Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Tweeëndertigste week. Vrijdag

35. De christelijke betekenis van de dood

-Wij kunnen niet leven met de rug gekeerd naar dat hoogste moment. Dag in dag uit bereiden wij ons hierop voor. -De dood krijgt een nieuwe betekenis door de Dood en Verrijzenis van Christus. -Levenslessen die de dood ons geeft.

35.1 Het evangelie van de heilige Mis1 spreekt ons over de tweede komst van Christus op aarde, welke geheel onverwacht zal zijn. Want wanneer zijn dag komt, zal de Mensenzoon zijn als de opflitsende bliksem, die schittert van het ene einde van de hemel tot het andere. In deze rede van de Heer komen verschillende fasen van gebeurtenissen voor, en in al deze gebeurtenissen wordt de nadruk gelegd op de plotselinge komst van de verheerlijkte Jezus aan het einde der tijden.

Gedreven door een spontane nieuwsgierigheid vragen de leerlingen waar en wanneer de gebeurtenissen zullen plaatshebben, waarover zij zojuist hebben horen spreken. De Heer antwoordt hun met een spreuk die zij zeker zullen hebben gekend: Waar het lijk ligt, daar zullen zich de gieren verzamelen. Jezus wil duidelijk maken dat met dezelfde snelheid als waarmee roofvogels op hun prooi afkomen, de ontmoeting van Gods Zoon met de wereld zal zijn op het einde van de tijden en met ieder mens afzonderlijk aan het einde van zijn dagen. Zoals Paulus aan de eerste christenen van Tessalonika schrijft: Gij weet zelf heel goed, dat de dag des Heren komt als een dief in de nacht.2 Het is andermaal een oproep tot waakzaamheid, om in het leven niet de rug toe te keren naar deze beslissende dag -de dag des Heren- waarop we eindelijk God van aangezicht tot aangezicht zullen zien. In zijn commentaar op dit evangelie leert de heilige Augustinus, dat de reden waarom deze dingen verborgen blijven, is dat wij altijd voorbereid moeten zijn.3

In sommige kringen is het tegenwoordig niet makkelijk over de dood te spreken; alleen al het noemen ervan lijkt iets onaangenaams, van slechte smaak getuigend. En toch is de dood de gebeurtenis die het leven verlicht en de Kerk nodigt ons uit dit te overwegen; juist opdat men ons niet onvoorbereid aantreft op dat moment-suprême. De heidense denk- en leefwijze van velen -met inbegrip van sommigen die zich naar buiten toe christenen noemen- zorgt ervoor, dat zij deze werkelijkheid de rug toekeren en zoveel mogelijk de tekenen uitwissen die ernaar verwijzen, dat we snel naar een einde toegaan. En zij nemen deze houding aan, omdat zij de ware zin van de dood niet kennen. In plaats van hem als een «vriend» en zelfs als een «broeder» te beschouwen4, ziet men hem als een ramp, de grote ramp die op een kwade dag zal komen en de plannen en illusies ineen doet storten, waarin men heel de zin van het leven had gelegd; daarom -zo denken zij- moet men er niet aan denken, alsof hij ons niet persoonlijk zou raken. In plaats van de dood in zijn werkelijke betekenis te zien, de sleutel tot het volkomen geluk, ziet men hem als het einde van het welzijn dat men met zoveel moeite hier op aarde opbouwt. In hun gebrek aan werkzaam en praktisch geloof weten zij niet dat de mens blijft bestaan, ook al moet hij «verhuizen».5 Zoals de liturgie ons dikwijls in herinnering roept, vita mutatur, non tollitur6, wordt het leven veranderd en niet weggenomen; het gaat niet verloren. Voor de gelovige is de dood het einde van een korte pelgrimstocht en het bereiken van het einddoel, waarop wij ons dag in dag uit hebben voorbereid7 door onze ziel te leggen in de dagelijkse taken. Daarmee en daardoor moeten wij de hemel verdienen. Om die reden zal voor hem dat ogenblik niet als een dief in de nacht komen, omdat hij in alle gemoedsrust rekening houdt met die definitieve ontmoeting met zijn Heer. Hij weet heel goed dat de dood «een doortocht en overgang is naar de eeuwigheid, na op deze tijdelijke weg gewandeld te hebben.»8

