Derde zondag van de veertigdagentijd
19.
DE BETEKENIS VAN VERSTERVING
-Om Christus werkelijk te volgen is het noodzakelijk een
verstorven leven te leiden en dicht bij het kruis te zijn. Wie het offer
ontvlucht, verwijdert zich van de heiligheid. -Met versterving verheffen wij
ons tot de Heer. De vrees voor het offer kwijtraken. -Andere argumenten voor
versterving.
19.1 Hoewel alle daden
uit het leven van Christus verlossende handelingen zijn, vindt de redding van
het mensengeslacht haar hoogtepunt in de uiteindelijke voltrekking aan het
kruis. Zijn gehele aardse leven was hierop gericht. Ik moet een doopsel
ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij
totdat het volbracht is1, zou
Hij zijn apostelen onderweg naar Jeruzalem zeggen. Hij openbaart hun
zijn onstuitbaar vurig verlangen voor ons zijn leven te geven. Hij geeft ons,
door aan het kruis te sterven, het voorbeeld van zijn liefde voor de Wil van de
Vader. Juist aan het kruis bereikt de ziel ten volle de vereenzelviging met
Christus. Dat is de uiteindelijke betekenis van versterving en berouw.
Voor wie zijn leerling wil
zijn, is het een voorwaarde zijn raad te volgen: Wie mijn volgeling
wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf
te verloochenen en zijn kruis op te nemen.2 Het is niet
mogelijk de Heer te volgen zonder het kruis. De woorden van Christus
blijven voor alle tijden van kracht. Zij zijn
gericht tot alle mensen, want als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt -zegt Hij tot iedereen- kan hij mijn leerling
niet zijn.3 Het kruis opnemen
is: het lijden en de tegenspoed
aanvaarden die God voor onze loutering toelaat, de persoonlijke
verplichtingen ten koste van veel offers volbrengen, de vrijwillige
versterving. Deze zijn de onontkoombare
voorwaarden voor het volgen van de Meester.
«Wat zou een evangelie, een christendom zijn zonder lijden,
zonder het offer van het lijden? -vroeg paus Paulus vi zich af-. Het zou een evangelie, een
christendom zijn zonder verlossing, zonder redding die wij -dat moeten wij hier
met volstrekte oprechtheid erkennen- absoluut nodig hebben. De Heer heeft ons
gered met zijn kruis. Met zijn dood heeft Hij ons hoop en het recht willen
geven op het Leven...»4 Het
zou anders een ontkracht christendom zijn, dat niet zou dienen tot het bereiken
van de hemel, want «de wereld kan niet gered worden zonder het kruis van
Christus.»5
Verenigd met Christus verwerven de vrijwillige versterving en
de passieve verstervingen hun diepste betekenis. Het gaat niet in eerste
instantie om de eigen vervolmaking of om een wijze om de tegenslagen van dit
leven geduldig te ondergaan, maar om het deelnemen aan het mysterie van de
Verlossing.
Versterving kan voor sommigen overkomen als zotheid of domheid uit vervlogen tijden die geen gelijke
tred houden met de vooruitgang en met het culturele niveau van onze
tijd. Het kan ook een teken van tegenspraak of een steen des aanstoots zijn
voor hen die in hun leven voor God geen plaats meer hebben. Daarover moeten we
ons echter niet verbazen: de heilige Paulus schreef al, dat het kruis voor
de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid6 was. In de mate
waarin de gelovigen zelf de bovennatuurlijke zin van hun leven kwijtraken,
zullen zij weigeren te begrijpen, dat wij Christus alleen kunnen navolgen door een
offervaardig leven, naast het kruis. «Als je geen versterving doet, word je
nooit een mens van gebed.»7 En de heilige Theresia merkt op: «Het is een dwaasheid te
geloven dat Hij zich met een innige vriendschap zal hechten aan verwende mensen
die alle lijden ontvluchten.»8
De apostelen zelf, die Jezus
Christus volgen als Hij door de menigte wordt toegejuicht, volgen Hem, hoewel
zij Hem innig beminden en zelfs bereid waren hun leven voor Hem te geven, niet
naar Calvarië, want ook zij waren -omdat zij de Heilige Geest nog niet
ontvangen hadden- zwak. Er is een wereld van verschil tussen het volgen van
Christus zonder dat dit veel vergt en de volledige vereenzelviging met Christus
via grote en kleine tegenslagen en een verstorven leven.
