Tweeëndertigste week. Vrijdag
35. De christelijke betekenis van de dood
-Wij kunnen niet leven met de rug gekeerd naar
dat hoogste moment. Dag in dag uit bereiden wij ons hierop voor. -De dood
krijgt een nieuwe betekenis door de Dood en Verrijzenis van Christus. -Levenslessen
die de dood ons geeft.
35.1 Het evangelie van de heilige Mis1 spreekt ons over de tweede komst van Christus op
aarde, welke geheel onverwacht zal zijn. Want wanneer zijn dag komt, zal de Mensenzoon zijn als de opflitsende
bliksem, die schittert van het ene einde van de hemel tot het andere. In deze rede van de Heer komen verschillende fasen van gebeurtenissen
voor, en in al deze gebeurtenissen wordt de nadruk gelegd op de plotselinge
komst van de verheerlijkte Jezus aan het einde der tijden.
Gedreven door een spontane nieuwsgierigheid
vragen de leerlingen waar en wanneer de gebeurtenissen zullen plaatshebben,
waarover zij zojuist hebben horen spreken. De Heer antwoordt hun met een spreuk
die zij zeker zullen hebben gekend: Waar
het lijk ligt, daar zullen zich de gieren verzamelen. Jezus wil duidelijk maken dat met dezelfde snelheid als waarmee
roofvogels op hun prooi afkomen, de ontmoeting van Gods Zoon met de wereld zal
zijn op het einde van de tijden en met ieder mens afzonderlijk aan het einde
van zijn dagen. Zoals Paulus aan de eerste christenen van Tessalonika schrijft:
Gij weet zelf heel goed, dat de dag
des Heren komt als een dief in de nacht.2 Het is andermaal een oproep tot waakzaamheid, om in
het leven niet de rug toe te keren naar deze beslissende dag -de dag des Heren-
waarop we eindelijk God van aangezicht tot aangezicht zullen zien. In zijn commentaar
op dit evangelie leert de heilige Augustinus, dat de reden waarom deze dingen
verborgen blijven, is dat wij altijd voorbereid moeten zijn.3
In sommige kringen is het tegenwoordig niet
makkelijk over de dood te spreken; alleen al het noemen ervan lijkt iets onaangenaams,
van slechte smaak getuigend. En toch is de dood de gebeurtenis die het leven
verlicht en de Kerk nodigt ons uit dit te overwegen; juist opdat men ons niet
onvoorbereid aantreft op dat moment-suprême. De heidense denk- en leefwijze van
velen -met inbegrip van sommigen die zich naar buiten toe christenen noemen-
zorgt ervoor, dat zij deze werkelijkheid de rug toekeren en zoveel mogelijk de
tekenen uitwissen die ernaar verwijzen, dat we snel naar een einde toegaan. En
zij nemen deze houding aan, omdat zij de ware zin van de dood niet kennen. In
plaats van hem als een «vriend» en zelfs als een «broeder» te beschouwen4, ziet men hem als een ramp, de grote ramp die op een
kwade dag zal komen en de plannen en illusies ineen doet storten, waarin men
heel de zin van het leven had gelegd; daarom -zo denken zij- moet men er niet
aan denken, alsof hij ons niet persoonlijk zou raken. In plaats van de dood in
zijn werkelijke betekenis te zien, de
sleutel tot het volkomen geluk, ziet men hem als het einde van het
welzijn dat men met zoveel moeite hier op aarde opbouwt. In hun gebrek aan
werkzaam en praktisch geloof weten zij niet dat de mens blijft bestaan, ook al
moet hij «verhuizen».5 Zoals de liturgie ons
dikwijls in herinnering roept, vita
mutatur, non tollitur6, wordt het leven veranderd en niet weggenomen; het gaat niet verloren.
Voor de gelovige is de dood het einde van een korte pelgrimstocht en het
bereiken van het einddoel, waarop wij ons dag in dag uit hebben voorbereid7 door onze ziel te leggen in de dagelijkse taken.
