Derde week. Zaterdag
24. DE Broederlijke vermaning
-De plicht tot broederlijke vermaning. Haar
bovennatuurlijke doeltreffendheid. -Het voorbeeld van de eerste christenen.
Valse voorwendselen om de broederlijke vermaning niet te geven. -Deugden die
men moet beoefenen bij het geven van de broederlijke vermaning, en de wijze
waarop men ze dient te ontvangen.
24.1 Reeds in het Oude Testament toont de Heilige Schrift ons hoe God zich
vaak bedient van sterke en liefdevolle mensen, om anderen te waarschuwen dat
zij afdwalen van de weg die naar God leidt. Het boek Samuël verhaalt, dat de
profeet Natan door God naar koning David werd gestuurd1 om hem te spreken
over de buitengewoon zware zonden die hij begaan had. Ofschoon deze zo ernstige
zonden overduidelijk waren -overspel met de vrouw van zijn trouwe dienaar, die
hij vervolgens aan de dood overleverde- en de koning de Wet zeer goed kende,
«had de wellust zich meester gemaakt van heel zijn gedachtenwereld en was zijn
ziel als door slaapzucht volledig ingedommeld. Hij had het licht van de profeet
nodig, die hem door zijn woorden deed inzien wat hij misdaan had.»2 Weken lang was
Davids geweten door de zonde bedwelmd.
Om hem de ernst van zijn misdaad te doen
inzien, hield Natan hem een gelijkenis voor: Twee mannen, een rijke en een arme, woonden in dezelfde stad. De rijke
bezat heel veel schapen en runderen, de arme maar een enkel lammetje, dat hij
gekocht had. Hij had het in leven kunnen houden en het was bij hem opgegroeid,
tussen zijn kinderen; het dier at van zijn bord, het dronk uit zijn beker en
het sliep op zijn schoot; het was net zijn dochter. Eens kreeg de rijke man
bezoek. Hij kon het niet over zich te verkrijgen, een schaap of rund uit zijn
eigen kudde te nemen en dat klaar te maken voor de reiziger die bij hem was
gekomen. Hij pakte het lam van de arme en maakte dat klaar voor zijn gast.
David was diep verontwaardigd over die man en hij zei tot Natan: Zowaar Jahwe
leeft: de man die dat gedaan heeft verdient de dood!
Toen sprak Natan tot de koning: Die man, dat zijt gij! David besefte opeens de zonden die hij gedaan had, hij kreeg berouw en
gaf uiting aan zijn droefheid in een psalm die de Kerk ons voorhoudt als een
toonbeeld van berouw. Deze begint als volgt: Wees mij, God, in uw goedheid genadig,
neem in uw oneindig erbarmen, mijn overtredingen weg...3 David deed boete en was God welgevallig. Dit alles dank zij een
broederlijke vermaning, een krachtige terechtwijzing op het juiste moment,
zoals die van Natan.
Een van de grootste weldaden die we de mensen
van wie we het meest houden -en iedereen- kunnen bewijzen, is de -soms
heldhaftige- hulp van de broederlijke vermaning. In de dagelijkse omgang kunnen
we vaststellen dat onze familieleden, vrienden of bekenden, net als wijzelf,
gewoonten kunnen aannemen die een goede christen onwaardig zijn en die hen
scheiden van God: regelmatig voorkomend gebrek aan werklust en stiptheid,
beunhazerij, een manier van spreken die grenst aan roddel en kwaadsprekerij,
ruwheid, ongeduld... Het kunnen ook fouten zijn tegen de rechtvaardigheid in de arbeidsverhoudingen;
een slecht voorbeeld door niet sober te leven of geen maat te houden (in het
oog lopende uitgaven, gulzigheid of dronkenschap, geldverspilling in kansspelen
of loterijen); relaties onderhouden die een gevaar vormen voor de huwelijkstrouw
of de kuisheid... Men kan gemakkelijk begrijpen dat een broederlijke vermaning op
het juiste moment, ter zake doende en vol naastenliefde en begrip, die de
betrokkene onder vier ogen gegeven wordt, heel veel kwaad voorkomen kan: een
schandaal, schade aan het gezin die later moeilijk te herstellen is...; of zij
kan eenvoudigweg een daadkrachtige stimulans voor iemand zijn om zijn gebreken
te corrigeren en dichter bij God te komen.
