Negentiende week. Maandag
40. DE BIJDRAGE VOOR DE TEMPEL
-Om goede christenen te zijn moeten we voorbeeldige burgers
zijn. -De eerste christenen: voorbeelden voor ons leven middenin de wereld.
-Onze plichten en onze rechten.
40.1 Zij waren juist in Kafarnaüm aangekomen, zo lezen we in het evangelie
van vandaag1, en de collectanten die de tienden
van de tempel ophaalden kwamen op Petrus af en vroegen: Betaalt uw meester de didrachma
niet? Iedere Jood boven de twintig jaar werd
verzocht een jaarlijkse som van twee drachmen te betalen, om de aanbidding van
God in de tempel van Jeruzalem te ondersteunen. Iedereen was hiertoe verplicht,
zelfs de Joden die niet in Palestina woonden. Het bevestigend antwoord van
Petrus -dat hij gaf zonder Jezus te raadplegen- suggereert dat de Heer
gewoonlijk deze belasting betaalde. Het gesprek had waarschijnlijk plaats
buitenshuis. Op dat moment was de Heer er niet bij, dus toen Petrus het huis
binnenging vroeg Jezus, die al binnen was: Van wie heffen de aardse vorsten tol of belasting,
van hun kinderen of van vreemden?
Onder de oude monarchieën werden de cijns en de belastingen
beschouwd als een specifieke betaling voor het onderhoud van de koninklijke
familie. Vandaar Jezus' vraag aan Petrus: Van wie heffen de aardse vorsten tol? Het
antwoord was eenvoudig: Van
vreemden. Toen zei Jezus: Dus de kinderen zijn vrij. Met betrekking tot
het betalen van de bijdrage is Jezus in dezelfde positie als de zonen van de
koning. Door zichzelf tot uitzondering te verklaren leert Hij ons dat Hij Gods
eigen Zoon is, en in het huis van de Vader woont.2
Hij is niet verplicht die bijdrage te betalen.
Maar de Heer wilde zijn verplichtingen als burger vervullen,
zoals de andere mensen dat deden. Hij maakte echter zijn goddelijkheid
zichtbaar voor allen door de manier waarop Hij het te betalen geld verkreeg.
Deze gebeurtenis, die alleen de heilige Matteüs verhaalt, toont ons eveneens de
armoede van de Heer, want Hij bezat nog niet eens twee drachmen, wat maar een
klein bedrag was. Van grote betekenis is ook dat de Heer, naast zijn eigen
aandeel, ook dat van Petrus betaalde. Maar toch, om hun geen aanstoot te geven -zei
Jezus tegen Petrus-, ga
naar het meer, werp uw haak uit en grijp de eerste vis die boven komt; maak
zijn bek open en gij zult een stater vinden; betaal daarmee voor Mij en voor u.
De stater stond gelijk aan een bedrag van vier drachmen.3
De heilige Ambrosius zegt dat dit «de christenen leert zich
te onderwerpen aan het werelds gezag, dat niemand ongehoorzaam mag zijn aan de
bevelschriften van een aardse koning. Als de Zoon van God de bijdrage betaalde,
bent u dan soms te belangrijk om betaling te weigeren? Zelfs Hij, die niets
bezat, betaalde de tol. Gij, die de rijkdommen van de wereld zoekt: waarom
aanvaardt gij de verplichtingen niet die met die goederen samengaan? Waarom
beschouwt gij uzelf als staande boven de wereld?»4
Van deze en andere passages leren wij dat we, om de Meester
na te volgen, goede burgers moeten zijn die hun plichten vervullen op hun werk,
in hun gezin en in de maatschappij. Het betalen van belastingen, onze stem
uitbrengen naar eer en geweten en deelnemen aan openbare diensten, maken deel
uit van deze verplichtingen. «Houd van de regels van een eerzame samenleving,
respecteer ze, en twijfel er niet aan dat ook jouw trouw gehoorzamen aan je
plicht het werktuig kan zijn waardoor anderen de christelijke rechtschapenheid,
vrucht van de liefde tot God, zullen ontdekken en God zullen ontmoeten.»5
40.2 Na de neerdaling van de Heilige Geest met Pinksteren was het de
Apostelen zeer duidelijk dat zij door de Heer waren uitgezonden om Hem kenbaar
te maken in de maatschappij. Zij waren -evenals de Meester- niet van de wereld.6 De wereld zou hen vaak afwijzen. Zonder van de
wereld en zonder werelds te zijn, verwierpen de eerste christenen gedrag en
gewoontes die niet te verenigen waren met het geloof dat zij hadden ontvangen,
hoewel zij zich nooit buitengesloten voelden van de maatschappij waartoe zij,
met recht, behoorden. In hun verkondiging legden zij juist specifiek de nadruk
op die parabels over de speciale plaats die zij midden in de maatschappij
hadden. Dáár konden zij hun invloed volledig uitoefenen: als zout om smaak te
geven aan het leven van alle mensen en het te bewaren voor bederf; als
zuurdesem dat volledig vermengd en bewerkt wordt met de bloem en het deeg doet
rijzen; als licht voor de mensen, opdat anderen -overtuigd door de daden die ze
gezien hebben- de Vader in de hemel zullen verheerlijken.