Daarmee en daardoor moeten wij de hemel verdienen. Om die reden zal voor hem
dat ogenblik niet als een dief in de
nacht komen, omdat hij in alle gemoedsrust rekening
houdt met die definitieve ontmoeting met zijn Heer. Hij weet heel goed dat de
dood «een doortocht en overgang is naar de eeuwigheid, na op deze tijdelijke
weg gewandeld te hebben.»8
Maar «als je ooit ongerust wordt door de
gedachte aan onze broeder de dood, omdat je namelijk ziet hoe weinig je
voorstelt, vat dan moed en denk: wat zal die hemel die ons te wachten staat,
wel niet zijn als de hele schoonheid en grootsheid, het hele geluk en de
oneindige liefde van God zullen worden uitgegoten in dat armzalig vat van stof,
uit klei genomen, dat het menselijk schepsel is, en als dat daar eeuwig zal
worden verzadigd, altijd met de frisheid van een nieuw geluk?»9
35.2 De Heilige Schrift leert ons
uitdrukkelijk, dat God de dood niet
heeft gemaakt en Hij geen vreugde vindt in de ondergang van hen die leven.10 Voor de erfzonde bestond er geen
dood zoals wij die kennen, met die smartelijke en moeilijke betekenis waarmee
we hem, wellicht van nabij, hebben gezien. De opstand van de eerste mens bracht
het verlies van de uitzonderlijke gaven met zich mee, die God hem bij de
schepping had verleend. En zo moeten wij nu om bij het huis van de Vader te
komen, onze definitieve woonplaats, door die deur heen: de overgang uit deze wereld naar de Vader.11 De ongehoorzaamheid van Adam bracht
naast het verlies van de vriendschap met God, ook het verlies van de, onverdiend
gekregen, gave van onsterfelijkheid met zich mee.
Maar Jezus Christus heeft de dood vernietigd en deed onvergankelijk leven aanlichten12, Hij ontnam de
dood zijn wezenlijke boosheid, de angel, het vergif weg; en dank zij Hem krijgt
de dood een nieuwe betekenis: hij wordt tot de overgang naar een nieuw Leven.
De overwinning op de dood wordt aan allen die in Hem geloven en in zijn leven
delen, doorgegeven. Ik ben -verzekert de Meester- de
verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.13 Ofschoon de dood de vijand van de
mens is in zijn natuurlijk leven, wordt hij in Christus tot een «vriend» en
«broeder». Ook al wordt de mens door die vijand verslagen, uiteindelijk komt
hij als overwinnaar te voorschijn, omdat hij door hem, door de dood, de volheid
van het Leven verwerft. Men kan goed begrijpen dat voor een samenleving die als
bijna of geheel uitsluitend doel de materiële goederen heeft, de dood de totale
mislukking blijft, de laatste vijand die met één klap een einde maakt aan alles
wat zin aan het leven gaf: genoegens, menselijke roem, zinnelijk genot,
ongeordend streven naar materieel welzijn... Wie een heidense kijk op het leven
heeft, leeft verder alsof Christus niet de Verlossing had bewerkt en daardoor
de zin van lijden, mislukking en dood volledig had omgevormd.
Het kwaad brengt wie het
kwaad zoekt de dood14, bevestigt de Heilige Schrift; daarentegen ziet de Heer niet als gering het sterven van zijn getrouwen.15 In diezelfde
geest heeft de Kerk vanaf de eerste tijden de sterfdag van martelaren en
heiligen gevierd als een dag van vreugde; het was de dies natalis, de dag
van de geboorte tot het nieuwe Leven, tot het geluk zonder einde, de dag waarop
zij, stralend, het aangezicht van Jezus aanschouwden. Zalig de doden die in de Heer sterven. Ja waarlijk,
zegt de Geest, laat hen uitrusten van hun moeiten, want hun daden vergezellen
hen16, zoals de Apokalyps ons voorhoudt. Zij zullen niet slechts beloond
worden voor hun trouw aan Christus, tot in het kleinste toe -zelfs een glaasje
water dat omwille van Christus werd gegeven, zal zijn beloning krijgen17- maar op een of andere wijze -zo leert de Kerk-
«zullen wij het goed van de menselijke waardigheid, van de broederlijkheid en
de vrijheid, al deze goede vruchten dus van onze natuur en onze inspanning,
nadat wij ze in de Geest van de Heer en volgens zijn opdracht op aarde hebben
gepropageerd, later weer terugvinden, dan gezuiverd van elke smet, transparant
en omgevormd, wanneer Christus aan de Vader een eeuwig, een allen en alles omvattend rijk zal teruggeven...»18 Al het andere zal
verloren gaan: het zal terugkeren tot de aarde en in vergetelheid raken... Zijn goede daden vergezellen hem.
35.3 De dood geeft ons belangrijke lessen
voor het leven. Hij leert ons te leven met het noodzakelijke, onthecht van de
goederen die we moeten gebruiken, maar die we over een -altijd korte- tijd weer
moeten achterlaten; wat we wel voor altijd meenemen is de verdienste van onze
goede werken.
