Derde zondag van de advent
15. DE BLIJDSCHAP VAN DE ADVENT
-Advent: een tijd van blijdschap en verwachting.
Blijdschap is het dicht bij Jezus zijn; verdriet is Hem kwijtraken. -De
blijdschap van de katholiek. De grondslag ervan. -De anderen blijdschap
brengen. Blijdschap is onmisbaar in alle apostolische activiteiten.
15.1 De
misliturgie van deze zondag brengt ons de herhaalde aanbeveling van de apostel
Paulus aan de eerste christenen van Filippi: Verheugt u in de Heer te allen
tijde. Nog eens, verheugt u.1 En meteen
geeft de Apostel de reden daarvoor: De Heer is nabij.
Dat is de vreugde van de
advent en van elke dag: Jezus is heel dicht bij ons. Steeds dichterbij. En de
heilige Paulus reikt ons de sleutel aan om de oorsprong van onze droefheid te
begrijpen: onze verwijdering van God, door onze zonden of door onze lauwheid.
De Heer vervult ons altijd
met blijdschap en nooit met verdriet. «Zijn geheimen zijn allemaal blijde
geheimen; de droevige geheimen hebben wijzelf veroorzaakt.»2 Verheug u,
Begenadigde, de Heer is met u3, zegt de engel tot Maria. De nabijheid van de Heer is de
oorzaak van de blijdschap van Maria. En toen Johannes de Doper nog niet geboren
was, zou hij zijn vreugde om de nabijheid van de Messias al tonen in de schoot
van Elisabeth.4 En
de engel zou de herders aankondigen: Vreest niet, want zie, ik verkondig u
een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor het hele volk. Heden is u een
Redder geboren...5 Blijdschap
is bij Jezus te horen, droefheid is Hem te verliezen.
Het volk volgt Jezus en de
kinderen gaan naar Hem toe. Tussen haakjes: kinderen gaan nooit naar
verdrietige mensen toe. En heel de menigte verheugde zich over al de
heerlijke daden die Hij verrichtte.6
Na de duistere dagen die
volgen op het lijden en sterven verschijnt de verrezen Christus bij verscheidene
gelegenheden aan zijn leerlingen. En de evangelist zal een en andermaal
aanduiden dat de leerlingen vervuld van vreugde waren toen zij de Heer zagen.7 Zij zouden die
ontmoetingen, waarbij hun zielen een onbeschrijflijke vreugde ervoeren, nooit vergeten.
Verheugt u, zegt de
heilige Paulus ons vandaag. En wij hebben er genoeg gronden voor. Sterker
nog, wij beschikken over het enige motief: de Heer is nabij. Wij kunnen
naar Hem toegaan, als we maar willen. Over een paar dagen zal het Kerstmis zijn,
ons feest, het feest van de christenheid en ook van de mensheid die zonder het
te weten op zoek is naar Christus. Wij naderen Kerstmis en God verwacht dat wij
blij zullen zijn, als de herders, als de drie Koningen, als Maria en Jozef.
Wij zullen verblijd kunnen
zijn, als de Heer werkelijk in ons leven aanwezig is, als wij Hem niet verloren
hebben, als onze blik niet vertroebeld is door lauwheid of gebrek aan
edelmoedigheid. Wie het geluk zoekt langs een andere weg dan die naar Jezus
voert, zal uiteindelijk alleen ongeluk en verdriet aantreffen. De ervaring van
allen die op een of andere wijze hun hoofd de andere kant op wendden -en dus
niet naar God toe- is steeds dezelfde geweest: zij hebben ondervonden dat er
buiten God geen echte blijdschap is. En dat kan ook niet. Christus ontmoeten,
en Hem willen ontmoeten, veronderstelt een diepe, altijd nieuwe blijdschap.
15.2 Juicht
hemelen! Aarde, jubel! Breekt uit in gejuich, gij bergen! De Heer zal immers
komen.8 De gerechtigheid breekt
door in zijn dagen, de vrede komt tot vervulling.9 De katholiek moet in zijn hele wezen blij zijn. Onze
blijdschap is trouwens niet zo maar een blijdschap, het is de blijdschap van
Christus die gerechtigheid en vrede meevoert. Hij alleen kan die blijdschap
verschaffen en doen behouden, doordat de wereld het geheim ervan niet kent.
