Veertiende week door het jaar. Donderdag
61. De bovennatuurlijke zending van de Kerk
-De Kerk verkondigdt de boodschap van Christus en zet Zijn
werk verder in de wereld voort. -De zending van de Kerk is van een
bovennatuurlijke orde, maar zij is niet onverschillig voor ondernemingen die de
menselijke waardigheid raken. -Christenen bewijzen hun eenheid van leven door
het aanmoedigen van werken van gerechtigheid en barmhartigheid.
61.1 Jezus voltooit het werk van
de Verlossing door zijn Lijden, Dood en Verrijzenis. Na zijn Hemelvaart zendt
Hij de Heilige Geest zodat zijn volgelingen bekwaam zullen zijn om het evangelie
te verkondigen en de gehele mensheid deelgenoot te maken van de redding. Op die
wijze zijn de apostelen de arbeiders door de Eigenaar naar de oogst gezonden,
de dienaren uitgezonden om hen die op de bruiloft zijn uitgenodigd te roepen,
de knechten die belast zijn om de bruiloftszaal te vullen.1
Maar naast deze missie vertegenwoordigen de apostelen Christus
zelf en de Vader: Wie naar u luistert, luistert naar Mij;
en wie u verstoot, verstoot Mij. Wie Mij verstoot, verstoot Hem die Mij
gezonden heeft.2 De zending van de
apostelen moet innig verenigd zijn met die van Christus: Zoals
de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.3 Het zal juist door hen zijn dat Christus' zending naar
alle naties en alle tijdperken zal worden verbreid. De Kerk, gesticht door
Christus en gebouwd op de apostelen, gaat voort de eigen boodschap van de Heer
te verkondigen en zet zijn werk verder in de wereld.4
Het evangelie van de mis van vandaag5
vertelt ons hoe Jezus de Twaalf, die Hij zojuist
heeft uitgekozen, aanspoort uit te gaan om hun nieuwe taak te vervullen. Deze
eerste opdracht is een voorbereiding en een voorafbeelding van de definitieve
zending die na de Verrijzenis zal plaatshebben. Dan zal Hij tegen hen zeggen: Ga, verkondig het evangelie aan de heel de schepping. Maak alle
volkeren tot mijn leerlingen. Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de
voleinding der wereld.6
Tot aan de komst van Jezus hadden de profeten aan het uitverkoren
volk van het Oude Testament al de weldaden voorspeld die de Messias met Zich
zou meebrengen. Soms hadden zij een beeldspraak gebruikt, aangepast aan de
mentaliteit van de mensen die nog niet voldoende rijp waren om de werkelijkheid
die tot stand gebracht moest worden, ten volle te begrijpen. Nu, met deze
eerste apostolische missie, zendt Jezus zijn apostelen uit om bekend te maken
dat het zo lang beloofde Koninkrijk van God op handen is, en om zijn
geestelijke facetten openbaar te maken. De Heer zegt hun nauwkeurig wat zij
moeten prediken: Het Koninkrijk der Hemelen is nabij. Hij
zegt niets over de bevrijding van het Romeinse juk waaronder de natie leed. Hij
spreekt niet over het soort sociaal of politiek stelsel waaronder zij zouden
leven, evenmin, inderdaad, over enig ander exclusief wereldlijke zaak. Christus
kwam niet voor zo'n doel, en zij zijn niet gekozen om zich om zulke zaken te
bekommeren. Zij zullen leven om getuigenis over Christus af te leggen, zijn
leer te verspreiden en alle mensen deelgenoot te maken van zijn redding. De heilige
Paulus volgde dezelfde weg. «Als wij hem over zijn prediking zouden ondervragen,
dan zou hij deze zelf aldus samenvatten: Ik had mij voorgenomen
u geen enkele wetenschap te brengen dan die van Jezus Christus en zijn kruis (1
Kor 2,2). Mensen in staat te stellen Jezus Christus steeds beter te leren
kennen; hen in staat te stellen kennis van Hem te bezitten die niet ophoudt bij
geloof alleen, maar die vertaald wordt in werkelijke daden, dat is hetgeen de
apostel uit heel zijn kracht nastreefde.»7
De Kerk, die in de tijd het werk van Jezus Christus voortzet,
heeft dezelfde bovennatuurlijke zending die haar Goddelijke Stichter aan de
apostelen doorgaf. «De Kerk is gesticht om alle mensen deel te doen hebben aan
verlossing en heil en door hen de gehele wereld metterdaad tot Christus te
richten, door de uitbreiding van het rijk van Christus over geheel de aarde tot
glorie van God, de Vader.»8 Haar zending overstijgt alle sociale bewegingen en
ideologieën, of de aanspraken door verschillende groepen gemaakt;
tegelijkertijd toont zij met steeds hernieuwde bezorgdheid haar zorg voor alle
menselijke problemen en tracht haar sociale leer te richten op het
bovennatuurlijke en waarachtig menselijke doel van de mens.
