Derde zondag van Pasen
15. DE DAG DES HEREN
-Zondag, de dag des Heren. -Christelijke feesten. Betekenis
van feestelijkheden. De heilige Mis, middelpunt van alle christelijke feesten.
-Openbare eredienst voor God. Zondagsrust, ook feestelijke rust.
15.1 «Op de dag die
naar de zon genoemd is, komen allen bijeen op dezelfde plaats, de mensen uit de
stad en die van het land. [...] En wij komen allen op die dag bijeen, omdat op
die dag, de eerste der week, de Heer de wereld schiep [...] en omdat op die dag
Jezus Christus, onze Verlosser, verrezen is uit de doden.»1 De Joodse sabbat
ging vanaf het allereerste begin van de Kerk over in de christelijke zondag.
Vanaf die tijd vieren wij elke zondag de opstanding van Christus.
De sabbat was in het Oude Testament de aan Jahwe toegewijde
dag. God zelf heeft deze ingesteld2 en bevolen, dat de Israëlieten zich op die dag van de week
van bepaalde werkzaamheden moesten onthouden om zich aan God te wijden.3 Het is ook de
dag, waarop de familie bij elkaar komt en het eind van de Egyptische
gevangenschap gevierd wordt. Na verloop van tijd zijn de rabbijnen het
goddelijk voorschrift ingewikkelder gaan maken. In de tijd van Jezus bestond er
een reeks minutieuze en benauwende voorschriften die niets van doen hadden met
wat God over de sabbat beschikt had.
De farizeeën botsten regelmatig met Jezus vanwege deze
kwesties. Jezus minachtte de sabbat overigens niet en heeft deze ook niet
afgeschaft als de aan Jahwe gewijde dag. Het leek integendeel zijn favoriete
dag. Op deze dag ging Hij naar de synagoge om te preken; heel wat wonderen deed
Hij op de sabbat.
De Heilige Schrift heeft in ettelijke passages blijk gegeven
een hoge en edele opvatting te hebben over de sabbat. Deze dag was door God
ingesteld, opdat zijn volk voor Hem in het openbaar een eredienst zou vieren.
En de volledige toewijding van de dag komt naar voren als een ernstige
verplichting.4 De
belangrijkheid van het voorschrift kan ook afgeleid worden uit de herhaling
ervan door de hele Schrift. De profeten zien in het niet onderhouden van de
sabbat de oorzaak van de straffen van God.
De sabbatsrust is naar haar aard strikt godsdienstig. Daarom
vond zij haar hoogtepunt en uiting in het brengen van een offer.5 De feesten van
Israël, en met name de sabbat, zijn een teken van het verbond met God en een
uiting van vreugde door het besef eigendom van de Heer te zijn en voorwerp van
zijn uitverkiezing en liefde. Daarom is elk feest verbonden met een
heilsgebeurtenis.
De inhoud van deze feesten is louter de belofte van een
werkelijke, historische gebeurtenis die volgens de Joden nog niet heeft
plaatsgehad. Met de verrijzenis van Christus is de sabbat voor ons, christenen,
overgegaan in de werkelijkheid die erdoor aangekondigd werd, de viering van
Christus' verrijzenis. Jezus zelf sprak over het Rijk Gods als over een groot
feest, dat door een koning was aangericht bij gelegenheid van de bruiloft van
zijn zoon6,
voor welk feest wij uitgenodigd zijn om te delen in de Messiaanse goederen.7 Met Christus komt
er een nieuwe en verhevener eredienst, want wij hebben ook een nieuwe Priester
en er wordt een nieuw Slachtoffer opgedragen.
15.2 Na de verrijzenis werd de eerste dag van de
week door de apostelen beschouwd als de dag des Heren, dominica dies8, omdat Hij door
zijn verrijzenis voor ons de overwinning op zonde en dood verworven heeft.
Daarom hielden de eerste christenen hun liturgische bijeenkomsten op zondag.
Dat is de ononderbroken en wereldwijde traditie gebleven tot in onze dagen.