De gelovige die tijdens zijn leven systematisch voor het
offer op de vlucht slaat, die in opstand komt tegen het lijden, verwijdert zich
ook van de heiligheid en het geluk die zich veel dichter bij het kruis, dichter
bij Christus onze Verlosser bevinden.
19.2 De Heer vraagt van elke
gelovige, dat hij Hem van nabij volgt. Daartoe is vereist Hem te volgen
tot aan Calvarië. Deze woorden zouden wij nooit mogen vergeten: Wie zijn
kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig.9 Lang voor zijn
lijden aan het kruis zei Hij zijn volgelingen al, dat zij het op hun schouders
zouden moeten nemen.
In de versterving ligt een paradox besloten, een mysterie dat
men alleen kan begrijpen als er liefde is: achter de klaarblijkelijke dood is
het Leven. Hij die uit egoïsme tracht het leven voor zichzelf te behouden,
verliest het: Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn
leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.10 Wil men vrucht dragen, door God te
beminnen, door de anderen daadwerkelijk te helpen, dan zal men onontkoombaar
het offer op zijn weg treffen. Wie niet zaait, zal niet oogsten: Als de
graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij
sterft, brengt hij veel vrucht voort.11 Om op bovennatuurlijk niveau iets te
presteren, moet men sterven aan zichzelf door voortdurende versterving, door
volledig afstand te doen van gemakzucht en egoïsme. «Zou jij geen graankorrel
willen zijn, en willen sterven door versterving, om volle aren voort te
brengen? -Moge Jezus je akker zegenen!»12
Wij moeten de angst kwijtraken voor het offer, voor de
vrijwillige versterving, want het is een Vader die ons om het kruis vraagt, een
Vader die van ons houdt en heel goed weet wat goed voor ons is. Hij wil altijd
het beste voor ons: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten
gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw
schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult
rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zoet en mijn last is licht.13 Naast Christus
drukken verdriet en zorgen ons niet neer, zij zijn niet zwaar. Integendeel, zij
bereiden de ziel voor op het gebed, op het zien van God in de gebeurtenissen
van het leven.
Met versterving verheffen wij ons naar de Heer; zonder stijgen
wij niet boven het maaiveld uit. Met het vrijwillig offer, met het lijden dat
wij opofferen en geduldig en liefdevol verduren, verenigen wij ons innig met de
Heer.
«Dit betekent zoveel als: Gij allen die gekweld, gefolterd en
beladen zijt met de last van uw zorgen en verlangens, ontdoet u ervan door naar
Mij te komen, en Ik zal u verkwikken, en gij zult voor uw zielen de rust vinden
die uw verlangens u ontnemen.»14
19.3 Voor ons besluit
grootmoedig een verstorven leven te gaan leiden, is het van belang de gronden
die er zin aan geven heel goed te kennen. Sommigen zal het misschien moeilijk
vallen meer verstorven te zijn, omdat zij de zin ervan niet ingezien of niet
ontdekt hebben. De drijfveren die de gelovige tot versterving aanzetten zijn
veelsoortig. De eerste hebben we hiervoor al beschouwd: het verlangen zich te
vereenzelvigen met de Heer en Hem te volgen in zijn vurig verlangen te
verlossen door het kruis, door Zich in ditzelfde offer aan de Vader te offeren.
Onze versterving heeft op die wijze dezelfde doeleinden als het lijden en
sterven van Christus en als de heilige Mis, en wordt omgezet in een telkens
vollediger eenheid met de Wil van de Vader.
Versterving is echter ook een middel om vooruitgang te boeken
in het beoefenen van de deugden. Bij de dialoog die in de Mis voorafgaat aan de
prefatie heft de priester zijn handen ten hemel en zegt: Verheft uw hart.
