-De deugd van de reiziger onderweg. De grondslag ervan.
-Hoop temidden van tegenspoed, hindernissen, pijn... -De hoop heilig te worden
regelmatig vernieuwen.
19.1 De christelijke ascese
beschouwt het leven van de mens op aarde als een weg die bij God uitkomt. Wij
zijn allemaal homo viator, een reiziger die haastig
op weg is naar zijn uiteindelijk doel, God. Daarom moeten wij allen «een
voorraad hoop inslaan, als wij met kloeke en zekere pas verder willen gaan over
de zware weg die ons wacht.»1 Als de reiziger de
hoop om zijn bestemming te bereiken zou verliezen, zou dat zijn pas verlammen,
want het vertrouwen het doel te kunnen bereiken zet hem aan zijn weg te
vervolgen. Wij willen rechttoe rechtaan en haastig naar de heiligheid, naar
God, gaan.
Wanneer iemand zich een menselijk doel stelt, is zijn verwachting
om dat te bereiken gebaseerd op lichamelijk uithoudingsvermogen, op training,
op ervaring; en uiteindelijk op zijn sterke wil die, als het nodig is, zelfs
krachten kan putten uit de zwakheid. Om het bovennatuurlijk doel van ons
bestaan te bereiken daarentegen, gaan wij niet uit van onze eigen krachten,
maar verlaten wij ons op God, die almachtig is en op de trouwe vriend die niet
tekort schiet. Zijn goedheid en barmhartigheid zijn niet te vergelijken met die
van de mens, die met regelmaat is als de morgennevel, als
de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt.2
Als gevolg van de bovennatuurlijke hoop vertrouwt de christen
erop het definitieve einddoel te bereiken, een einddoel waarmee al in dit leven
vanaf het doopsel een begin wordt gemaakt, en dat voor eeuwig bereikt wordt in
het andere leven. Dit einddoel betreft geen voorlopige bestemming zoals bij
gewone reizen, het is niet een nieuw vertrekpunt naar verdere bestemmingen.
Door deze deugd hopen wij op en verlangen wij naar het eeuwig leven dat God
beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. Die belofte omvat tevens de noodzakelijke
middelen om het eeuwig leven te bereiken, en de steun van zijn almachtige hulp.3
De Heer belooft ons zijn steun om ons teweer te stellen tegen
de bekoringen, en de kiem van het eeuwig leven in de ziel te doen gedijen. Hoe
omvangrijker de moeilijkheden zijn en hoe groter de zwakte, des te vaster moet
onze hoop op de Heer zijn, want zijn hulp en bijstand zullen nog groter zijn,
zijn aanwezigheid in ons dagelijks doen en laten nog onmiskenbaarder.
In de tweede lezing van de mis4
brengt de heilige Paulus ons in herinnering hoe Abraham tegen
alle hoop in heeft gehoopt, en geloofd dat hij vader zou worden van vele
volken, gelijk hem gezegd was. Johannes Paulus i zegt daarover: «U zou nog steeds kunnen zeggen 'hoe
is dat mogelijk?' Het is mogelijk, omdat hij vasthield aan drie waarheden: God
is almachtig; Gods liefde voor mij is onmetelijk; God is trouw aan zijn
beloften. De God van barmhartigheid is het juist die in mij het vertrouwen doet
ontbranden. En zo voel ik mij niet alleen, niet nutteloos, niet verlaten, maar
verbonden met een heilsbestemming die eens zal uitmonden in het paradijs.»5
Abraham aarzelt niet, ook al is hij een grijsaard en zijn
vrouw onvruchtbaar, maar hij vertrouwt krachtig op de goddelijke macht en
barmhartigheid door zijn vaste overtuiging dat God bij
machte is te volvoeren wat Hij heeft toegezegd. En wij, zullen wij niet
vertrouwen op Jezus Christus die is overgeleverd om onze
misslagen en opgewekt om onze rechtvaardiging? Hoe zou God ons alleen
laten tegenover de obstakels die wij tegenkomen, als wij leven naar de roeping
die wij van Hem ontvangen hebben? Hij reikt ons zijn hand op veel manieren; gewoonlijk
in het dagelijks gebed, in het trouw nakomen van het leefplan dat wij opgesteld
hebben, in de sacramenten, en op bijzondere wijze in de raad die wij ontvangen
in de geestelijke leiding. De Heer zal ons nooit alleen laten op onze tocht
door deze wereld, waarin wij vaak zwakte en slapte ervaren. De hoop heilig te
worden, trouw te vervullen wat God van ieder van ons verwacht, is afhankelijk
van het al dan niet aannemen van de hand die God ons dagelijks toesteekt. Die
deugd heeft haar grondslag niet in wat wij waard zijn, in de persoonlijke
kwaliteiten of in de afwezigheid van moeilijkheden, maar in het verlangen van
God, in zijn wil dat wij de bestemming bereiken: een wil die altijd vergezeld
gaat van de genade en bijstand die in alle omstandigheden nodig zijn.