Maar «als je ooit ongerust wordt door de gedachte aan onze broeder de dood, omdat je namelijk ziet hoe weinig je voorstelt, vat dan moed en denk: wat zal die hemel die ons te wachten staat, wel niet zijn als de hele schoonheid en grootsheid, het hele geluk en de oneindige liefde van God zullen worden uitgegoten in dat armzalig vat van stof, uit klei genomen, dat het menselijk schepsel is, en als dat daar eeuwig zal worden verzadigd, altijd met de frisheid van een nieuw geluk?»9

35.2 De Heilige Schrift leert ons uitdrukkelijk, dat God de dood niet heeft gemaakt en Hij geen vreugde vindt in de ondergang van hen die leven.10 Voor de erfzonde bestond er geen dood zoals wij die kennen, met die smartelijke en moeilijke betekenis waarmee we hem, wellicht van nabij, hebben gezien. De opstand van de eerste mens bracht het verlies van de uitzonderlijke gaven met zich mee, die God hem bij de schepping had verleend. En zo moeten wij nu om bij het huis van de Vader te komen, onze definitieve woonplaats, door die deur heen: de overgang uit deze wereld naar de Vader.11 De ongehoorzaamheid van Adam bracht naast het verlies van de vriendschap met God, ook het verlies van de, onverdiend gekregen, gave van onsterfelijkheid met zich mee.

Maar Jezus Christus heeft de dood vernietigd en deed onvergankelijk leven aanlichten12, Hij ontnam de dood zijn wezenlijke boosheid, de angel, het vergif weg; en dank zij Hem krijgt de dood een nieuwe betekenis: hij wordt tot de overgang naar een nieuw Leven. De overwinning op de dood wordt aan allen die in Hem geloven en in zijn leven delen, doorgegeven. Ik ben -verzekert de Meester- de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.13 Ofschoon de dood de vijand van de mens is in zijn natuurlijk leven, wordt hij in Christus tot een «vriend» en «broeder». Ook al wordt de mens door die vijand verslagen, uiteindelijk komt hij als overwinnaar te voorschijn, omdat hij door hem, door de dood, de volheid van het Leven verwerft. Men kan goed begrijpen dat voor een samenleving die als bijna of geheel uitsluitend doel de materiële goederen heeft, de dood de totale mislukking blijft, de laatste vijand die met één klap een einde maakt aan alles wat zin aan het leven gaf: genoegens, menselijke roem, zinnelijk genot, ongeordend streven naar materieel welzijn... Wie een heidense kijk op het leven heeft, leeft verder alsof Christus niet de Verlossing had bewerkt en daardoor de zin van lijden, mislukking en dood volledig had omgevormd.

Het kwaad brengt wie het kwaad zoekt de dood14, bevestigt de Heilige Schrift; daarentegen ziet de Heer niet als gering het sterven van zijn getrouwen.15 In diezelfde geest heeft de Kerk vanaf de eerste tijden de sterfdag van martelaren en heiligen gevierd als een dag van vreugde; het was de dies natalis, de dag van de geboorte tot het nieuwe Leven, tot het geluk zonder einde, de dag waarop zij, stralend, het aangezicht van Jezus aanschouwden. Zalig de doden die in de Heer sterven. Ja waarlijk, zegt de Geest, laat hen uitrusten van hun moeiten, want hun daden vergezellen hen16, zoals de Apokalyps ons voorhoudt. Zij zullen niet slechts beloond worden voor hun trouw aan Christus, tot in het kleinste toe -zelfs een glaasje water dat omwille van Christus werd gegeven, zal zijn beloning krijgen17- maar op een of andere wijze -zo leert de Kerk- «zullen wij het goed van de menselijke waardigheid, van de broederlijkheid en de vrijheid, al deze goede vruchten dus van onze natuur en onze inspanning, nadat wij ze in de Geest van de Heer en volgens zijn opdracht op aarde hebben gepropageerd, later weer terugvinden, dan gezuiverd van elke smet, transparant en omgevormd, wanneer Christus aan de Vader een eeuwig, een allen en alles omvattend rijk zal teruggeven...»18 Al het andere zal verloren gaan: het zal terugkeren tot de aarde en in vergetelheid raken... Zijn goede daden vergezellen hem.

35.3 De dood geeft ons belangrijke lessen voor het leven. Hij leert ons te leven met het noodzakelijke, onthecht van de goederen die we moeten gebruiken, maar die we over een -altijd korte- tijd weer moeten achterlaten; wat we wel voor altijd meenemen is de verdienste van onze goede werken.