Dan horen we het kerkvolk: Wij zijn met ons hart bij de Heer. Ons hart
moet ononderbroken op God gericht zijn. Het hart van de gelovige moet vervuld
zijn van liefde, met de hoop altijd op God gesteld. Om die reden is het
vereist, dat wij niet verstrikt en gevangen raken in de zaken van de wereld.
Wij zijn steeds onderweg naar grotere loutering. En dat is niet mogelijk zonder
boetvaardigheid, zonder voortdurende versterving: «middelen om vooruit te
komen».15 Zonder
deze middelen blijft de ziel onderworpen aan duizend dingen waarbij onze zinnen
graag stil blijven staan: verknochtheden, onzuiverheden, verburgerlijking,
tomeloze verlangens naar gemakzucht... Versterving bevrijdt ons van veel strikken
en maakt voor ons de weg vrij naar de liefde.
Versterving is een onontbeerlijk middel om apostolaat te
bedrijven, het rijk van Christus te verbreiden. «Actie is niets waard zonder
gebed; het gebed krijgt waarde door het offer.»16 Het zou een soort bedrog zijn, als wij
anderen naar God zouden willen trekken, als die actie niet gegrondvest was op
een intens gebed en als dat gebed zijn kracht niet ontleende aan vreugdevol
geofferde versterving. Daarom is er op duizend verschillende manieren gezegd,
dat het inwendig leven, dat vooral naar buiten treedt in gebed en versterving,
de ziel is van alle apostolaat.17 Laten we, tot slot, niet vergeten, dat de versterving ook
dient tot genoegdoening voor de fouten die we begaan hebben, of die nu groot of
klein waren. Derhalve vragen we de Heer in veel gebeden, dat Hij ons helpt het
leven dat voorbij is weer goed te maken: emendationem vitae, spatium verae
poenitentiae... tribuat nobis omnipotens et misericors Dominus18, de almachtige
en barmhartige Heer schenke ons... verbetering van levenswijze en gelegenheid tot
boetedoening. Op deze wijze worden zelfs begane zonden door de versterving een
bron van nieuw leven. «Begraaf door boetedoening je nalatigheden, je
beledigingen en zonden in de diepe kuil welke je groef door je nederigheid;
-net zoals de tuinier de rotte vruchten, de dorre takjes en bladeren begraaft
aan de voet van de boom die ze heeft voortgebracht. En wat eerst onvruchtbaar,
of beter gezegd, schadelijk was, draagt zo daadwerkelijk bij tot nieuwe
vruchtbaarheid. Leer uit je val een nieuwe impuls te halen: uit de dood,
leven.»19
Vragen we de Heer, dat wij van nu af ons leven op de best
mogelijke wijze zullen weten aan te wenden: «Als je aan je vroegere, niet
bijster opwindende leven terugdenkt, moet je eens nagaan hoeveel tijd je hebt
verloren en hoe je die kunt inhalen: door boete te doen en door een grotere
overgave van jezelf.»20 En
als het moeite kost, zal een van deze gedachten ons te binnen schieten en ons
aanzetten tot gulhartige versterving: «Redenen om boete te doen? Voldoening,
eerherstel, bede, dankzegging: allemaal middelen om vooruit te komen... : voor
jou, voor mij, voor anderen, voor je familie, voor je land, voor de Kerk... En
nog duizend redenen meer.»21
-1. Lc 12,50. -2. Mt 16,24. -3. Lc
14,26. -4. Paulus vi, Toespraak,
24 maart 1967. -5. H. Leo de Grote,
Preek 51. -6. 1 Kor 1,23. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 172. -8. H. Theresia van Avila, De weg der volmaaktheid, 18,1.
-9. Mt 10,38. -10. Mt 16, 25. -11. Joh 12,24. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
199. -13. Mt 11,28-30. -14. H.
Johannes van het Kruis, Bestijging van de Berg Karmel, I,7,4.
-15. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 232. -16. Ibidem, 81. -17. J.B.
Chautard, Het inwendig leven of de ziel van het apostolaat, Gent
1935. -18. Katholiek Gebedenboek, (uitg. Tabor), 1986, bl. 743. -19. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
211. -20. Idem, De Voor,
996. -21. Idem, De Weg,
232.
|