De Boog
... voor eenheid in geloof en leven

ZOEK   EEN BOEK  
 
e-mailadres: 
Klant:   
Registreer Klantnummer vergeten?
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escriva
Spreken met God
Over Jozefmaria Escriva
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie Atrium
Theologie andere boeken
DVD
Navarre bible NT
Navarre bible OT
Gezin
Medische Ethiek

Francisco en Jacinta van Fatima
Over 2 Portugese kinderen aan wie Onze Lieve Vrouw in 1917 in Fatima verscheen. Meer ...

Home >  De bijdrage voor de tempel

Negentiende week. Maandag

40. DE BIJDRAGE VOOR DE TEMPEL

-Om goede christenen te zijn moeten we voorbeeldige burgers zijn. -De eerste christenen: voorbeelden voor ons leven middenin de wereld. -Onze plichten en onze rechten.

40.1 Zij waren juist in Kafarnaüm aangekomen, zo lezen we in het evangelie van vandaag1, en de collectanten die de tienden van de tempel ophaalden kwamen op Petrus af en vroegen: Betaalt uw meester de didrachma niet? Iedere Jood boven de twintig jaar werd verzocht een jaarlijkse som van twee drachmen te betalen, om de aanbidding van God in de tempel van Jeruzalem te ondersteunen. Iedereen was hiertoe verplicht, zelfs de Joden die niet in Palestina woonden. Het bevestigend antwoord van Petrus -dat hij gaf zonder Jezus te raadplegen- suggereert dat de Heer gewoonlijk deze belasting betaalde. Het gesprek had waarschijnlijk plaats buitenshuis. Op dat moment was de Heer er niet bij, dus toen Petrus het huis binnenging vroeg Jezus, die al binnen was: Van wie heffen de aardse vorsten tol of belasting, van hun kinderen of van vreemden?

Onder de oude monarchieën werden de cijns en de belastingen beschouwd als een specifieke betaling voor het onderhoud van de koninklijke familie. Vandaar Jezus' vraag aan Petrus: Van wie heffen de aardse vorsten tol? Het antwoord was eenvoudig: Van vreemden. Toen zei Jezus: Dus de kinderen zijn vrij. Met betrekking tot het betalen van de bijdrage is Jezus in dezelfde positie als de zonen van de koning. Door zichzelf tot uitzondering te verklaren leert Hij ons dat Hij Gods eigen Zoon is, en in het huis van de Vader woont.2 Hij is niet verplicht die bijdrage te betalen.

Maar de Heer wilde zijn verplichtingen als burger vervullen, zoals de andere mensen dat deden. Hij maakte echter zijn goddelijkheid zichtbaar voor allen door de manier waarop Hij het te betalen geld verkreeg. Deze gebeurtenis, die alleen de heilige Matteüs verhaalt, toont ons eveneens de armoede van de Heer, want Hij bezat nog niet eens twee drachmen, wat maar een klein bedrag was. Van grote betekenis is ook dat de Heer, naast zijn eigen aandeel, ook dat van Petrus betaalde. Maar toch, om hun geen aanstoot te geven -zei Jezus tegen Petrus-, ga naar het meer, werp uw haak uit en grijp de eerste vis die boven komt; maak zijn bek open en gij zult een stater vinden; betaal daarmee voor Mij en voor u. De stater stond gelijk aan een bedrag van vier drachmen.3

De heilige Ambrosius zegt dat dit «de christenen leert zich te onderwerpen aan het werelds gezag, dat niemand ongehoorzaam mag zijn aan de bevelschriften van een aardse koning. Als de Zoon van God de bijdrage betaalde, bent u dan soms te belangrijk om betaling te weigeren? Zelfs Hij, die niets bezat, betaalde de tol. Gij, die de rijkdommen van de wereld zoekt: waarom aanvaardt gij de verplichtingen niet die met die goederen samengaan? Waarom beschouwt gij uzelf als staande boven de wereld?»4

Van deze en andere passages leren wij dat we, om de Meester na te volgen, goede burgers moeten zijn die hun plichten vervullen op hun werk, in hun gezin en in de maatschappij. Het betalen van belastingen, onze stem uitbrengen naar eer en geweten en deelnemen aan openbare diensten, maken deel uit van deze verplichtingen. «Houd van de regels van een eerzame samenleving, respecteer ze, en twijfel er niet aan dat ook jouw trouw gehoorzamen aan je plicht het werktuig kan zijn waardoor anderen de christelijke rechtschapenheid, vrucht van de liefde tot God, zullen ontdekken en God zullen ontmoeten.»5

