Zestiende week. Vrijdag
17. De deugd van matigheid
-De waardigheid van het lichaam en van al het geschapene. De
noodzaak van deze deugd. -Door het beoefenen van de matigheid wordt de mens
meer mens. Onthechting van aardse goederen. Het goede voorbeeld geven. -Enkele
uitingen van matigheid.
17.1 De Kerk heeft altijd de waardigheid van het lichaam en van al het
geschapene ingezien. In het scheppingsverhaal wijst de geïnspireerde schrijver
erop hoe God tevreden was met zijn werk.1 Na de
schepping van de mens bezag God alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel
goed was.2 Door hem aan het hoofd van de schepping te plaatsen deed God de mens eer
aan. De waardigheid van de mens werd verder verhoogd toen de Tweede Persoon van
de Heilige Drievuldigheid de menselijke natuur aannam en zijn taak van
verlossing volbracht. Geen onderricht zou verder van de christelijke leer
verwijderd zijn dan de idee van een radicale tegenstelling tussen de ziel en
het lichaam. Want het is de menselijke persoon in zijn geheel, ziel en lichaam,
die geroepen is eeuwig leven te verwerven. De Kerk is een onveranderlijke en
voortreffelijke getuige geweest van de waardigheid en eerbied, verschuldigd aan
het menselijk lichaam. Zoals de heilige Paulus schrijft: Gij weet het, uw lichaam is een
tempel van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God hebt ontvangen.
Gij zijt niet van uzelf. Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eer dan God
met uw lichaam.3
Niettegenstaande zijn door God gegeven aanzien moet de mens
zich voortdurend inspannen om te vermijden verslaafd te raken aan de dingen van
deze wereld, die God schiep voor zijn rechtmatig gebruik. Dit gebeurt als
gevolg van de wanorde in de schepping die door de zonde veroorzaakt is. Het is
karakteristiek voor onze tijd dat velen het verwerven van en de vreugde in
geschapen dingen als het uiteindelijke doel van de mens beschouwen, en niet als
een middel om het einddoel van de mens -God- te kunnen bereiken. Als een gevolg
van deze verkeerde visie op de werkelijkheid, zetten veel mensen Gods wetten
liever opzij, en loochenen daardoor de natuur van de mens en de menselijke
waardigheid zelf. Jammer genoeg brengt dit proces van zogenaamde 'bevrijding'
de mensen onvermijdelijk tot verwording en verslaving. Om deze bedreiging van
de menselijke waardigheid tegen te gaan moeten we de deugd van de matigheid
beoefenen. Matigheid «verzekert dat het lichaam zijn geëigende taak in onze menselijke
natuur kan vervullen»4, een taak die door God is
bepaald.
Wie zich niet wil inspannen om in het reine te komen met
zichzelf zal het moeilijk hebben vereniging met God te bereiken. Al wie
gemakkelijk toegeeft aan zijn gevoelens en grillen, geen zelfbeheersing kent,
verandert zich in grond waarin het goddelijk zaad geen wortel kan schieten. Zo
iemand kan zelfs zijn vooruitgang in menselijke deugden blokkeren. Zoals de
Heer ons in het evangelie van vandaag leert: Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel
hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de
rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vrucht.5 Het christelijke leven zal niet opbloeien onder
mensen die hun lichaam, hun gezondheid, hun uiterlijk aanbidden. Gods weldaden
zijn veranderd geworden in distels die verstikken wat edel is in de mens en die
zijn redding hinderen. «Als het lichaam loom wordt en verzadigd, treft de ziel
zijn rijdier in slechte conditie aan voor de rit naar de hemel.»6
Wij moeten waakzaam zijn zodat wij niet meegesleurd worden
door de sirenenzang van onze consumptiemaatschappij. Veel mensen in de wereld
van vandaag geloven dat het hoogste doel in het leven is meer te hebben dan
anderen, en voor alle zekerheid laten zij die anderen bovendien weten dat dit
het geval is. Nochtans, echt succes bestaat uit trouw zijn aan God en aan zijn
plannen voor ons om voor altijd met Hem in de hemel te zijn. Wij weten dat onze
harten alleen door God kunnen worden gevuld. Tijdelijke goederen zullen ons
altijd leeg en eenzaam achterlaten.
17.2 Onze Moeder de Kerk heeft haar kinderen altijd de noodzaak van
matigheid geleerd. Matigheid eist zelfbeheersing, offer en versterving. Door
matigheid te beoefenen verzekeren wij dat het goddelijke zaad wortel zal schieten
in onze ziel, en dat het niet verstikt zal worden. Wij moeten altijd waakzaam
zijn, daar «de oriëntatie van de moderne cultuur naar een soort van hedonisme
neigt, een onbesuisd najagen van een gemakkelijk leventje, gekenmerkt door een
verlangen het Kruis uit te wissen van de idealen van de volkeren.»7 Dit verschijnsel bedreigt veel tijdgenoten van ons.