Deze geestelijke hulp komt voort uit liefde, en
is een van de belangrijkste uitingen van deze deugd. Soms is zij ook een
vereiste van rechtvaardigheid, wanneer er bijzondere verplichtingen bestaan om
iemand te helpen. We moeten vaak erover denken, hoe we de mensen uit onze
onmiddellijke omgeving hulp bieden. «Waarom neem je nu niet het besluit een
broederlijke vermaning te geven? -Degene die haar krijgt, zal eronder lijden,
want het kost moeite zich te vernederen, zeker in het begin. Maar een vermaning
geven kost altijd moeite. Dat weet iedereen heel goed.
»De beoefening van de broederlijke vermaning is
de beste hulpverlening, na het gebed en het goede voorbeeld.»4 Brengen we ze
vaak in praktijk? Is onze liefde voor anderen een liefde met daden?
24.2 De broederlijke vermaning heeft een evangelische kern; de eerste
christenen hebben haar vaak beoefend, zoals de Heer het had bevolen -Ga en wijs hem onder vier ogen terecht5-, en zij nam een
zeer belangrijke plaats in hun leven in.6 Ze waren zich zeer bewust van haar
doeltreffendheid. De heilige Paulus schrijft aan de gelovigen van Thessalonica:
Volgt iemand ons bevel, in deze brief
gegeven, niet op, noteert hem dan en gaat niet meer met hem om; dan zal hij
zich schamen. Gij moet hem echter niet behandelen als een vijand, maar
terechtwijzen als een broeder.7 In de Brief aan
de Galaten zegt de apostel, dat zulk een vermaning moet geschieden in een geest van zachtmoedigheid.8 Op dezelfde manier spoort de
apostel Jakobus de eerste christenen aan, door hen te herinneren aan de
beloning die God hun zal geven: Als
iemand onder u van de waarheid afdwaalt en een ander brengt hem tot inkeer,
weet dan dat hij die een zondaar van zijn dwaalweg bekeert, zijn ziel zal
redden van de dood en tal van zonden zal bedekken.9 Het is geen
geringe beloning. Wij mogen ons niet verontschuldigen en de woorden van Kaïn
herhalen: Moet ik dan op mijn broer
passen?10
Een van de uitvluchten die in onze geest post
kunnen vatten om de broederlijke vermaning na te laten of uit te stellen, is de
vrees om degene die we moeten terechtwijzen, te bedroeven. Paradoxaal genoeg
zal een arts niet aarzelen een patiënt te vertellen dat hij, om te genezen, een
pijnlijke operatie moet ondergaan, maar hebben wij, christenen, tegenzin om
mensen uit onze omgeving te zeggen, dat de gezondheid van hun ziel -van zoveel
grotere waarde dan de lichamelijke!- op het spel staat. «Helaas zijn er velen
die, om iemand wiens laatste dagen en laatste uren van zijn aardse bestaan zijn
aangebroken niet te mishagen of angstig te maken, zijn werkelijke toestand
verzwijgen en hem aldus onmetelijk groot kwaad aandoen. Maar er zijn nog meer
mensen die zien dat hun vrienden in dwaling en zonde verkeren, of op het punt
staan in het ene of het andere te vervallen, en die toch hun mond niet open
doen en geen hand uitsteken om dit kwaad te voorkomen. Kunnen we mensen die zo
jegens ons handelen, het predikaat 'vrienden' verlenen? Natuurlijk niet. En
toch doen ze dat gewoonlijk, omdat ze ons niet willen mishagen.»11
Door de broederlijke vermaning vervullen we
daadwerkelijk wat de Heilige Schrift ons zegt: een broer geholpen door zijn broer, is als een ommuurde stad.12 Niemand en niets is machtiger dan goed beleefde liefde. Door dit
bewijs van christelijke liefde worden niet alleen de mensen beter, maar ook de
samenleving zelf. Tegelijkertijd vermijdt men kritiek en geroddel, die de ziel
haar vrede ontnemen en de betrekkingen tussen de mensen vertroebelen.
Vriendschap, waarachtige vriendschap, wordt juist dieper en authentieker door
een oprechte vermaning. Onze vriendschap met Christus groeit eveneens, als we
een vriend, een familielid, een collega, helpen met dit effectieve
geneesmiddel: een vriendelijke, maar ook duidelijke en moedige vermaning.