40.2 Na de neerdaling van de Heilige Geest met Pinksteren was het de Apostelen zeer duidelijk dat zij door de Heer waren uitgezonden om Hem kenbaar te maken in de maatschappij. Zij waren -evenals de Meester- niet van de wereld.6 De wereld zou hen vaak afwijzen. Zonder van de wereld en zonder werelds te zijn, verwierpen de eerste christenen gedrag en gewoontes die niet te verenigen waren met het geloof dat zij hadden ontvangen, hoewel zij zich nooit buitengesloten voelden van de maatschappij waartoe zij, met recht, behoorden. In hun verkondiging legden zij juist specifiek de nadruk op die parabels over de speciale plaats die zij midden in de maatschappij hadden. Dáár konden zij hun invloed volledig uitoefenen: als zout om smaak te geven aan het leven van alle mensen en het te bewaren voor bederf; als zuurdesem dat volledig vermengd en bewerkt wordt met de bloem en het deeg doet rijzen; als licht voor de mensen, opdat anderen -overtuigd door de daden die ze gezien hebben- de Vader in de hemel zullen verheerlijken.

De eerste christenen zochten geen afzondering, noch wierpen zij barrières op om zich achter te verbergen en zich te verdedigen in tijden van felle vervolging. Hun houding tijdens deze beproevingen was noch strijdlustig noch laf. Zij waren sereen en, zoals zuurdesem, onopvallend middenin de maatschappij. De aanwezigheid van de christenen in de wereld was een radicale getuigenis, en alle woede van de vervolgers was niet in staat de serene en positieve houding van de christenen te doen wankelen. Zij waren voorbeeldige burgers. De gewelddadigheid van de vervolgingen maakte hen niet tot onaangepaste of anti-sociale mensen, noch veranderde het hun basishouding van solidariteit met andere mensen, die hun gelijken zijn. «Wij worden ervan beschuldigd ons af te scheiden van de rest van het volk» schrijft Tertullianus, «maar dat is een valse beschuldiging, want de christen weet dat hij in hetzelfde schuitje zit als zijn medeburgers, scheepsmaten met eenzelfde aardse bestemming. Indien het Keizerrijk door geweld op haar vestingen trilt, dan ondervinden al haar onderdanen de gevolgen van dit kwaad, wijzelf niet uitgesloten.»7 Hoewel zij soms belasterd en verkeerd begrepen werden, bleven de christenen trouw aan hun goddelijke én aan hun menselijke roeping. Zij aanvaardden hun gepaste plaats in de wereld, maakten gebruik van hun rechten en vervulden stipt hun plichten.8

De eerste christenen waren niet alleen goede christenen, zij waren ook voorbeeldige burgers omdat hun burgerplichten voortvloeiden uit een goedgevormd geweten. Door ze te vervullen heiligden zij zichzelf. Zij gehoorzaamden aan de burgerlijke wetten, niet alleen uit vrees voor straf maar ook ter wille van een goed geweten9, schrijft de heilige Paulus aan de eerste christenen van Rome. Hij voegt eraan toe: Om dezelfde reden -[een goed geweten]- betaalt gij ook belasting.10 De heilige martelaar Justinus, schrijft in het midden van de tweede eeuw: «Zoals we van Hem hebben geleerd, betalen we de belastingen en bijdragen, volledig en op tijd... Dus zó, hoewel we alleen God aanbidden, gehoorzamen we u met genoegen in al het overige, en erkennen we volledig dat u als koningen en gouverneurs over mensen bent aangesteld, en wij bidden dat u, te zamen met de Keizerlijke macht de gave mag hebben om vol wijsheid te regeren.»11

Vandaag zouden we ons in ons gebed kunnen afvragen of wij bekend staan als goede burgers, die stipt hun plichten vervullen; of we goede buren zijn, goede collega's voor degenen met wie we werken...