De eerste christenen zochten geen afzondering, noch wierpen
zij barrières op om zich achter te verbergen en zich te verdedigen in tijden
van felle vervolging. Hun houding tijdens deze beproevingen was noch
strijdlustig noch laf. Zij waren sereen en, zoals zuurdesem, onopvallend
middenin de maatschappij. De aanwezigheid van de christenen in de wereld was
een radicale getuigenis, en alle woede van de vervolgers was niet in staat de
serene en positieve houding van de christenen te doen wankelen. Zij waren
voorbeeldige burgers. De gewelddadigheid van de vervolgingen maakte hen niet
tot onaangepaste of anti-sociale mensen, noch veranderde het hun basishouding
van solidariteit met andere mensen, die hun gelijken zijn. «Wij worden ervan
beschuldigd ons af te scheiden van de rest van het volk» schrijft Tertullianus, «maar dat is een valse beschuldiging, want de christen weet dat hij in hetzelfde schuitje zit
als zijn medeburgers, scheepsmaten met eenzelfde aardse bestemming. Indien het
Keizerrijk door geweld op haar vestingen trilt, dan ondervinden al haar
onderdanen de gevolgen van dit kwaad, wijzelf niet uitgesloten.»7 Hoewel zij soms belasterd en verkeerd begrepen
werden, bleven de christenen trouw aan hun goddelijke én aan hun menselijke
roeping. Zij aanvaardden hun gepaste plaats in de wereld, maakten gebruik van
hun rechten en vervulden stipt hun plichten.8
De eerste christenen waren niet alleen goede christenen, zij
waren ook voorbeeldige burgers omdat hun burgerplichten voortvloeiden uit een
goedgevormd geweten. Door ze te vervullen heiligden zij zichzelf. Zij gehoorzaamden
aan de burgerlijke wetten, niet
alleen uit vrees voor straf maar ook ter wille van een goed geweten9, schrijft de heilige Paulus aan de eerste christenen
van Rome. Hij voegt eraan toe: Om dezelfde reden -[een goed geweten]- betaalt gij ook belasting.10 De heilige martelaar Justinus, schrijft in het
midden van de tweede eeuw: «Zoals we van Hem hebben geleerd, betalen we de belastingen
en bijdragen, volledig en op tijd... Dus zó, hoewel we alleen God aanbidden,
gehoorzamen we u met genoegen in al het overige, en erkennen we volledig dat u
als koningen en gouverneurs over mensen bent aangesteld, en wij bidden dat u,
te zamen met de Keizerlijke macht de gave mag hebben om vol wijsheid te
regeren.»11
Vandaag zouden we ons in ons gebed kunnen afvragen of wij
bekend staan als goede burgers, die stipt hun plichten vervullen; of we goede
buren zijn, goede collega's voor degenen met wie we werken...