«Nam et si ambulavero in medio umbrae
mortis, non timebo mala -moest ik gaan door het dal van de schaduw des
doods, kwaad zou ik niet vrezen. Noch mijn ellende, noch de verlokkingen van de
vijand zullen mij bezighouden, quoniam tu mecum es -
want naast mij gaat Gij.»6
19.2 Het evangelie van vandaag7 laat ons nog eens zien hoe de Heer de mensen die Hem
het meest nodig hebben, zeer nabij is. Hij is gekomen om te genezen, te
vergeven, te redden; en niet alleen om wie gezond is, gezond te houden. Hij is
de goddelijke geneesheer, de geneesheer die vooral de kwalen van de ziel geneest.
Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken,
zegt hij tot diegenen die Hem bekritiseren omdat Hij eet met tollenaars en
zondaars. Wanneer het niet goed gaat met de zaken van de ziel, wanneer de
gezondheid van de ziel te wensen over laat -en wij zijn nooit voor honderd
procent gezond-, is Jezus bereid meer zorg, meer hulp te geven. Hij gaat niet
weg bij de zieke, verwijdert zich niet van ons, geeft niemand op. Hij laat
niemand met een gebrek zonder verzorging, wanneer er iets is dat beter kan en
moet gaan, want Hij roept ons tot de heiligheid en heeft de nodige genaden
daartoe bereid. Het is de zieke zelf die de werkzaamheid van de geneesmiddelen
of van het ingrijpen van deze geneesheer, die alles genezen kan, teniet kan
doen door deze af te wijzen. De helende en heilbrengende wil van Christus ten
gunste van ieder van zijn leerlingen, van ons, biedt de zekerheid dat te bereiken,
wat Hij van ons vraagt.
De deugd van de hoop doet ons inzien, dat de moeilijkheden
van dit leven een diepe betekenis hebben, dat ze niet toevallig of door een
blinde lotsbeschikking op onze weg komen, maar omdat God het wil, of althans
het toelaat om uit deze situaties een groter goed te voorschijn te laten komen:
meer ons vertrouwen te leren stellen op Hem, te groeien in het bewustzijn van
ons goddelijk kindschap, meer onthecht te zijn aan de gezondheid en aardse
goederen, het hart te zuiveren van bedoelingen die misschien niet helemaal
zuiver op de graat waren, boete te doen voor onze zonden en voor die van alle
mensen...
De Heer zegt ieder van ons in het evangelie, dat Hij barmhartigheid
stelt boven offers, en als Hij op enig moment toelaat, dat wij geconfronteerd
worden met verdriet en lijden, doet Hij dat omwille van een hogere reden die
wij soms niet begrijpen, voor onze eigen bestwil, voor die van onze familie,
vrienden en de hele Kerk. De Heer wil een hoger goed, zoals een moeder een
pijnlijke operatie toelaat opdat haar kind weer volledig gezond wordt. Het zijn
momenten om met een sterk geloof te geloven, om de hoop aan te wakkeren, want
alleen die deugd leert ons als een schat te beschouwen, wat zich
menselijkerwijs voordoet als droefenis, misschien als een groot ongeluk. Het
zijn momenten om naar het tabernakel te gaan en de Heer in alle rust te zeggen,
dat wij alles willen wat Hij wil. «Het is het grootste zelfbedrog -schrijft de
heilige Theresia- dat wij ons niet volledig verlaten op wat de Heer doet, die
beter weet wat goed voor ons is.»8 «Jezus, wat U
ook 'wilt'... ik houd ervan.»9 Wat U toelaat,
zal ik, met uw hulp, aanvaarden als een groot goed, zonder beperkingen, zonder
voorwaarden. Ik zal U voor alles danken, als U bij mij blijft.