«Het paasmysterie wordt door de Kerk, krachtens apostolische overlevering die
teruggaat tot de eigen dag van de verrijzenis van Christus, telkens gevierd op
de achtste dag, die terecht dag des Heren -of zondag- wordt genoemd.»9
Het voorschrift de dag des Heren te heiligen regelt een
wezenlijke verplichting van de mens jegens zijn Schepper en Verlosser. Op deze
God-gewijde dag brengen wij Hem in het bijzonder eer door deel te nemen aan het
Misoffer. Geen enkele andere viering voldoet zozeer in de ware zin aan de vervulling
van dit voorschrift.
Naast de zondag heeft de
Kerk de feesten vastgesteld, die de
belangrijkste gebeurtenissen van onze verlossing gedenken: Kerstmis,
Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en andere feesten
van de Heer; en de feesten van Onze Lieve Vrouw. Daarnaast hebben de
christenen van meet af aan de dies natalis, of de verjaardag van de marteldood -de geboorte
voor het eeuwig leven- van de eerste
christenen gevierd. Uiteindelijk zijn de kerkelijke feesten ook bepalend
geworden voor de burgerlijke kalender. De kalender volgend «viert de Kerk de
verlossingsmysteries, ontsluit Zij voor de gelovigen de rijke schat van
heilsdaden en verdiensten van haar Heer; en wel zo, dat deze mysteries te allen
tijde in zekere zin tegenwoordig worden gesteld, opdat de gelovigen ermee in
contact komen en van heilsgenade worden vervuld.»10
Het middelpunt en de oorsprong van het christelijke feest is
gelegen in de aanwezigheid van de Heer in zijn Kerk, wat het onderpand en de
voorproef is van een definitieve vereniging bij het feest dat geen einde zal
kennen.11 Hieruit
komt de blijdschap voort die het vieren van de zondag doordrenkt, zoals blijkt
uit het 'Gebed over de gaven' van vandaag: «Aanvaard de gaven die de Kerk U vol
vreugde brengt. Nu reeds zijt Gij de bron van onze blijdschap: geef ons dan ook
de eeuwige vreugde.» Daarom zijn onze feesten niet louter de gedachtenis van
voorbije feiten, zoals de jaarlijkse herdenking van een historische
gebeurtenis, maar zij zijn een teken waarin Christus onder ons aanwezig komt.
De heilige Mis doet Jezus aanwezig zijn in zijn Kerk en is
het oneindig waardevolle offer, dat opgedragen wordt aan God de Vader in de
Heilige Geest. Alle overige menselijke, culturele en maatschappelijke waarden
van een feest komen pas op de tweede plaats, elk naar eigen merites, zonder dat
deze ook maar één moment dat, wat wezenlijk moet zijn, verduisteren of
vervangen. Naast de heilige Mis zijn er belangrijke uitingen van liturgische
vroomheid en volksdevotie, zoals aanbidding en verering van het Allerheiligste,
processies, zang, grotere zorg voor de kleding enz.
Door ons voorbeeld en ons apostolaat dienen wij ervoor te
zorgen, dat de zondag wordt: «de dag des Heren, een dag van aanbidding en
verheerlijking van God en van het heilig sacrament des altaars, een dag van
gebed, van rust, van ingetogenheid, van vreugde om het bijeen zijn van de
familie.»12
15.3 Jubelt voor God alle landen, alleluia;
bezingt de heerlijkheid van zijn Naam, alleluia, en brengt Hem uw hulde,
alleluia..., zingen wij in de introïtus van vandaag.13 Het voorschrift de feestdagen te
heiligen komt overeen met de noodzaak openlijk een eredienst voor God te houden
en niet alleen maar privé. Sommige mensen pretenderen hun omgang met God te
regelen in de sfeer van het geweten, alsof er niet noodzakelijkerwijs ook
uiterlijke blijken moeten zijn. De mens heeft trouwens de plicht en het recht
God uitwendig en publiekelijk eer te brengen. Het zou een grove inbreuk zijn,
als de christenen zich verplicht zouden zien zich te verschuilen om hun geloof
te kunnen praktizeren en God eer te brengen, wat hun eerste recht en hun eerste
plicht is.