40.3 De Kerk heeft altijd aangemoedigd dat christenen, «die burgers zijn van
de tijdelijke stad en van de eeuwige stad, om trouw hun tijdelijke plichten te
vervullen, waartoe zij zich laten leiden door de geest van het evangelie.»12 Anderen moeten in ons het licht van Christus kunnen
zien, dat duidelijk wordt in eerlijk werk, waarin we met zorg onze
verplichtingen aan onze werkgever en medewerkers nakomen, en ook aan de
maatschappij door de vastgestelde belastingen te betalen. Eveneens moeten
studenten zich gewetensvol vormen voor hun nieuwe beroep, professoren moeten
hun colleges dagelijks voorbereiden zodat hun lessen ieder jaar beter worden,
zonder dat ze in middelmatigheid of sleur vervallen. Moeders moeten hun huis
verzorgen, hun kinderen, hun man, en, als het nodig is, een redelijk bedrag
betalen aan degene die haar helpt met het huishouden...
Goede christenen mogen geen slechte burgers zijn. Zij die
aanvoeren dat wij hier
geen blijvende stad hebben maar op zoek zijn naar de stad van de toekomst
(vgl. Heb 13,14), hebben het mis en kunnen daarom onnauwkeurig zijn wat betreft
hun tijdelijke zaken. Zij beseffen niet dat hun geloof hun vraagt deze plichten
met stiptheid te vervullen, al naargelang hun persoonlijke roeping.13
De christen kan zich niet tevreden stellen met slechts het
vervullen van familie- en religieuze verplichtingen. Waar mogelijk, moet hij
aanwezig zijn wanneer er beslist wordt over zaken die de omgeving, het dorp of
de stad aangaan. Zijn leven heeft een sociale en politieke dimensie die
voortkomt uit het geloof en die het beoefenen van de deugden beïnvloedt; dit
behoort tot de kern van ons geloof. «Vanuit dit perspectief vraagt de sociale
en politieke dimensie van liefdadigheid zijn volle edelmoedigheid en
waardigheid. Het is de echte liefde voor de medemens, die zich waarmaakt in het
nastreven van dat wat als algemeen goed geldt voor de hele samenleving.»14 Als christenen worden we geroepen om heilig te zijn
middenin de wereld en moeten we altijd aanwezig houden «de edelmoedigheid en
waardigheid van sociale en politieke verplichtingen, en de geweldige
gelegenheid die deze ons geven om te groeien in geloof, hoop en liefde en in
vastberadenheid, in onthechting en in edelmoedigheid. Wanneer deze sociale en
politieke verplichtingen met een christelijke mentaliteit nageleefd worden,
vormen zij een energieke school naar perfectie en een veeleisende manier om de
deugden na te leven.»15
Als we burgers zijn die zo hun plichten vervullen, dan zullen
we de weg naar Christus aan velen kunnen wijzen. Heden ten dage «is een nieuwe
en ongevormde massa ontstaan in de landen met het oude christelijke erfgoed,
terwijl de wereld -over de hele linie- een terrein is voor apostolische
activiteit die alle mensen zou moeten bereiken; dit is de taak waartoe alle
christenen geroepen zijn. Vandaag de dag zijn de Kerk en al haar kinderen opgeroepen
tot de missionaire activiteit, en het zuurdesem moet nu haar vernieuwende
kracht gaan uitoefenen.»16 Dit wordt mogelijk
wanneer we begrijpen dat we burgers zijn, met rechten en plichten en met de
wens om de moeilijkheden van het leven, middenin de wereld, onder ogen te zien.
-1. Mt 17,21-26. -2. Vgl. Joh 16,15. -3. Vgl. F.
Spadafora,
Dizionario biblico. -4. H.
Ambrosius, Commentaar
op het evangelie van Lucas, IV, 73. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 322. -6. Joh 17,16. -7. Tertullianus, Apologeticum, 28. -8. Vgl. D. Ramos, El testimonio de los primeros cristianos,
Madrid, 1969, bl. 170 ss. -9. Rom 13,5. -10. Rom 13,6. -11. H. Justinus, Apologia I,17. -12. Vaticanum
ii, Past. const. Gaudium et spes, 42. -13. Ibidem. -14. Spaans Bisschoppelijke Conferentie, Los católicos en la vida pública,
22 april 1986, 60 en 63. -15.
Ibidem. -16. J. Orlandis, La vocación cristiana del hombre de hoy,
3e ed., Madrid 1973, bl. 74-75.
|