Zesentwintigste week. Maandag
40. De christelijke betekenis van het lijden
-De beproevingen en ellende van Job. -Het lijden van de
rechtvaardigen. -Pijn en het lijden en sterven van Christus.
40.1 Tijdens
deze week lezen wij in het boek Job over het onderwerp lijden en schande.1 Het is het inspirerende verhaal van een godvrezend
man, Job genaamd, die in het land Us leefde. Gedurende zijn leven had hij
talrijke zegeningen ontvangen. Hij was de rijkste man van heel het Oosten. Hij was de
vader van een grote familie. Volgens het geloof van die tijd was er een directe
relatie tussen deugdzaam leven en materiële voorspoed. De rijkdom van Job werd
gezien als beloning van God voor zijn vroom leven. Het verhaal begint inderdaad
met de vermelding, dat God zeer ingenomen is met Job. Satan komt bij God zijn
opwachting maken om de oprechtheid van Jobs trouw te betwisten. Hij voorspelt,
dat Job God zal verlaten, wanneer hij beproefd wordt: Hij vreest God niet voor niets! Gij hebt hemzelf, zijn
familie en heel zijn bezit aan alle kanten omgeven en beschermd, Gij zegent al
wat hij onderneemt, en zijn bezit grijpt steeds verder om zich heen in het
land. Maar pak hem eens aan, tref hem in alles wat hij heeft: wedden dat hij U
vloekt in uw gezicht.2
Met de toestemming van God ontneemt de duivel Job al zijn
bezittingen. Dan komen zijn talrijke kinderen om bij een ramp. Trouw aan zijn
geloof reageert Job met onderwerping aan de goddelijke Voorzienigheid: Naakt kom ik uit de schoot van moeder
aarde, naakt keer ik daar terug. Jahwe geeft, Jahwe neemt, gezegend de naam van
Jahwe!3 Job aanvaardt volledig
Gods wil, zowel in voor- als in tegenspoed. Hij zet zijn ellende om in een
geweldige geestelijke rijkdom.
Dan staat God de Satan toe
Job nog zwaarder te beproeven. Zijn lichaam is bedekt met afschuwelijke
zweren van zijn kruin tot aan zijn voeten. Het verlies van iemands lichamelijk
welzijn kan zelfs nog erger zijn dan het verlies van materiële goederen. Het
geloof van Job blijft echter onwrikbaar ondanks zijn kwalen en in weerwil van
de scherpe woorden van zijn vrouw. Hij zegt haar: Het goede nemen wij wel aan van God, waarom dan het kwade
niet?4
Vandaag is een goede gelegenheid om onze gevoelens ten
opzichte van God te onderzoeken, wanneer wij schande ondervinden of pijn hebben
of beide. God is altijd onze liefhebbende Vader, zelfs wanneer wij het heel erg
te kwaad hebben. Gedragen wij ons als dankbare zonen en dochters, zowel in
goede als in slechte tijden, in ziekte en in gezondheid?
40.2 Drie
vrienden van Job, ieder uit een andere stam, horen van al de rampen die hem
getroffen hebben en komen gezamenlijk naar hem toe om hem wat troost te bieden.
Hun namen zijn Eliphaz, Bildad en Zophar. Wanneer zij Job in zulke
beklagenswaardige omstandigheden aantreffen, raken zij overtuigd dat God hem
vervloekt heeft. Deze mannen geloven, dat voorspoed Gods beloning is voor
deugdzaamheid. Ellende, zo geloven zij, is Gods straf voor zondigheid. Het
gedrag van deze mannen, gecombineerd met het voortduren van zijn lijden, maakt
dat Job zich heel eenzaam voelt. Hij verbreekt zijn stilzwijgen met een
langdurige weeklacht. Zijn zogenaamde 'troosters' hebben wat harde woorden voor
hun vriend, die God zeker wel op een verschrikkelijke wijze beledigd moet
hebben. Job is overtuigd van zijn wezenlijke onschuld, ofschoon hij kleine
overtredingen heeft begaan zoals ieder ander.5
Hij herinnert zich ook de vele goede werken die hij heeft gedaan. In de diepte
van zijn ziel breekt een groot conflict uit.