40.3 De Kerk heeft altijd aangemoedigd dat christenen, «die burgers zijn van de tijdelijke stad en van de eeuwige stad, om trouw hun tijdelijke plichten te vervullen, waartoe zij zich laten leiden door de geest van het evangelie.»12 Anderen moeten in ons het licht van Christus kunnen zien, dat duidelijk wordt in eerlijk werk, waarin we met zorg onze verplichtingen aan onze werkgever en medewerkers nakomen, en ook aan de maatschappij door de vastgestelde belastingen te betalen. Eveneens moeten studenten zich gewetensvol vormen voor hun nieuwe beroep, professoren moeten hun colleges dagelijks voorbereiden zodat hun lessen ieder jaar beter worden, zonder dat ze in middelmatigheid of sleur vervallen. Moeders moeten hun huis verzorgen, hun kinderen, hun man, en, als het nodig is, een redelijk bedrag betalen aan degene die haar helpt met het huishouden...

Goede christenen mogen geen slechte burgers zijn. Zij die aanvoeren dat wij hier geen blijvende stad hebben maar op zoek zijn naar de stad van de toekomst (vgl. Heb 13,14), hebben het mis en kunnen daarom onnauwkeurig zijn wat betreft hun tijdelijke zaken. Zij beseffen niet dat hun geloof hun vraagt deze plichten met stiptheid te vervullen, al naargelang hun persoonlijke roeping.13

De christen kan zich niet tevreden stellen met slechts het vervullen van familie- en religieuze verplichtingen. Waar mogelijk, moet hij aanwezig zijn wanneer er beslist wordt over zaken die de omgeving, het dorp of de stad aangaan. Zijn leven heeft een sociale en politieke dimensie die voortkomt uit het geloof en die het beoefenen van de deugden beïnvloedt; dit behoort tot de kern van ons geloof. «Vanuit dit perspectief vraagt de sociale en politieke dimensie van liefdadigheid zijn volle edelmoedigheid en waardigheid. Het is de echte liefde voor de medemens, die zich waarmaakt in het nastreven van dat wat als algemeen goed geldt voor de hele samenleving.»14 Als christenen worden we geroepen om heilig te zijn middenin de wereld en moeten we altijd aanwezig houden «de edelmoedigheid en waardigheid van sociale en politieke verplichtingen, en de geweldige gelegenheid die deze ons geven om te groeien in geloof, hoop en liefde en in vastberadenheid, in onthechting en in edelmoedigheid. Wanneer deze sociale en politieke verplichtingen met een christelijke mentaliteit nageleefd worden, vormen zij een energieke school naar perfectie en een veeleisende manier om de deugden na te leven.»15

Als we burgers zijn die zo hun plichten vervullen, dan zullen we de weg naar Christus aan velen kunnen wijzen. Heden ten dage «is een nieuwe en ongevormde massa ontstaan in de landen met het oude christelijke erfgoed, terwijl de wereld -over de hele linie- een terrein is voor apostolische activiteit die alle mensen zou moeten bereiken; dit is de taak waartoe alle christenen geroepen zijn. Vandaag de dag zijn de Kerk en al haar kinderen opgeroepen tot de missionaire activiteit, en het zuurdesem moet nu haar vernieuwende kracht gaan uitoefenen.»16 Dit wordt mogelijk wanneer we begrijpen dat we burgers zijn, met rechten en plichten en met de wens om de moeilijkheden van het leven, middenin de wereld, onder ogen te zien.

-1. Mt 17,21-26. -2. Vgl. Joh 16,15. -3. Vgl. F. Spadafora, Dizionario biblico. -4. H. Ambrosius, Commentaar op het evangelie van Lucas, IV, 73. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 322. -6. Joh 17,16. -7. Tertullianus, Apologeticum, 28. -8. Vgl. D. Ramos, El testimonio de los primeros cristianos, Madrid, 1969, bl. 170 ss. -9. Rom 13,5. -10. Rom 13,6. -11. H. Justinus, Apologia I,17. -12. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 42. -13. Ibidem. -14. Spaans Bisschoppelijke Conferentie, Los católicos en la vida pública, 22 april 1986, 60 en 63. -15. Ibidem. -16. J. Orlandis, La vocación cristiana del hombre de hoy, 3e ed., Madrid 1973, bl. 74-75.





Nieuwsbrief & e-Book

naam:
e-mail adres:
Meer info ...

Betaal Informatie

iDeal

Klanten service

Bestellen
Per e-mail
Tel. (035) 694 63 50

Adres

Bezoek- en verkoopadres:
Stichting Leesgoed, Keizersgracht 218-B, Amsterdam
Dinsdag t/m donderdag van 10:30 tot 13:15 uur.
Zondag van 12:15 tot 13:15 uur