24.3 Wanneer we een broederlijke vermaning geven, moeten we een reeks
deugden beoefenen, zonder welke ze geen ware uiting van liefde zou zijn.
«Wanneer je moet terechtwijzen, doe dat dan met liefde, op het gepaste
ogenblik, zonder te vernederen..., en met de bedoeling, dat je ook zelf leert en
beter wordt op het punt waarin je de ander terechtwijst.»13 Zoals Christus
zou vermanen als Hij in onze plaats stond, met dezelfde fijngevoeligheid, met
dezelfde sterkte.
Soms brengt een zekere afkeer en gebrek aan
innerlijke vrede ons ertoe, dat wij in anderen gebreken zien die in feite onze
eigen gebreken zijn. «We moeten dus uit liefde terechtwijzen; niet met het
verlangen om schade aan te richten, maar met de liefdevolle bedoeling de
verbetering van zijn leven te bewerkstelligen [...]. Waarom corrigeer je hem?
Omdat het
je pijn doet, dat hij je beledigd heeft? God geve, dat dit niet zo is. Als je
het uit eigenliefde doet, dan doe je niets. Als je door liefde bewogen wordt,
dan handel je goed.»14
De nederigheid leert ons, misschien meer dan
elke andere deugd, de juiste woorden te vinden en een manier van zeggen die
niet beledigt, omdat ze ons eraan herinnert dat ook wij zelf vaak soortgelijke
hulp nodig hebben. De deugd van voorzichtigheid brengt ons ertoe de vermaning
aanstonds, op het gunstigste moment te geven. Wij hebben deze deugd nodig om
rekening te houden met het karakter van de betrokkene en de omstandigheden
waarin hij of zij verkeert, «zoals goede geneesheren, die niet iedereen op een
en dezelfde wijze genezen»15, die niet aan alle patiënten hetzelfde recept voorschrijven.
Als de betrokken persoon niet lijkt te reageren
op onze vermaning, moeten we hem nog een beetje meer helpen door ons voorbeeld,
door gebed en versterving voor hem en door nog meer begrip.
Wij van onze kant moeten een vermaning nederig
en stilzwijgend ontvangen, zonder excuses te zoeken; we moeten Gods hand zien
in die goede vriend, die dat minstens vanaf dat moment is; met een levendig
gevoel van dankbaarheid, omdat iemand waarachtige belangstelling voor ons
heeft; met de vreugde te bedenken, dat wij niet alleen staan in het recht maken
van onze wegen, die altijd naar de Heer moeten leiden. «Nadat je met bewijzen
van vreugde en erkentelijkheid zijn waarschuwingen hebt ontvangen, moet je
jezelf de plicht opleggen deze op te volgen, niet alleen omwille van de weldaad
die zelfcorrectie met zich mee brengt, maar ook om hem te laten zien, dat zijn
inspanningen niet vergeefs zijn geweest en dat je zijn welwillendheid jegens
jou ten zeerste waardeert. Een trots man, zelfs als hij zich verbetert, wil
niet de schijn wekken dat hij de raad die hem gegeven werd opgevolgd heeft;
veeleer wil hij die met verachting naast zich neerleggen. Wie echt nederig is,
vindt het een eer zich aan iedereen te onderwerpen uit liefde tot God, en zal
de wijze raadgevingen die hij krijgt beschouwen alsof zij afkomstig zijn van
God zelf, van welk instrument Hij zich ook bediend mag hebben.»16
Laten we ons tot besluit van ons gebed tot de
maagd Maria, moeder van goede raad, wenden en haar vragen ons te helpen om, altijd als het nodig is, deze
uiting te beleven van broederlijke liefde, van ware vriendschap, van oprechte
waardering voor hen met wie wij het vaakst in contact komen.
-1. 2 Sam 12,1-17. -2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 60,1. -3. Ps 51,3. -4. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 641. -5. Mt 18,15. -6.
Vgl. Didache 15,13. -7. 2 Tes 3,14-15. -8. Gal 6,1. -9. Jak 5,19-20. -10. Gen 4,9. -11. S. Canals, Jesus as Friend, bl. 95. -12. Spr 18,19. -13. H. Jozefmaria
Escrivá, De
Smidse, 455. -14. H.
Augustinus, Preek 82. -15. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 60,1-16. G. Pecci (Leo xiii), De practijk van de
nederigheid, 41.
|