De dood leert ons elke dag goed te benutten: carpe diem19, pluk de dag, zei men in de Oudheid; in
christelijke zin kunnen wij daaraan een nieuwe betekenis geven: laten we
vreugdevol elke dag benutten alsof het de enige dag is, in de wetenschap dat
hij nooit meer terugkomt. Nu, in dit uur van gewetensonderzoek, zal het ons
vreugde bezorgen te denken aan de schietgebeden, de akten van liefde tot de
Heer, de omgang met de engelbewaarder, de gunsten die we anderen bewezen, de
kleine diensten die we verleenden, de inspanningen bij het vervullen van onze
plicht, misschien geduld..., die de Heer allemaal heeft veranderd in kostbare
juwelen voor de eeuwigheid. Bij de dood houdt de mogelijkheid om verdiensten
voor het eeuwig leven te verwerven op.20 Laten
we die dagen die ons nog resten voordat we het einde van de weg bereiken,
genummerd en geteld als ze zijn, niet door onze vingers laten glippen.
De onzekerheid over het ogenblik van onze
definitieve ontmoeting met God spoort ons aan waakzaam te zijn, zoals iemand
die de komst van zijn Heer verwacht21, door
ijverig te zorgen voor ons gewetensonderzoek, door een waarachtig berouw over
de zwakheden van deze dag; door goed en veelvuldig de biecht te benutten om
onze ziel nog te zuiveren van dagelijkse zonden en gebrek aan liefde. De
herinnering aan de dood zal ons helpen met meer ijver te werken aan onze
opdracht zelf heilig te worden, door niet te leven als dwazen, maar als verstandige mensen, die de gunstige gelegenheid
benutten22, door al die verloren dagen en kansen te hernemen. Soms kan het
gebeuren wat die klassieke schrijver heeft gezegd: «Niet dat we weinig tijd
hebben, we hebben veel tijd verloren».23 Laten
we de tijd die ons rest, benutten!
Wij zullen verlangen naar een lang leven om God
meer te kunnen dienen, om voor de Heer te verschijnen met nog vollere handen...,
en ook omdat wij het leven liefhebben, want het is een geschenk van God. En
wanneer dan het moment komt van onze ontmoeting met de Heer, dan moeten zelfs
die laatste ogenblikken ons dienen om ons leven te zuiveren en ons met een akte
van liefde aan God de Vader aan te bieden. Voor dit laatste moment schreef de
heilige Ignatius van Loyola: «Zoals in heel het leven, zo moet eenieder zich
ook in de dood, en daar nog meer, inspannen en ervoor zorgen, dat God onze Heer
door die dood wordt verheerlijkt en gediend en de naasten gesticht worden,
minstens door het voorbeeld van geduld en kracht, met levend geloof, hoop en
liefde voor het eeuwig goed...»24 Het laatste
ogenblik hier op aarde moet eveneens bestemd zijn voor Gods eer. Wat zullen we
dan een vreugde verkrijgen over alles wat we met zoveel ijver in ons leven voor
de Heer hebben trachten te volbrengen: het werk dat we aanboden, degenen die
wij tot het sacrament van de biecht probeerden te brengen, de duizend kleine
diensten die we bewezen aan hem die zovele uren met ons heeft gewerkt, de
vreugde die we ons gezin en allen bezorgden, de onmatigheden die we probeerden
te verontschuldigen en te vergeten...
Nadat we hier vruchten hebben achtergelaten die
tot in het eeuwige leven voortduren, zullen we vertrekken. Dan zullen we met de
dichter kunnen zeggen: «Mijn liefde liet de oever achter zich; / zij zingt nu
in de stroom. / Zij keerde niet meer terug naar de kant, /haar liefde was immers
het water.»25
-1. Lc 17,26-37. -2. 1 Tes 5,2. -3.
Vgl. H. Augustinus, Commentaar op Ps 120,3. -4. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 735 en 739. -5. Vgl. Ibidem, 744. -6. Romeins Missaal, Prefatie voor de overledenen. -7. Vgl. C. Pozo, Teología del más allá,
Madrid 1980, bl. 468 e.v. -8. H. Cyprianus, Tractaat over de
sterfelijkheid, 22. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 891. -10. Wijsh 1,13. -11. Joh 13,1. -12. 2 Tim 1,10. -13. Joh 11,25. -14. Ps 33,22. -15. Ps 115,15. -16. Apok 14,13. -17. Mt 10,42. -18. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium
et spes, 39. -19. Horatius, Oden, 1,11. -20. Vgl. Leo x, Bul Exsurge Domine, 15 juni 1520, prop. 38. -21. Vgl. Lc 12,35-42. -22. Ef 5,15-16. -23. Seneca, De brevitate vitae,
1,3. -24. H. Ignatius van Loyola, Constituciones, 6e dl., 4, 1. -25. B.
Llorens, Secreta
fuente, Madrid 1948, bl. 86.
|