61.2 Ga en
verkondig: het Rijk der Hemelen is nabij. Onze Moeder de Kerk is
gezonden om de mensheid de meest verheven schat te geven die we ons ooit kunnen
indenken. Haar zending is om alle mensen naar hun bovennatuurlijke en eeuwige
bestemming te leiden voornamelijk door de verkondiging en de sacramenten: «Dat,
en geen ander, is het doel van de Kerk: de redding van de zielen, één voor één.
Daartoe zond de Vader zijn Zoon, en zo zend Ik u
(Joh 20,21). Vandaar het gebod de leer bekend te maken en de mensen te dopen opdat
de Allerheiligste Drieëenheid door de genade mag verblijven in de zielen.»9 Jezus Christus zelf heeft ons verteld: Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in
overvloed.10 De Heer verwees niet naar
een gemakkelijk en geriefelijk aards leven, maar integendeel naar het eeuwige
leven. Hij kwam ons hoofdzakelijk bevrijden van alles wat ons verhindert het
leven te bereiken waarvoor wij zijn bestemd: ons te bevrijden van de zonde, dat
het enige absolute kwaad is. Zo geeft Hij ons ook de mogelijkheid om de
talrijke gevolgen van de zonde in deze wereld te overwinnen, zoals angst,
onrechtvaardigheid, eenzaamheid. Hij laat ons zien hoe die opgewekt voor God te
verdragen als we ze niet kunnen vermijden, en hoe smart te veranderen in
vruchtbaar lijden dat de eeuwigheid verwerft.
Zoals haar Meester kiest de Kerk geen partij in bepaalde wereldlijke
keuzemogelijkheden. De ongelovigen die Hem bijna helemaal verlaten op het Kruis
zagen, zouden kunnen gedacht hebben dat Hij mislukt was. «Juist omdat Hij niet
voor menselijke oplossingen koos, hebben noch Joden noch Romeinen Hem gevolgd.
Maar zo is het niet. Het is precies het tegenovergestelde: Joden en Romeinen,
Grieken en barbaren, vrije mensen en slaven, mannen en vrouwen, gezonden en
zieken, allen volgden deze mensgeworden God, die ons bevrijd heeft van de zonde
om ons op de weg naar onze eeuwige bestemming te zetten. Alleen daar zal onze
volheid bereikt worden; en dat zal niets minder zijn dan de vrijheid en
volmaakte mensheid van de mens, die naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen
en wiens diepste aspiraties voorbijgaand streven en pogen, hoe edel die ook
mogen zijn, verre overstijgen.»11
De Kerk heeft als haar zending de opdracht haar kinderen naar
God te leiden, naar hun eeuwige bestemming. Zij staat echter niet onverschillig
tegenover menselijk ondernemen. Juist door de ware aard van haar geestelijke
zending wekt zij haar kinderen en alle mensen op, zich bewust te worden van de
wortel vanwaar alle kwaad komt, en spoort hen aan oplossingen te vinden voor
zoveel onrechtvaardigheid, voor de betreurenswaardige omstandigheden waarin
zovele mensen leven, en die een misdaad zijn tegen de Schepper en de menselijke
waardigheid. De hoop op de hemel «verzwakt onze inzet voor de vooruitgang van
de aardse stad niet, maar geeft deze veeleer betekenis en kracht. Uiteraard is
het van belang een nauwgezet onderscheid te maken tussen de aardse vooruitgang
en de groei van het Koninkrijk, die niet tot eenzelfde orde behoren. Toch is
dit onderscheid geen afscheiding: want de roeping van de mens tot het eeuwig
leven verdringt niet, maar bevestigt zijn opdracht om de krachten en de
middelen aan te wenden die hij van de Schepper heeft ontvangen om zijn aardse
leven te ontwikkelen.»12
Wij zijn medeverlossers met Christus, en we moeten onszelf
afvragen in welke mate wij de meest kostbare gave die wij hebben -ons geloof in
Christus- doorgeven aan ons gezin en vrienden. Als wij deze onvergelijkbare
gave beschouwen, moeten we ons gedreven voelen te handelen, want caritas Christi urget nos,13
de liefde van Christus dwingt ons rondom ons een wereld te helpen opbouwen die
rechtvaardiger en menselijker is.
