid die haar is geopenbaard.
Zelfs aan Jozef onthult zij het geheim niet; dat laat zij de Voorzienigheid op
het gepaste ogenblik doen. Vervuld van een onmetelijke vreugde, bezingt zij de
wonderdaden die haar zijn overkomen, maar zij schrijft die toe aan de
Almachtige. Zij heeft van haar kant slechts haar kleinheid en haar instemming
gegeven.9 «Zij kende zichzelf niet. Daarom
vertrouwde zij niet op haar eigen ogen. Zij leefde niet vanuit zichzelf, maar
vanuit God, vanuit zijn wil. Daarom kon zij het bereik van haar eigen kleinheid
afmeten, van haar onbeschermde en tegelijk ook zekere bestaan als schepsel; zij
voelde zich tot niets in staat, maar wel door God gesteund. Ten gevolge daarvan
gaf zij zich over en leefde zij voor God.»10 Zij
zocht nooit haar eigen verheerlijking, geen luister, geen eerste plaats bij
maaltijden; zij wilde niet geacht of gevleid worden, omdat zij de moeder van
Jezus was. Zij zocht alleen Gods verheerlijking.
Nederigheid stoelt op de waarheid, op de
werkelijkheid; vooral op de zekerheid, dat de afstand tussen schepsel en
Schepper oneindig is. Hoe beter men deze afstand begrijpt en inziet hoe God met
zijn gaven naar het schepsel toekomt, des te nederiger en dankbaarder wordt
men. Hoe verhevener een schepsel is, des te meer begrijpt het deze afgrond; om
die reden was de Maagd zo bescheiden. Zij, de dienstmaagd des Heren, is thans de koningin
van het heelal. In haar gingen op verheven wijze de woorden van Jezus aan het
einde van de gelijkenis in vervulling: wie zich vernedert, wie zijn plaats bij God
en de mensen inneemt, zal verheven
worden. Wie nederig is, zal Jezus altijd horen
zeggen: Vriend, ga wat hoger op. «Mogen we ons onvoorwaardelijk in dienst van God weten te stellen;
dan zullen we tot ongelooflijke hoogte worden verheven; wij zullen delen in het
innerlijke leven van God, we zullen 'als goden' zijn, maar wel volgens de voorgeschreven
weg: die van nederigheid en gehoorzaamheid aan de wil van onze God en Heer.»11
18.3 Nederigheid zal ons doen ontdekken,
dat al het goede dat in ons bestaat, van God komt, zowel in de orde der natuur
als die van de genade: Voor úw oog is
mijn levensduur niets12, roept de psalmist uit. Specifiek van onszelf zijn zwakheid en
dwaling. Tegelijkertijd heeft deze deugd niets van doen met schuchterheid,
kleinzieligheid of middelmatigheid. Verre van ontmoedigd te raken, legt de
nederige ziel zich in Gods handen, en ze raakt vervuld van vreugde en
dankbaarheid, wanneer God door haar grootse dingen wil doen. De heiligen zijn
grootmoedige mensen geweest, in staat tot grote daden tot eer van God. De
nederige is vermetel, want hij rekent op de genade van de Heer, die alles
vermag; hij neemt veelvuldig zijn toevlucht tot het gebed -hij is heel
opdringerig!-, want hij is overtuigd van de absolute noodzaak van de goddelijke
bijstand; hij is dankbaar jegens God en zijn naasten, want hij is zich bewust
van de vele vormen van hulp die hij krijgt; hij kan makkelijk vriendschap
sluiten en is daarom zeer geschikt voor het apostolaat... En ook al is de
nederigheid de grondslag van alle deugden, zij is dat heel bijzonder van de
liefde: naarmate wij onszelf vergeten, kunnen wij ons bekommeren om de ander en
voor zijn behoeften zorg dragen. Rond deze twee deugden bevinden zich al de
andere. «Nederigheid en liefde zijn de moederdeugden -zo verzekert de heilige
Franciscus van Sales-; de andere volgen hen zoals kuikens hun kloek.»13 Trots daarentegen is de «wortel en moeder» van alle
zonden, met inbegrip van de doodzonden14, en de
grootste hindernis die de mens de genade in de weg kan leggen.
Trots en droefheid gaan vaak hand in hand15, terwijl blijmoedigheid het erfgoed is van de
nederige ziel. «Kijk naar Maria. Nooit heeft
een schepsel zich met zoveel nederigheid verlaten op de plannen van de
Heer. De nederigheid van de dienstmaagd
des Heren (Lc 1,38) is er de oorzaak van dat wij
haar aanroepen als Oorzaak van onze
blijdschap. Nadat Eva de waanzinnige zonde begaan
had gelijk te willen zijn aan God, verborg ze zich vol schaamte voor de Heer:
ze was bedroefd. Maria belijdt, dat zij de dienstmaagd van de Heer is. En zij
wordt de Moeder van het Woord van God en is vervuld van vreugde. Moge de
blijdschap van Maria, onze goede Moeder, zich aan ons allen meedelen. Laten we
de heilige Maria in alles navolgen en daardoor meer op Christus gaan lijken.»16
-1. H.
Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek
voor de tiende zondag na Pinksteren. -2. Lc 14,1;7-11. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 289. -4. Vgl. R. Garrigou-Lagrange, Het zieleleven van den christen. -5. Ibidem. -6. Vgl. Lc 1,38. -7. Lc 1,42. -8. Lc 1,28. -9. Vgl. Lc 1,47-49. -10. F. Suárez, Maria van Nazareth. -11.
A. Orozco, Mirar a María, Madrid
1981, bl. 238. -12. Ps 38,6. -13. H. Franciscus
van Sales, Epistolarium, fragm. 17. -14. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
II-II, q162, aa. 7-8. -15. Vgl. Johannes
Cassianus, Collationes, 16. -16. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 109.
|