19.3 God bevordert in alles ons
heil.10 Laten wij dat zeggen in de intimiteit
van ons hart, ook al worden wij getroffen door een groot lichamelijk of
geestelijk lijden. Wij moeten de verleiding overwinnen, de verleiding van
egoïsme, van droefheid, van onbelangrijke zaken die ons te veel bezighouden.
Wij zijn rechtstreeks op weg naar de hemel. Alles zal veranderen in een hulpmiddel
om dichter bij het doel te komen en het eerder te bereiken. Alles, ook onze
zwakheid.
Wij moeten in het bijzonder de deugd van hoop veel beoefenen
met betrekking tot ons innerlijk leven, vooral als het lijkt dat wij geen
vooruitgang boeken, als de tekortkomingen maar niet willen verdwijnen, als we
in dezelfde fouten vervallen, zodat het lijkt of de heiligheid ver verwijderd
is, als een schim. Wij moeten dan voor ogen houden wat de heilige Johannes van
het Kruis leert: dat de ziel in «de verwachting van de hemel zoveel bereikt,
als zij hoopt.»11 Er zijn mensen die niet tot de
goddelijke goederen geraken, juist omdat zij niet hopen die ooit te verwerven,
omdat hun blikveld al te menselijk, kleingeestig, is, omdat de grootheid van de
goedheid van God, die ons helpt ook al verdienen wij dat absoluut niet, er niet
in doorschemert.
En de heilige gaat verder: «ik hoopte enkel op deze vangst,
die mijn hoop niet zal ontgaan; hoger, nog hoger zal ik mijn vleugels uitslaan,
en mijn prooi raakt met recht beangst.»12 De
hoop moet alleen op God gericht zijn. Zij moet ruim zijn, kinderlijk, op het
goddelijke af. Als wij niet karig zijn in de hoop, zullen wij alles van Hem verkrijgen.
Wanneer de heiligheid -het doel van ons leven- misschien veraf lijkt, moeten
wij ervoor zorgen dat wij de strijd om dichter bij de Heer te komen, om vurig
te hopen en onze plichten goed na te komen, niet opgeven. Laten wij deze strijd
voeren door de voornemens van ons gewetensonderzoek of van de laatste
bezinningsdag met hernieuwde kracht in daden om te zetten. De raadgevingen uit
de geestelijke leiding in praktijk brengen is ook een wapen in de strijd tegen
de ontmoediging. Op sommige momenten zullen wij de Heer alleen het verdriet van
onze nederlagen -op meer of minder belangrijke fronten- kunnen aanbieden, en
het hernieuwde verlangen opnieuw te beginnen. Dat zal een nederig, de Heer
welgevallig offer zijn.
De hoop zet ons aan opnieuw te beginnen, met blijdschap, met
geduld, zonder moe te worden, in de zekerheid met de hulp van de Heer en zijn
Moeder, spes nostra, onze hoop, de overwinning te
zullen behalen, want Hij stelt ons de middelen ter beschikking om te
overwinnen.
-1. Paulus vi, Toespraak, 9 december 1975. -2. Eerste lezing van de mis, Hos 6,3-6. -3. Vgl. H. Pius x,
Grote Katechismus, 893. -4. Rom
4,18-25. -5. Johannes Paulus i, Toespraak, 20 september 1978. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 194. -7. Mt 9,9-13.
-8. H. Theresia van Ávila,Het boek van haar leven, 6,3. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 773. -10. Vgl. Rom
8,28. -11. H. Johannes van het Kruis, Gedichten, VI. -12. Ibidem.
Vierde week. Zaterdag
28. DE DEUGD VAN DE HOOP
-Menselijke en bovennatuurlijke hoop. -Zonden tegen de hoop:
wanhoop en vermetelheid. -De heilige Maagd, onze hoop. Toevlucht nemen tot haar
in ogenblikken van moeilijkheden, en altijd.
