Twintigste week. Dinsdag
50. De christelijke betekenis van de goederen van de wereld
-De goederen van de wereld zijn beschikt door God voor het bovennatuurlijke
doel van de persoon. -Welvaart en persoonlijke talenten moeten in dienst
gesteld worden van het gemeenschappelijk welzijn. Armoede beleven midden in de
wereld. De heiliging van het tijdelijke. -De ontvangen talenten ontwikkelen ten
bate van anderen.
50.1 De apostelen keken met droefheid toe toen de jongeman weigerde Christus
te volgen door zijn materiële welvaart op te geven. Ze zagen hem afscheid nemen
met die droefheid die eigen is aan degenen die niet beantwoorden aan de
goddelijke liefde. Iedereen daar was teleurgesteld bij de gedachte dat de rijke
jongeman één van Christus' leerlingen had kunnen zijn.
De Heer koos ervoor de apostelen juist op dat moment te
zeggen: Voorwaar, Ik zeg
u: voor een rijke is het moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan. Nog
sterker: voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te
gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen. De
leerlingen stonden
verbijsterd.1
Wie zijn hart vult met de dingen van deze wereld is
eenvoudigweg niet in staat een zinvolle ontmoeting te hebben met de Heer. De
mens is gemaakt om zich te richten op en zijn doel te hebben in God. Hij kan
God bereiken door materiële dingen of hij kan van materiële dingen zijn god
maken. Het menselijke hart kan elk van deze paden volgen. Het is een duidelijke
keuze: de ene weg gaan of de andere. Zoals de Heer bij een andere gelegenheid
leerde: Gij kunt niet God
dienen èn de mammon.2
'Mammon' is de Aramese term die gebruikt wordt door de Heer
om materiële welvaart aan te duiden. Het woord «heeft betrekking op een afgod.
Waarom zinspeelde Christus op een afgod? Om twee redenen: ten eerste, omdat een
afgod een vervanging is voor God, en ten tweede, vanwege de aard van welvaart.
Behalve dat hij dient als een ruilmiddel, dient 'mammon' ook als een machtsinstrument,
een middel om mensen en gebeurtenissen te controleren, een bron van twist
tussen mensen. De afgod biedt de mens een heerschappij over de schepping die in
regelrechte tegenspraak is met de rol van de mens zoals die door de Schepper
geopenbaard is.»3
Wie zijn hoop stelt op de dingen van deze wereld beoefent een
vorm van afgoderij4, waarbij hij zijn ziel verontreinigt
met iets onzuivers.5 Hoe vaak verbinden die mensen
zich ten slotte met de
groten der aarde die samenspannen tegen de Heer en zijn gezalfde.6
Een ziekelijke liefde voor materiële zaken, of ze nu veel of
weinig in aantal zijn, is een ernstige belemmering om Christus te volgen. Dit
is de les die we leren uit de gebeurtenis met de rijke jongeman in de meditatie
van gisteren. Christenen moeten vaak onderzoeken in hoeverre zij afhankelijk
zijn van dingen, zoals men kan zien aan kleine dingen van de manier waarop zij
sober en matig leven. Ben ik werkelijk niet gebonden aan de dingen van deze
wereld? Schat ik de noden van mijn ziel hoger in dan de noden van mijn lichaam?
Gebruik ik materiële goederen zodanig dat ze me dichter bij God brengen?
Vermijd ik onnodige uitgaven? Weiger ik mijn grillen te bevredigen? Vecht ik
tegen de neiging om valse behoeften te scheppen? Zorg ik goed voor de dingen
die ik bezit en de dingen waarvoor ik verantwoordelijk ben?... Wat een schande
als we zouden ophouden Christus te volgen vanwege iets echt onbelangrijks!
50.2 Een christen die midden in de wereld leeft, moet nooit vergeten dat
alle materiële goederen bestemd zijn om zijn gezin en de gehele maatschappij
ten goede te komen. Wij christenen moeten ons heiligen door deze goederen goed
te gebruiken. Niets staat verder weg van de ware geest van armoede dan het
stoffelijke te bezien met wantrouwen of minachting. God kijkt met welgevallen
naar echte vooruitgang en materiële ontwikkeling. We moeten allemaal vechten
tegen armoede, ellende en iedere soort situatie die afbreuk doet aan de
menselijke waardigheid.
De armoede van een gewone christen is geen kwestie van
uiterlijke verschijning. Christelijke armoede heeft te maken met iets diepers,
met de oriëntatie van het menselijk hart. Het heeft te maken met nederig zijn
tegenover God, door je totale afhankelijkheid van Hem te erkennen. Deze soort
armoede wordt getoond in een geloof, door werken bewezen. Als iemand deze deugd
heeft en gezegend is met materiële welstand, dan zal het christelijke antwoord
van die persoon bestaan uit onthechting en naastenliefde. Wie niet rijk is,
wordt niet gerechtvaardigd in de ogen van God om alleen die reden. Wie arm is
moet strijden om de deugden te verwerven die noodzakelijk zijn om in zijn
situatie als een christen te leven. Een arme kan zeker edelmoedig handelen. Ook
een arme moet onthecht zijn van de weinige dingen die hij bezit.