De dood leert ons elke dag goed te benutten: carpe diem19, pluk de dag, zei men in de Oudheid; in christelijke zin kunnen wij daaraan een nieuwe betekenis geven: laten we vreugdevol elke dag benutten alsof het de enige dag is, in de wetenschap dat hij nooit meer terugkomt. Nu, in dit uur van gewetensonderzoek, zal het ons vreugde bezorgen te denken aan de schietgebeden, de akten van liefde tot de Heer, de omgang met de engelbewaarder, de gunsten die we anderen bewezen, de kleine diensten die we verleenden, de inspanningen bij het vervullen van onze plicht, misschien geduld..., die de Heer allemaal heeft veranderd in kostbare juwelen voor de eeuwigheid. Bij de dood houdt de mogelijkheid om verdiensten voor het eeuwig leven te verwerven op.20 Laten we die dagen die ons nog resten voordat we het einde van de weg bereiken, genummerd en geteld als ze zijn, niet door onze vingers laten glippen.

De onzekerheid over het ogenblik van onze definitieve ontmoeting met God spoort ons aan waakzaam te zijn, zoals iemand die de komst van zijn Heer verwacht21, door ijverig te zorgen voor ons gewetensonderzoek, door een waarachtig berouw over de zwakheden van deze dag; door goed en veelvuldig de biecht te benutten om onze ziel nog te zuiveren van dagelijkse zonden en gebrek aan liefde. De herinnering aan de dood zal ons helpen met meer ijver te werken aan onze opdracht zelf heilig te worden, door niet te leven als dwazen, maar als verstandige mensen, die de gunstige gelegenheid benutten22, door al die verloren dagen en kansen te hernemen. Soms kan het gebeuren wat die klassieke schrijver heeft gezegd: «Niet dat we weinig tijd hebben, we hebben veel tijd verloren».23 Laten we de tijd die ons rest, benutten!

Wij zullen verlangen naar een lang leven om God meer te kunnen dienen, om voor de Heer te verschijnen met nog vollere handen..., en ook omdat wij het leven liefhebben, want het is een geschenk van God. En wanneer dan het moment komt van onze ontmoeting met de Heer, dan moeten zelfs die laatste ogenblikken ons dienen om ons leven te zuiveren en ons met een akte van liefde aan God de Vader aan te bieden. Voor dit laatste moment schreef de heilige Ignatius van Loyola: «Zoals in heel het leven, zo moet eenieder zich ook in de dood, en daar nog meer, inspannen en ervoor zorgen, dat God onze Heer door die dood wordt verheerlijkt en gediend en de naasten gesticht worden, minstens door het voorbeeld van geduld en kracht, met levend geloof, hoop en liefde voor het eeuwig goed...»24 Het laatste ogenblik hier op aarde moet eveneens bestemd zijn voor Gods eer. Wat zullen we dan een vreugde verkrijgen over alles wat we met zoveel ijver in ons leven voor de Heer hebben trachten te volbrengen: het werk dat we aanboden, degenen die wij tot het sacrament van de biecht probeerden te brengen, de duizend kleine diensten die we bewezen aan hem die zovele uren met ons heeft gewerkt, de vreugde die we ons gezin en allen bezorgden, de onmatigheden die we probeerden te verontschuldigen en te vergeten...

Nadat we hier vruchten hebben achtergelaten die tot in het eeuwige leven voortduren, zullen we vertrekken. Dan zullen we met de dichter kunnen zeggen: «Mijn liefde liet de oever achter zich; / zij zingt nu in de stroom. / Zij keerde niet meer terug naar de kant, /haar liefde was immers het water.»25

-1. Lc 17,26-37. -2. 1 Tes 5,2. -3. Vgl. H. Augustinus, Commentaar op Ps 120,3. -4. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 735 en 739. -5. Vgl. Ibidem, 744. -6. Romeins Missaal, Prefatie voor de overledenen. -7. Vgl. C. Pozo, Teología del más allá, Madrid 1980, bl. 468 e.v. -8. H. Cyprianus, Tractaat over de sterfelijkheid, 22. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 891. -10. Wijsh 1,13. -11. Joh 13,1. -12. 2 Tim 1,10. -13. Joh 11,25. -14. Ps 33,22. -15. Ps 115,15. -16. Apok 14,13. -17. Mt 10,42. -18. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 39. -19. Horatius, Oden, 1,11. -20. Vgl. Leo x, Bul Exsurge Domine, 15 juni 1520, prop. 38. -21. Vgl. Lc 12,35-42. -22. Ef 5,15-16. -23. Seneca, De brevitate vitae, 1,3. -24. H. Ignatius van Loyola, Constituciones, 6e dl., 4, 1. -25. B. Llorens, Secreta fuente, Madrid 1948, bl. 86.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012