De blijdschap van de
wereld wordt gegeven door wat ons aan onszelf onttrekt; die blijdschap
ontstaat, als het de mens lukt aan zichzelf te ontsnappen, wanneer hij naar
buiten kijkt, wanneer hij het voor elkaar krijgt zijn blik af te wenden van
zijn binnenwereld, waar hij alleen maar eenzaamheid ziet, omdat het kijken in
de leegte is. De gelovige voert de vreugde in zichzelf mee, doordat hij God in
zijn ziel vol dankbaarheid ontmoet. Dat is de blijvende bron van zijn
blijdschap.
Het is niet moeilijk zich
in deze advent de heilige Maria voor te stellen die straalt van blijdschap om
de Zoon van God in haar schoot. De blijdschap van de wereld is pover en
vluchtig. De vreugde van de christen gaat diep en is in staat te overleven te
midden van moeilijkheden. Zij is bestand tegen verdriet, ziekte, mislukkingen
en tegenkantingen. Ik zal u een blijdschap geven die niemand u zal kunnen
ontnemen10,
heeft de Heer beloofd. Niets en niemand zal ons deze vreugdevolle vrede kunnen
afnemen, als wij ons maar niet verwijderen van de bron ervan.
De zekerheid hebben dat
God onze Vader is en het beste met ons voorheeft, zal ons een blij en sereen
vertrouwen verschaffen, ook tegenover de hardheid, in sommige gevallen, van het
onverhoopte: in die ogenblikken die een mens zonder geloof zou beschouwen als
fatale en zinloze slagen, ontdekt de katholiek de Heer en, met Hem, een veel
groter goed. «Hoeveel hindernissen verdwijnen er niet, als we in ons binnenste
God tot zeer nabij naderen: deze God van ons die ons nooit verlaat! Deze liefde
van Christus voor de zijnen, voor zieken en invaliden, treedt met onderscheiden
schakeringen telkens nieuw naar voren en Hij vraagt: wat gebeurt er, wat
overkomt je? Met mij gebeurt... En plotseling is er licht of, minstens,
aanvaarding en vrede.»11 «Wat overkomt je?», vraagt Hij ons. En zien wij naar Hem
op, dan zal ons nooit iets ergs gebeuren. Bij Hem zullen we de vrede en de
blijdschap herkrijgen.
Wij zullen moeilijkheden
ondervinden, zoals alle mensen die ondervonden hebben; maar deze tegenslagen
-groot of klein- zullen ons onze blijdschap niet ontnemen. Moeilijkheden zijn
iets normaals waar we rekening mee moeten houden. Onze blijdschap kan geen
perioden verwachten zonder tegenvallers, zonder verleidingen en zonder
verdriet. Sterker nog, de hindernissen waar we in ons leven op stuiten, bieden ons de mogelijkheid in deugd te groeien.
De grondslag van onze
blijdschap moet stevig zijn. Blijdschap kan niet enkel en alleen op
voorbijgaande zaken gebaseerd zijn, zoals plezierige berichten, goede
gezondheid, rust, goed in de slappe was zitten om het gezin voort te helpen,
overvloed aan stoffelijke hulpmiddelen... allemaal goede zaken, in zoverre ze
betrokken zijn op God, maar op zich onvoldoende om ons echte blijdschap te
verschaffen.
De Heer vraagt ons altijd
blij te zijn. Laat ieder goed toezien waar hij op bouwt, want niemand kan
een ander fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus.12 Alleen Hij is in
staat ons in ons leven helemaal te schragen. Er is geen verdriet dat Hij niet
kan stelpen. Wees niet bang, maar heb geloof 13, zegt Hij ons. Hij houdt rekening met
alle omstandigheden die wij in ons leven zullen tegenkomen. Hij houdt ook
rekening met de gevolgen van onze domheid en ons gebrek aan heiligheid. Maar
Hij heeft voor elke omstandigheid een geneesmiddel.