Door het beoefenen van de matigheid wordt de mens meer mens,
en wie zich overgeeft aan de bevrediging van zijn instincten wordt als een op
hol geslagen trein. Hij raast stuurloos voort, loopt uit de rails en wordt ten
slotte een wrak, niet meer in staat verder te gaan. In deze droeve staat worden
verstand en wil, de edelste eigenschappen van de mens, weggespoeld door zijn
driften en hartstochten. Iemand verkrijgt de deugd van matigheid door vele
kleine daden te stellen die onze verlangens matigen en onze zinnen op het
einddoel van de mens richten. De man of vrouw die deze deugd beleeft «kan
afzien van wat de ziel schaadt en is er zich van bewust dat zijn offer alleen
maar naar de schijn een offer is: want wie zo leeft -met offers- bevrijdt zich
van veel slavernijen en zal uiteindelijk, diep in zijn hart, de liefde van God
smaken. Het leven krijgt zo de schakeringen terug die door de onmatigheid
vervaagd waren. Wij zijn dan weer in staat ons om anderen te bekommeren, wat
van ons is met anderen te delen, ons te wijden aan grote taken.»8
De matigheid goed beleven betekent onthecht te zijn van
aardse dingen, ze het belang te geven dat ze verdienen en niets meer, het
scheppen van persoonlijke noden te vermijden, matig te zijn in eten en drinken,
onze grillen en hartstochten te beheersen... De Heer vraagt ons getuigenis te
geven van matigheid te midden van de wereld. Als we op dit gebied verzaken,
zullen we het moeilijker vinden Christus te volgen als een van zijn apostelen.
Met het voorbeeld van ons leven moeten we veel mensen leren dat «de mens meer
waard is om wat hij is, dan om wat hij heeft.»9
In het bijzonder moeten ouders hun kinderen opvoeden te geloven «in de
wezenlijke waarden van het menselijk leven. De kinderen moeten opgroeien in een
juiste vrijheid tegenover de stoffelijke goederen en zich een eenvoudige en
sobere levensstijl eigen maken.»10 En iedereen
moet zich inspannen om zelfbeheersing te hebben over zijn zinnen.
17.3 De deugd van matigheid hoort elk aspect van ons christelijk leven te
bezielen en te doordringen -vanaf het comfort thuis tot de hulpmiddelen in ons
werk en ontspanning. Bijvoorbeeld, als we rusten, hoeven we geen onnodige
onkosten te maken of voor onze vrije tijd een buitensporige hoeveelheid tijd
uit te trekken. Een gebied waar we wat betreft deze deugd een goed voorbeeld kunnen
geven is ons gebruik van de televisie en alle andere zaken van aangenaam
tijdverdrijf dat de moderne technologie ons verschaft.
Zoveel mensen leven helaas alleen maar met het doel 'het naar
zijn zin te hebben'. Hun
buik is hun god11, zou men van
veel van hen kunnen zeggen. De man of vrouw die de matigheid betracht zal
proberen niet te eten tussen de maaltijden, zal niet snakken naar zeldzame
lekkernijen en dure maaltijden, zal geen enorme hoeveelheden verorberen...
«Gewoonlijk eet je meer dan je nodig hebt. En de verzadiging die daar het
gevolg van is, maakt je vaak loom, verschaft je lichamelijk ongemak, verhindert
je van de bovennatuurlijke goederen te genieten en belemmert je denken. Wat een
goede deugd is de matigheid reeds voor het aardse bestaan!»12
Ofschoon de meeste van deze uitingen van gulzigheid geen
zware zonden zijn, zijn zij niettemin vergrijpen tegen God, die de wil
verzwakken. Zo'n gedrag kan ons afleiden van de sobere, vreugdevolle en
onthechte manier van leven, die vereist is om volgelingen van Christus te
kunnen zijn. Het kan zich vertonen als de distels die het goddelijke zaad
verstikken, ons ploeterend achterlatend in een leven van lauwheid en spijt.
Om in deze deugd te groeien moeten we versterving beoefenen
in eten en drinken. Soms zullen we het nodig vinden om onszelf dingen te
ontzeggen die volkomen geoorloofd zijn. De Kerk kent aan de soberheid een
hogere waarde toe wanneer zij ons eraan herinnert dat voedsel een gave van God
is die door Hem moet worden gezegend. De Kerk beveelt aan dat christenen voor
en na de maaltijd bidden. De heilige Thomas leert dat ofschoon soberheid en
matigheid voor iedereen nodig zijn, deze deugden in het bijzonder belangrijk
zijn voor de jongeren (die het meest geneigd zijn zich op dit punt te
vergissen), voor vrouwen, voor de ouderen (dat zij het goede voorbeeld geven),
voor de bedienaren van de Kerk en overheidsambtenaren (zodat zij hun plichten
met wijsheid uitoefenen).13
Matigheid geldt ook voor de matiging van onze
nieuwsgierigheid, van ons gevoel voor humor, van het genoegen waarmee we naar
onze eigen stem luisteren... Paus Johannes Paulus ii
heeft gezegd: «Ik denk dat deze deugd van iedereen een bepaalde nederigheid
eist met betrekking tot de gaven die God ons heeft gegeven in de menselijke
natuur. Ik zou een 'nederigheid van het lichaam' en een 'nederigheid van het
hart' aanbevelen.»14
Matigheid is een uitstekende verdediging tegen de agressieve
tactieken van onze consumptiemaatschappij. Matigheid maakt ons gereed 'goede
aarde' te zijn, klaar om het goddelijke zaad te ontvangen, de werking van de
Heilige Geest. Deze deugd is een onmisbaar middel om een doeltreffend
apostolaat middenin de wereld tot stand te brengen.
-1. Vgl. Gn 1,25. -2. Ibidem, 1,31. -3. 1 Kor 6,19-20. -4. Johannes Paulus ii, Over de matigheid,
22 november 1988. -5. Mt
13,22. -6. H. Petrus van Alcántara, Verhandeling over gebed en
meditatie, ii,
3. -7. Paulus vi, Toespraak, 8 april
1966. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 84. -9. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 35.
-10. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Familiaris
consortio, 22 november 1981, 37. -11. Fil 3,19. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 682. -13. H.
Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q149,
a4. -14. Johannes Paulus ii, Over de matigheid,
22 november 1988.
|