28.1 Wij lezen in het evangelie van de Mis van
vandaag deze troostrijke woorden van onze Heer: Als gij Mij iets zult vragen
in mijn Naam, zal Ik het doen.1 De communio heeft ook troostende woorden van onze Heer: Vader,
Ik wil dat zij, die Gij Mij gegeven hebt, met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat
zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen.2
Jezus zelf is onze voorspreker in de Hemel, en belooft ons
dat Hij alles wat wij in zijn naam vragen, ons zal toestaan. 'In zijn naam
vragen' betekent in de eerste plaats, te geloven in zijn verrijzenis en in zijn
barmhartigheid; en het betekent menselijke en bovennatuurlijke dingen te vragen
die goed zijn voor ons eeuwig geluk, hetgeen het wezenlijke oogmerk is van de
christelijke deugd van hoop en het doel van een gezond christelijk leven.
De boer heeft natuurlijke hoop, wanneer hij het zaad
uitstrooit; de zeeman 'hoopt' wanneer hij op een zeereis uitvaart en de
zakenman 'hoopt' als hij zijn zaak begint. Zij hopen een aards doel te behalen:
een goede oogst binnen te halen, een bepaalde haven te bereiken, een goed
inkomen te verwerven.
Christelijke hoop is in
wezen bovennatuurlijk en staat ver boven het natuurlijk verlangen tot
geluk en boven het natuurlijk vertrouwen in God. Door deze deugd zijn we op het
eeuwig leven gericht, op bovennatuurlijk geluk dat niets anders is als het
bezit van God zelf: God zien zoals Hij zichzelf ziet, Hem beminnen zoals Hij
zichzelf liefheeft. Wij richten ons naar God door de middelen te gebruiken die
God zelf ons heeft toegezegd; middelen die altijd beschikbaar zijn voor ons,
als we ze niet verwerpen. Wij vertrouwen erop, dat we dat onbeperkte welzijn
zullen verkrijgen, maar de hoofdreden voor dat vertrouwen is God zelf: in zijn
barmhartigheid en oneindige liefde biedt Hij ons zijn helpende hand, en wij
reageren met onze goede wil en nemen met liefde de hand aan die Hij naar ons
uitstrekt.3
Door de deugd van hoop wordt de christen geen redding
gegarandeerd, tenzij hem een buitengewone genade door God wordt verleend. Maar
hij oriënteert zich met zekerheid op zijn doel, zoals een reiziger, wetend dat
hij op de juiste weg is, vertrouwt dat hij zijn doel bereikt. «De zekerheid van
christelijke hoop is daarom alsnog niet de zekerheid van de redding, maar is de
hoogste zekerheid dat wij op de redding aansturen.»4 Wij zijn vol vertrouwen dat God «nooit
het onmogelijke van ons vraagt, maar Hij verwacht dat we doen wat we kunnen, en
om hulp vragen om te doen wat buiten ons bereik ligt.»5
Het leergezag van de Kerk leert dat «iedereen vaste hoop moet
hebben op de bijstand van God. Want als we trouw zijn aan de genade, zal God,
precies zoals Hij in ons het werk van onze redding begon, het tot voleinding
brengen: God is het immers die in u zowel het willen als het werken
teweegbrengt (Fil 2,13).»6 Onze Heer zal òns niet verlaten als wij Hèm niet verlaten.
En Hij zal ons alle middelen geven die we nodig hebben, om in alle
omstandigheden vooruit te gaan op alle tijden en plaatsen. Hij luistert naar
ons, telkens als wij nederig onze toevlucht tot Hem nemen. Hij geeft ons de
middelen om heilig te worden door onze gewone bezigheden, te midden van ons
werk en in de situaties waarin wij terechtkomen. Hij geeft ons meer genade als
de moeilijkheden groter zijn en meer sterkte als onze zwakheden ons te veel
worden.
28.2
«Christelijke hoop moet actief zijn, de vermetelheid vermijden de goddelijke
beloning te verwachten zonder er voor te werken. Zij behoort vastberaden te zijn
en onwankelbaar om ontmoediging te vermijden.»7
Men spreekt van vermetelheid wanneer iemand meer op
zijn eigen krachten vertrouwt dan op de hulp van God, en vergeet dat voor elke
goede daad die men doet, genade nodig is. Of wanneer iemand iets verwacht van
Gods barmhartigheid dat Hij ons niet kan geven wegens onze slechte gezindheid.