In veel gevallen zal het,
zoals in deze ogenblikken van gebed, nodig zijn dat we ons tot Hem richten in
een intieme en diepgaande tweespraak voor het tabernakel. Het zal nodig zijn
onze ziel bloot te leggen in de biecht, in de privé geestelijke leiding. Daar
zullen we stuiten op de bron van de blijdschap. Onze dankbaarheid zal blijken
uit een groter geloof, in een toegenomen hoop die alle droefheid verdrijft en
in zorg om de anderen.
Nog een heel korte tijd en
Hij die komen moet, zal komen, zonder uitstel14, en met Hem komen vrede en blijdschap.
Met Jezus vinden we de betekenis van ons leven.
15.3 Een
bedroefde ziel valt aan veel bekoringen ten prooi. Hoeveel zonden worden er niet
begaan in het duister van de droefenis! Wanneer de ziel verblijd is, straalt
zij blijdschap uit en bezielt de anderen. Droefheid verduistert de omgeving en
richt zo schade aan. Droefheid komt voort uit zelfzucht, uit het aan zichzelf
denken met voorbijgaan aan de anderen, uit slordigheid met betrekking tot het
werk, uit gebrek aan versterving, uit de zucht naar bevestiging, uit de
onzorgvuldigheid in de omgang met God.
Zichzelf vergeten, niet
buitensporig met de eigen zaken bezig zijn, dat zijn de onontkoombare
voorwaarden om Christus, het voorwerp van onze blijdschap, te kunnen leren
kennen en Hem te kunnen dienen. Wie buitensporig met zichzelf bezig is, zal
moeilijk de vreugde vinden van het openstaan voor God en de anderen. En om God
te bereiken en in deugd te groeien zullen we blij moeten zijn. Bovendien zullen
we onze omgeving veel goed doen als we blij onze plichten vervullen, want deze
vreugde komt van God. De heilige Paulus geeft de eerste christenen deze raad: Draagt
elkanders lasten; op die manier zult ge de wet van Christus vervullen.15 Heel vaak zijn
deze kleine vreugden voldoende om het leven voor de anderen aangenamer te
maken. Ook al brengen ze weinig verlichting, ze laten zien, dat wij rekening
houden met de anderen en hen waarderen. Het gaat om een glimlach, een hartelijk
woord, een complimentje, geen drama's maken van onbelangrijke zaken die we
moeten laten passeren en vergeten. Zo dragen we bij aan het vergemakkelijken
van het leven voor de mensen om ons heen. Dat is een van de grootste opdrachten
van de gelovige: blijdschap brengen in een wereld die droef is omdat ze van
Christus verwijderd is.
In veel gevallen wijst een
beek de weg naar de bron. Deze blijken van blijdschap zullen degenen met wie
wij gewoonlijk omgaan, leiden naar de bron van alle echte blijdschap, naar de
Heer, Jezus Christus.
Laten we de
voorbereidingen voor het Geboortefeest van de Heer treffen samen met Maria.
Laten we er ook aan denken het in onze omgeving voor te bereiden door een sfeer
van christelijke vrede te doen groeien door de mensen om ons heen kleine
tekenen van blijdschap en blijken van genegenheid te schenken. De mensen hebben
bewijzen nodig dat Christus geboren gaat worden in Bethlehem en weinig bewijzen
zijn zo overtuigend als de gewoonte van blijdschap van de katholiek, zelfs als
die gepaard gaat met verdriet en tegenslagen. De heilige Maagd ondervond die in
overvloed toen zij aankwam in Bethlehem, moe van de lange reis vindt zij geen
plaats die waardig genoeg is voor de geboorte van haar Zoon. Deze problemen
doen haar niet de blijdschap om God vergeten die caro factum est, et
habitavit in nobis, vlees is geworden en onder ons heeft gewoond.
-1. Fil 4,4.
-2. P.A. Reggio, Vergeet de
vreugde niet. -3. Lc 1,28. -4. Lc 1,41. -5. Lc
2,10-11. -6. Lc 13,17. -7. Joh 20,20. -8. Vgl. Jes 49,13.
-9. Ps 72(71),7. -10. Vgl. Joh 16,22. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 249. -12. 1
Kor 3,10-11. -13. Lc 8,50. -14. Heb 10,37. -15. Gal
6,2.
|