Job weet dat God rechtvaardig is, maar hij is helemaal niet
in staat om het onrecht dat hij meemaakt te begrijpen. Hij gelooft ook dat God
de mens behandelt volgens een of ander systeem van verdienste. Maar hoe kan hij
Gods rechtvaardigheid rijmen met zijn tragisch lot? Zijn vrienden hebben voor
zijn problemen hun antwoord klaar, maar hij verwerpt hun antwoord. Er schijnt
een onoplosbare tegenstrijdigheid te zijn tussen goddelijke rechtvaardigheid en
de onschuld van Job. Deze strijd geeft Job nog meer pijn dan zelfs zijn
lichamelijk lijden en materiële rampspoed.6 Als
men ernaar kijkt zonder de ogen van het geloof is het lijden van onschuldigen
altijd verwarrend: kinderen die in hun vroege jeugd sterven, baby's die met
ernstige gebreken geboren worden, eerlijke mensen die financiële rampen
doormaken of ernstige ziekten... al dit soort zaken, terwijl anderen, die
onverschillig ten opzichte van God lijken te leven, succes hebben zonder de
minste zorg.
«Het boek Job legt met volledige eerlijkheid het probleem van
het lijden van een onschuldig man voor: schuldeloos lijden. Job werd niet
gestraft, er was geen reden om hem te straffen, ook al werd hij onderworpen aan
een verschrikkelijke beproeving.»7 Als gevolg
van deze toetsing komt Job gesterkt in deugdzaamheid te voorschijn. Zijn
loyaliteit hangt toch niet af van de gaven van tijdelijke aard die hij van God
heeft ontvangen. «Het boek Job is niet het laatste woord over dit onderwerp in
de Openbaring. In zekere zin is het een voorspelling van het lijden van
Christus.»8 dat de enige toereikende uitleg is
voor het mysterie van het menselijk lijden, vooral voor de pijn die gevoeld
wordt door hen die geen kwaad gedaan hebben.
Zozeer immers
heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal
hebben.9 «Men kan zeggen, dat door
het lijden van Christus al het menselijke lijden zich in een nieuwe situatie
bevindt. En het lijkt erop, dat Job dit voorzag toen hij zei: Ik weet dat mijn Verlosser leeft... (Job
19,25), en alsof hij zijn eigen lijden erop gericht had, dat zonder verlossing
hem niet de volle betekenis ervan had kunnen worden geopenbaard. In Christus'
kruis is niet alleen de verlossing voltooid door lijden, maar ook het
menselijke lijden zelf is verlost. Christus, schuldeloos, nam al het kwaad van
de zonde op zich.»10 Het lijden van Jezus was de
prijs voor onze verlossing.11 Vanaf dat ogenblik
kon ons lijden verenigd worden met het lijden van Christus. Zo kunnen wij deelnemen
aan de verlossing van de hele mensheid. «Dit is de grote christelijke revolutie
geweest: dat het leed is veranderd in lijden dat vruchtbaar is; dat uit een
kwaad iets goeds is gemaakt. We hebben de duivel van dat wapen beroofd, en we
veroveren er de eeuwigheid mee.»12
40.3 Van
pijnervaring wordt men een andere persoon dan men tevoren was. Pijn kan de ziel
zuiveren en verheffen. Het kan ons ertoe brengen om onze vereniging met de
goddelijke wil te intensiveren. Het kan ons inspireren om ons van wereldlijke
goederen en van te grote zorg om onze gezondheid los te maken. Pijn kan van ons
mede-verlossers met Christus maken. Pijn kan dit alles doen... of het kan ons van
de Heer verwijderen, de ziel vervreemd van het bovennatuurlijk leven
achterlatend. Toen Simon van Cyrene uit de menigte werd gehaald om Jezus te
helpen zijn kruis te dragen, deed hij wat van hem gevraagd werd zonder
enthousiasme. Hij werd gevorderd, schrijft de evangelist.13 Het eerste wat hij zag was het kruis, slechts zware