Jezus was de armen, de zieken en de behoeftigen altijd zeer
nabij. Maar ook schijnt er bij degenen die tot Hem waren aangetrokken een
aantal welgestelde mensen te zijn geweest, als die vrouwen die zorgden voor de
materiële noden van de Meester en zijn apostelen. Enkelen van hen, zoals
Matteüs en de zonen van Zebedeüs, waren bemiddelde mannen. Jozef van Arimatea
was een vermogend man die specifiek herkend wordt als een van Christus'
leerlingen.7 Juist hij en Nikodemus hadden het
voorrecht om het lichaam van de Heer van het kruis te nemen.8 Jozef gaf Christus zijn graf en Nikodemus, wordt ons
verteld, bracht een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond. De familie van
Marta, Maria en Lazarus was waarschijnlijk van een aanzienlijke sociale klasse,
daar we weten dat vele joden kwamen om de dood van Lazarus te bewenen. Christus
vroeg de rijke belasting-ophaler Zacheüs of Hij in zijn huis kon verblijven en
aanvaardde hem later als leerling.9 Zelfs het
kleed dat Jezus droeg was waardevol, wat aangetoond wordt door het feit dat het
van boven tot onder zonder naad geweven was...
«De goederen van de wereld zijn niet slecht. Als de mens ze
echter verafgoodt en er zich voor op de knieën werpt, dan maakt hij er slechte
dingen van. Ze worden geadeld als wij ze veranderen in werktuigen voor het
goede als christelijke opdracht van gerechtigheid en liefde. Wij mogen de stoffelijke
goederen niet najagen als iemand die op zoek gaat naar een schat. Onze schat is
Christus. Op Hem moet heel onze liefde zich richten.»10
Hij is de waarheid die ons leven bepaalt en er is geen hogere waarheid dan
deze. We moeten Hem navolgen, in overeenstemming met onze persoonlijke
omstandigheden. We kunnen ons nooit aanmatigen dat we volledig onthecht zijn,
daar het de natuur is van iedere man en iedere vrouw om persoonlijke afgoden te
maken, om 'onnodige behoeften' te hebben, om meer uit te geven dan echt
noodzakelijk is, om in te gaan op zijn of haar grillen. Zoals het Tweede
Vaticaans Concilie ons leert, «moet de mens [...] de uitwendige dingen die hij
gewettigd bezit niet slechts beschouwen als zijn privé-eigendom, maar ook als
gemeenschappelijk, in deze zin dat ze niet alleen hemzelf maar ook anderen tot
voordeel kunnen strekken.»11
Wij moeten onderzoeken in hoeverre we onthecht zijn van
materiële zaken en ons afvragen of we ons hart volledig gericht hebben op de
Heer. Dit sluit zowel zaken van het moment in als dingen met geringere
uitwerking, aangezien «een duidelijk teken van onthechting is: niets -maar dan
ook niets- te beschouwen als je bezit.»12
50.3 We moeten alle talenten die de Heer ons gegeven heeft, ontwikkelen,
zonder valse bescheidenheid of aarzeling. We moeten ons inzetten voor echte
sociale vooruitgang, een vooruitgang die de waardigheid van de mens steeds
beter dient. Aangezien wij allen kinderen van God zijn, moeten aan ieder mens
levensvoorwaarden verschaft worden die in overeenstemming zijn met de
menselijke waardigheid. We moeten geven wat we kunnen aan instellingen en
stichtingen die de mens opheffen uit onwetendheid en mensonwaardige toestanden.
We moeten werken aan oplossingen voor de ongelijkheden en sociale barrières die
ten hemel schreien: aan de ene kant moeten velen dagelijks vechten om te
overleven, terwijl er aan de andere kant verkwisters zijn die de mensheid en
hun Schepper beledigen met hun egoïstische losbandigheid.
We zullen bij deze inspanning stoten op veel moeilijkheden,
zowel innerlijk als uiterlijk. Egoïsme is diep geworteld in onze harten, en
onze huidige omgeving lijkt totaal overgeleverd aan een 'consumptie-cultuur'.
Zo'n omgeving brengt een sterke golf van zinnelijkheid met zich mee, die «leidt
tot een vermenigvuldiging van morele afdwalingen van elke soort: erotisme,
verheerlijking van het genot, alcohol- en drugsmisbruik enz. Het ligt voor de
hand dat deze excessen gekomen zijn als consequentie van de diepe
ontevredenheid van de mens die zich van God verwijdert [...]. De resultaten
zijn overal om ons heen: mannen en vrouwen zonder idealen, zonder inzicht en
zonder een goed oordeel over de zin van het leven»13,
die zijn opgestaan tegen de Heer en tegen zijn Christus.14
Voor de grote meerderheid van de christenen betekent Christus
volgen zich heiligen midden in de wereld. Het betekent je talenten en
bezittingen te ontwikkelen voor het welzijn van anderen, te beginnen met dat
van je eigen gezin. Het doel van christelijk leven kan niet zijn het louter
opeenstapelen van rijkdommen. Zo'n optreden kan alleen resulteren in een zware
verarming van de menselijke persoon. Matigheid in het bezit en gebruik van materiële
goederen maakt de christen vrij om Christus te volgen. De heilige Maagd wist
meer dan wie ook hoe zij deze deugd moest beleven. Zij zal ons helpen om in dit
opzicht een goede, concrete oplossing te vinden.
-1. Mt
19,23-25. -2. Mt
6,24. -3. Kard. J.M. Lustiger, Secularisatie
en theologie van het kruis, Madrid, 1987. -4. Kol 3,5. -5. Vgl. Ef 4,19; 5,3. -6. Vgl.
Ps 2,2. -7. Mt 27,57. -8. Joh 19,38. -9. Lc 19,5. -10. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
35. -11. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et spes, 69.
-12. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 524. -13. A. Fuentes, El sentido cristiano de la riqueza, Madrid,
1988, bl 186-187. -14. Vgl. Ps 2,2.
|