Dat is het geval als men bijvoorbeeld vergeving verwacht zonder berouw, of op
eeuwig geluk rekent zonder zich in te spannen.
Dan kan men gemakkelijk van vermetelheid naar wanhoop
afglijden, wanneer men voor beproevingen en moeilijkheden komt te staan. Het is
alsof die moeilijke eigenschap, die het voorwerp van onze hoop is, onmogelijk
te verkrijgen zou zijn. Die ontmoediging leidt eerst tot pessimisme en dan tot
lauwheid8, lauwheid
die de schijn wekt dat de strijd voor persoonlijke heiligheid een te moeilijke
opdracht is. Het volgende wat gebeurt, is dat alle inspanning wordt nagelaten.
De oorzaak van ontmoediging is niet het bestaan van
moeilijkheden, maar eerder de afwezigheid van een waarachtig verlangen naar
heiligheid en het bereiken van de Hemel. Als wij van God houden en nog meer van
Hem willen houden, zullen wij tegenslagen benutten om Hem onze liefde te laten
zien en in deugd toe te nemen. Gebrek aan hoop sluipt naar binnen, als het
egoïsme de kans krijgt in de ziel te gedijen; wanneer iemand gehecht raakt aan
de dingen van deze wereld en ze beschouwt als de enige zaken die waardevol
zijn.
De lauwe mens wordt ontmoedigd, omdat hij door een grote mate
van schuldige verwaarlozing het zicht op zijn doel heeft verloren: zijn
persoonlijke heiligheid en een verlangen God beter te kennen en lief te hebben.
Dan nemen materiële zaken een absolute waarde aan, zo niet in theorie dan toch in de praktijk. «Als wij tijdelijke ondernemingen
tot absolute doelstellingen verheffen en onze eeuwige woonplaats en het doel
waarvoor we zijn geschapen uit het oog verliezen -God lief te hebben en te
loven en Hem nadien in de Hemel te bezitten- dan misleiden onze meest verheven
inspanningen ons en leiden tot onze ontheiliging.»9
Wij moeten met duidelijk bepaalde doelstellingen door het
leven gaan, met onze ogen op God gericht, dat is het wat ons helpt ons
dagelijks werk enthousiast te doen, of we dat nou zo aanvoelen of niet. Dan
zijn we ons ervan bewust, dat al de goede dingen van deze wereld -ofschoon
waarachtig goed in zichzelf- alleen maar betrekkelijk en altijd ondergeschikt
aan het eeuwig leven moeten zijn en aan alles wat daarmee verband houdt. Het
doel van de christelijke hoop overstijgt totaal al het aardse.
Deze houding ten opzichte van het leven vereist een moedige
dagelijkse strijd, omdat iedereen geneigd is dit leven tot een blijvende
stad te maken, terwijl we in werkelijkheid alleen maar op doorreis zijn.
Hoe kunnen we er zeker van zijn, dat onze hoop standvastig is en sterk? Door
ons toe te leggen op ons innerlijk leven, op punten die duidelijk aan ons zijn
voorgehouden in de geestelijke leiding, door ons geweten dagelijks te
onderzoeken, door te beginnen en te herbeginnen, nederig en zonder
moedeloosheid: dat is het wat onze hoop waarborgt. Onze Heer belooft ons, zoals
we in het evangelie van vandaag lezen, dat Hij steeds gehoor zal geven aan
alles wat wij Hem vragen in zijn Naam.
28.3Ik ben de moeder van de schone liefde,
van de vrees, van de kennis en van de heilige hoop...10Eeuwenlang heeft de Kerk
deze woorden in de mond van Onze Lieve Vrouw gelegd. De patriarchen en profeten
beleefden de deugd van hoop in het Oude Testament op een bijzondere wijze,
zoals alle godvruchtige Israëlieten deden. Zij leefden en stierven met hun ogen
gericht op de schat die de gehele wereld in ere houdt11, en op de dingen
die zijn komst in de wereld met zich mee zou brengen. Zij hebben het slechts
van verre mogen schouwen en begroeten, en erkenden dat zij op aarde
vreemdelingen waren zonder vaste woonplaats.12 Deze hoop schraagde het volk van Israël
gedurende vele generaties te midden van ontelbare beproevingen en ellende.