houten balken. Later keerden zijn gedachten zich van het hout tot de
veroordeelde gevangene, die heel ongewone mens. Op dat ogenblik werd zijn
houding een totaal andere. Hij hielp Jezus uit liefde. Hij won de prijs van het
geloof voor zichzelf en zijn twee zonen, Alexander en Rufus.14 Ook wij moeten uitzien naar Christus te midden van
onze beproevingen en ellende. Door dit te doen zullen wij minder aandacht geven
aan het kruis en meer aandacht aan onze Geliefde. Wij zullen ontdekken, dat het
dragen van het kruis een diepe betekenis heeft, wanneer wij naast de Meester
voortgaan. «Zijn hevigste verlangen is onze harten te doen ontvlammen met
hetzelfde vuur van liefde en offerbereidheid zoals dit in zijn eigen Hart
brandt. Hoe weinig wij ook maar met deze wens overeenstemmen, ons hart zal toch
een vuurhaard worden die krachtig genoeg is om alle onzuiverheden van onze
zondenlast te verbranden. Wij zullen veranderd worden in heilige offergaven,
geheiligd door lijden, totdat wij een grotere zuiverheid en een diepere
verbondenheid met onze Geliefde bereiken. Wij zullen, zoals Hij wenst, het
lijden van de Redder voltooien voor het welzijn van de Kerk en van allen (Kol
1,24). Aan de voeten van de gekruisigde Heer zullen wij de ware aard leren
begrijpen van de liefde die in offer aanwezig is. Toch is het offer zoet voor
degene die liefheeft.»15
Als wij onze overwegingen gaan beëindigen laten wij dan het
tafereel beschouwen waar Onze Lieve Vrouw op Calvarië is, verenigd met het
lijden van haar Zoon. «Bewonder de zielskracht van de heilige Maria: aan de
voet van het Kruis, ten prooi aan de diepste menselijke smart - geen smart is
aan de hare gelijk - en toch vol sterkte. - Vraag haar om die zielskracht,
opdat ook jij het aan de voet van het Kruis leert uithouden.»16 Dichtbij Maria kunnen wij goed begrijpen, dat het
offer zoet is voor degene die liefheeft. Wij zullen voor haar allerliefst hart
al onze gebreken, fouten, wanbegrip, familieproblemen, hoofdpijn en tegenslagen
op het werk, ziekte en pijn neerleggen... «Wanneer het offer is gebracht moeten
wij proberen niet langer aan dat speciale probleem te denken. Wij moeten onze
geest concentreren op het volbrengen van wat Gods wil is, daar waar wij zijn
-in ons gezin, in de fabriek, op kantoor, op school... Vooral zullen wij proberen
hen lief te hebben, die God ons als onze naasten gegeven heeft.
»Als wij dit doen, zullen wij verrast worden: onze ziel zal
vervuld worden van vrede, van liefde, van pure vreugde, van licht. Wij zullen
ons opgebeurd voelen door nieuwe energie. Wij zullen zien hoe wij kunnen
deelnemen aan het werk van de verrezen Heer door vereniging met het kruis.
»Herboren door deze ontdekking zullen wij in staat zijn onze
vrienden te helpen om troost te vinden te midden van hun tranen. Wij zullen
instrumenten worden van vreugde voor heel veel mensen. Wij zullen een geluk
verspreiden dat geen grenzen kent.»17
-1. Eerste
lezing, even jaren, Job
1,6-22. -2. Job
1,9-11. -3. Job
1,21. -4. Job 2,10.
-5. Vgl. Job 13,26;
14,4. -6. Vgl. B. Orchard, Verbum Dei, Barcelona
1960, ii, bl. 104 e.v. -7. Johannes Paulus ii, Apost.
brief Salvifici doloris, 11
februari 1984, 11. -8. Ibidem. -9.
Joh 3,16. -10. Johannes Paulus ii, o.c., 19. -11. Vgl. 1 Kor 6,20. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 887. -13. Mt 27,32. -14. Vgl. Mc 15,21. -15. A. Tanquerey, Het lijden vergoddelijkt, Doornik 1934.-16. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 508. -17. Ch. Lubich, Palabra que se hace vida, Madrid 1990, bl. 39.
|