61.3 Geneest
de zieken, wekt de doden op, reinigt de melaatsen. Vanaf de eerste
tijden van de Kerk verspreiden trouwe christenen het geloof naar alle delen van
de wereld. Ook vanaf die eerste jaren hebben reusachtige aantallen christenen
«hun krachten en hun leven gewijd aan de bevrijding van iedere vorm van onderdrukking
en aan de bevordering van de menselijke waardigheid. De ervaring van de
heiligen en het voorbeeld van zoveel dienstbetoon aan de naaste zijn een
aansporing en een baken voor de bevrijdingsondernemingen die heden ten dage zo
noodzakelijk zijn.»14 Zij zijn nu misschien
dringender noodzakelijk dan in andere perioden van de geschiedenis.
Ons geloof in Christus spoort ons aan ons bewust te zijn van
onze gemeenschappelijke betrokkenheid, met de problemen en tekorten die andere
mensen ondervinden, en vaak met hun onwetendheid en hun gebrek aan economische
bronnen van bestaan. Deze solidariteit met onze medemens is «geen gevoel van
vaag medelijden of van oppervlakkige vertedering bij het leed van zovele
mensen, dichtbij of veraf», integendeel «zij is het vaste en volhardende
besluit om zich in te zetten voor het algemeen welzijn ofwel voor het welzijn
van allen en van een ieder, omdat wij werkelijk allen verantwoordelijk zijn
voor allen.»15
Geloof brengt ons ertoe een diep respect te hebben voor anderen,
voor elke individuele persoon, en nooit onverschillig te blijven voor de noden
van andere mensen: geneest de zieken, wekt de doden op,
reinigt de melaatsen, drijft duivels uit. Het volgen van Christus
bewijst zichzelf met daden van gerechtigheid en barmhartigheid; het zal zich
ook tonen in onze beslistheid ons de principes van de sociale leer van de Kerk
eigen te maken en ze in praktijk te brengen, allereerst in onze eigen omgeving,
precies daar waar wij leven.
Het zou mogelijk moeten zijn op het einde van ons leven van
elk van ons te zeggen, zoals het van Jezus gezegd werd, Hij
ging weldoende rond.16 Wij moeten weldoen in onze gezinnen, onder onze collega's op het werk
en onder onze vrienden, en zelfs voor die mensen die we per toeval tegenkomen.
«Als leerlingen van Christus moeten wij zaaiers van broederlijkheid zijn bij
alle gelegenheden en in alle omstandigheden die het leven met zich meebrengt.
Indien een man of vrouw de christelijke geest in heel zijn intensiteit beleeft,
dan zullen al zijn of haar activiteiten en betrekkingen Gods liefde en de
weergaloze weldaden van het Koninkrijk weerspiegelen en uitdragen. Als christenen
dienen wij te weten hoe we elke dag onze betrekkingen met onze familieleden,
vrienden en buren hecht en sterk kunnen maken, of we aan het werk zijn of van
onze vrije tijd genieten; en dat kunnen we doen door hen te bezegelen met het
zegel van de christelijke liefde, dat is: eenvoud, trouw, betrouwbaarheid,
zachtmoedigheid, edelmoedigheid, saamhorigheid en vreugde.»17
-1. Vgl. Mt 9,38, Joh 4,38, Mt 22,3. -2. Lc 10,26. -3. Joh 20,21. -4.
Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 3. -5. Mt
10,7-15. -6. Vgl. Mc 16,15, Mt
28,18-20. -7. Benedictus xv, Humani
generis redemptionem, 15 juni 1917. -8. Vaticanum ii,
Decr. Apostolicam actuositatem, 2. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De liefde voor de Kerk,
23. -10. Joh 10,10. -11. J.M. Casciaro, Jesucristo y la sociedad política de su tiempo. -12. Congregatie voor de Geloofsleer, De
christelijke vrijheid en bevrijding, 22 maart 1986, 60. -13. 2 Kor 5,14. -14. Congregatie
voor de Geloofsleer, o.c., 57. -15. Johannes Paulus ii, Sollicitudo rei
socialis, 3 december 1987,38. -16. Hnd 10,38.
-17. Spaanse Bisschoppenconferentie, Katholieken in het openbaar leven, 22 april 1986, III.
|