Met grotere kracht dan de patriarchen en de profeten en de
hele mensheid bij elkaar, voegde de heilige Maagd Maria aan dat geroep van de
hoop het verlangen toe naar de onmiddellijke komst van de Messias. Die hoop was
groter in Maria omdat zij vol was van genade, en daarom behoed voor alle
aanmatiging en gebrek aan vertrouwen in God. Zelfs vóór de aankondiging was
Maria meer doorgedrongen in de Heilige Schrift, dan enig menselijk verstand
ooit had gedaan. En dat inzicht in de kennis van wat de profeten hadden
aangekondigd nam toe, totdat het een punt van algeheel vertrouwen bereikte: wat
aangekondigd was, zou inderdaad gebeuren. Die hoop nam toe met de zekerheid van
«de zeeman -hij heeft de nodige voorzorgen genomen om zeker te zijn dat hij
zijn doel bereikt- en zijn zekerheid neemt toe als hij dichterbij komt.»13
Maria beleefde de deugd van hoop toen zij in haar jeugd de
komst van de Messias vurig verlangde. Later hoopte zij, dat het geheim van haar
maagdelijke ontvangenis van onze Heer aan Jozef, haar verloofde, onthuld zou
worden. Zij paste de deugd van hoop toe, toen zij in Bethlehem waren en geen
plaats hadden voor de Messias om geboren te worden, en zij had hoop gedurende
haar haastige vlucht naar Egypte. Nog later, toen alles verloren scheen op
Calvarië, wachtte en hoopte zij op de glorievolle opstanding van haar Zoon
terwijl de hele wereld in duisternis was gestort. Nu, als de Hemelvaart van
Jezus dichterbij komt, staat zij klaar om de pasgeboren Kerk te ondersteunen in
het verbreiden van het evangelie en de heidense wereld te bekeren.
Alle eeuwen door heeft onze Heer de tekenen van zijn
barmhartige bijstand vermenigvuldigd, en Hij heeft ons Maria gegeven als een
krachtig lichtbaken, zodat wij altijd zullen weten welke weg te nemen als we
verloren raken. Als de winden van de bekoring waaien, als je tegen de riffen
van de bekoring oploopt, kijk naar de ster, roep om Maria. Als woede, hebzucht
of onzuiverheid het schip van je ziel met geweld heen en weer slingeren, keer
je naar Maria. Als je ontzet bent bij de gedachten aan je zonden, in verwarring
gebracht door de gewetensnood, beangst door de idee van het oordeel, en je
begint te zinken in een bodemloze afgrond van droefheid of van wanhoop, denk
aan Maria.
»Gevaar, angst of twijfel, denk aan Maria, roep Maria aan.
Laat Maria altijd op je lippen zijn, zodat zij nooit uit je hart is. Om haar
hulp en voorspraak te verkrijgen, volg dan altijd het voorbeeld van haar
deugden. Je zult niet verloren gaan, als je haar volgt. Je zult niet wanhopen,
als je haar aanroept. Je zult niet verloren gaan, als je aan haar denkt. Als ze
je bij de hand houdt, zul je niet vallen. Als ze je beschermt, heb je niets te
vrezen. Je zult niet lusteloos worden, als ze je gids is. Je zult de haven
veilig bereiken, als zij voor je zorgt.»14
-1. Joh 14,14. -2. Joh 17,24. -3. Vgl. R. Garrigou-Lagrange O.P., Het zieleleven
van den christen, II. -4. Ibidem. -5. H. Augustinus, De Gratia, 43,5. -6. Concilie van Trente, Decreet over de
rechtvaardiging, 13, Dz 806. -7. R.
Garrigou-Lagrange O.P., o.c. -8. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá,De Weg, 988. -9. Vgl. F. Fernández-Carvajal, Lukewarmness,
the Devil in Disguise. -10. Sir 24,18. -11. Hag 2,8. -12. Heb
11,13. -13. R. Garrigou-Lagrange O.P., De
moeder van de Verlosser. -14. H.
Bernardus, Preek 2 over 'missus est', 7.