De zondagen en de door de Kerk vastgestelde feestdagen zijn
allereerst dagen voor God en bij uitstek geschikt Hem te zoeken en te
ontmoeten. «Quaerite Dominum. Wij mogen nooit ophouden Hem te zoeken: er
zijn bovendien perioden, waarin wij Hem intensiever moeten zoeken, omdat de
Heer bijzonder nabij is, waardoor het makkelijker is Hem te vinden en te
ontmoeten. Deze nabijheid vormt het antwoord van de Heer op het smeken van de
Kerk, dat in de liturgie onophoudelijk tot uitdrukking komt. Juist door de
liturgie wordt de nabijheid van de Heer geactualiseerd.»14 Feesten zijn van groot belang om
de gelovigen te helpen de werkdadigheid van de genade beter te beleven. Op deze
dagen wordt gevraagd, dat de gelovige het werk onderbreekt om zich beter aan
God te kunnen wijden. Maar er is geen feest zonder viering. Een tijd niet
werken is nog geen feestvieren. Er kan evenmin een christelijk feest zijn,
zonder dat de gelovigen bijeenkomen om dank te zeggen, de Heer te loven, zijn
werken te gedenken enz. Daarom zou het van weinig christelijke zin getuigen,
als de zondagen, de feestdagen, de weekeinden... zo besteed worden, dat deze
omgang met God onmogelijk of heel moeilijk zal zijn. Sommige lauwe katholieken
overkomt het, dat zij uiteindelijk menen geen tijd te hebben de Mis bij te
wonen, of zij doen het gehaast, zoals iemand die zich van een al te vervelend
karweitje afmaakt.
Vrije tijd is niet alleen een gelegenheid nieuwe krachten op
te doen, maar het is ook een teken en voorafschaduwing van de uiteindelijke
rust van het feest in de hemel. Daarom wil de Kerk haar feesten vieren juist
zonder storende invloed van arbeid. Op deze vrije tijd heeft de christen, en
met hem zijn medeburgers, overigens recht. De staat heeft dit recht te
garanderen en te eerbiedigen.
Het vrij zijn vanwege een feestdag moet niet gezien en
beleefd worden, als een simpel niets-doen -tijdverspilling- maar als een
positieve bezigheid en persoonlijke verrijking door andere, meer culturele
werkzaamheden. Er zijn heel veel mogelijkheden om zich te ontspannen, en men
hoeft niet bij de makkelijkste te blijven stilstaan. Als wij bijvoorbeeld het
televisie kijken op feestdagen zouden weten te beperken, zouden wij veel minder
vaak hoeven te komen met de onterechte smoes 'geen tijd te hebben'. Wij zullen
integendeel ontdekken, dat wij op die dagen dan meer tijd hebben om in het
gezin door te brengen, aandacht te geven aan de opvoeding van de kinderen,
sociale contacten, omgang met vrienden te onderhouden, een bezoek te brengen
aan iemand die het nodig heeft, alleen is, ziek is enz. Het biedt misschien de
gelegenheid waarnaar wij op zoek waren om eens uitgebreid met een vriend te
praten; of voor een vader of moeder om eens met een kind alleen te praten, en
naar hem te luisteren. Bij echte ontspanning «hoort ook dat men de hele dag
ingedeeld heeft volgens een flexibel rooster en elk uur met een nuttige
bezigheid kan vullen, dat men de dingen zo goed mogelijk doet en ervoor zorgt dat
ook kleinigheden stipt, netjes en in een goed humeur verlopen. In een
dergelijke dagindeling moet, afgezien van de tijden voor het gebedsleven, de
nodige tijd vrij blijven voor zinvolle ontspanning en voor het samenzijn met
het gezin, en verder voor lectuur, hobby's, kunst en dergelijke.»15
-1. Getijdengebed, tweede lezing, H. Justinus, Apologia I, 67. -2.
Vgl. Gn 2,3. -3. Vgl. Ex 20,8-11; 21,13; Dt 5,14. -4. Vgl.
Ex 31,14-15. -5. Vgl. Num 28,49 en 28,9-10. -6. Vgl. Mt
22,2-13. -7. Vgl. Jes 25,6-8. -8. Apok 1,10. -9. Vaticanum ii, Sacrosanctum
concilium, 106. -10. Ibidem, 102. -11. Vgl. Apok 21,1 e.v.; 2 Kor
1,22. -12. Pius xii, Toespraak,
7 september 1947. -13. Ps 65,1-2. -14. Johannes
Paulus ii, Homilie, 20 maart 1980. -15. Gesprekken met
Mgr. Escrivá, 111.
|