Achttiende week. Woensdag
33. De deugd van nederigheid
-De nederigheid van de Kananese vrouw. -De werkzame aard van
de nederigheid. -De weg naar nederigheid.
33.1 In het evangelie van vandaag1 tekent de
heilige Matteüs op dat Jezus zich met zijn leerlingen terugtrok in het land van
de heidenen, in het gebied van Sidon en Tyrus. Daar kwam een vrouw luid roepend
naar hen toe: Heb
medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel
bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld. Jezus
hoorde haar, maar gaf geen antwoord. De heilige Augustinus merkt op dat Hij
haar geen antwoord gaf, juist omdat Hij wist welke gunst zij zou krijgen. Hij
bleef niet zwijgen om haar af te wijzen, maar zodat zij -door haar nederige
volharding- de gunst zou verdienen.2
De vrouw drong waarschijnlijk lang aan, zodat de leerlingen
er genoeg van kregen en tegen de Meester zeiden: Stuur die vrouw toch weg, want zij blijft ons achterna
roepen. De Heer legde haar uit dat Hij gekomen was om in de
eerste plaats voor de Joden te prediken. Maar de vrouw wierp zich, ondanks de
afwijzing voor Hem neer terwijl zij zei: Heer, help mij!
De volharding van deze Kananese vrouw bracht de Heer ertoe
zijn antwoord te herhalen gebruikmakend van een beeld dat zij onmiddellijk
begreep: Het is niet goed
het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.
Opnieuw zegt Hij haar dat Hij naar de zonen van Israël is gestuurd en geen
voorkeur mag geven aan heidenen. De beminnelijke en vriendelijke houding van de
Heer zal elk vleugje van hardheid van zijn woorden wegnemen. Zijn woorden
vervulden de vrouw met vertrouwen. Met grote nederigheid antwoordde zij: Wel waar, Heer, want de honden
eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.
Zij erkende haar ware positie: «zij beleed als haar meesters diegenen die Hij
kinderen noemde.»3 De heilige Augustinus zegt
ook dat de vrouw «door nederigheid was veranderd en verdiende met de kinderen
aan tafel te zitten»4. Zij veroverde het hart
van God, verkreeg de gunst waarom zij verzocht, alsook een groot compliment van
de Heer: Vrouw, ge hebt
een groot geloof! Uw verlangens worden ingewilligd. En vanaf dat ogenblik was
haar dochter genezen. Later zou zij waarschijnlijk een van de
eerste heidenvrouwen zijn die het geloof aannamen en zij zou vanaf dat moment
blijvende dankbaarheid en liefde voor de Heer koesteren.
Wij, die ver verwijderd zijn van het geloof en de nederigheid
van deze vrouw, vragen de Meester vurig: «Goede Jezus, als ik apostel moet
zijn, moet U mij heel nederig maken.
»Alles wat door de zon wordt aangeraakt, wordt verlicht:
Heer, vul me met Uw licht, vergoddelijk me: maak dat ik me vereenzelvig met Uw
aanbiddelijke Wil, om het werktuig te kunnen worden dat U wilt... Geef mij Uw
onvoorstelbare nederigheid die U ertoe heeft gebracht om arm te worden geboren,
arbeid zonder glans te verrichten, roemloos te sterven, vastgenageld aan een
stuk hout, en om zich geheel weg te cijferen in de verborgenheid van het
tabernakel.
»Maak dat ik mijzelf leer kennen: mezelf en U. Dan zal ik
nooit mijn niets uit het oog verliezen.»5 Alleen
zo zal ik U kunnen volgen zoals Gij wilt en ik wil: met een diep geloof en een
grote liefde, zonder enig obstakel in de weg te zetten.
33.2 In het 'Leven van de heilige Antonius, abt', wordt verteld dat God hem
de wereld toonde vol met strikken die de duivel had gespannen om mensen te
vangen. Na het visioen was de heilige doodsbang en vroeg: «Heer, wie kan aan
zoveel strikken ontsnappen?» En hij hoorde een stem die antwoordde: «Antonius,
wie nederig is kan ontsnappen, want God geeft zijn genade aan de nederige, maar
de trotse trapt in alle valstrikken die de duivel heeft gespannen. Nochtans
durft de duivel de nederige mens niet aan te vallen.»
Als we de Heer willen dienen, moeten wij de deugd van
nederigheid vurig verlangen en er met aandrang om vragen. Om deze deugd echt te
verlangen, moeten wij eraan denken dat het tegenovergestelde van nederigheid
-de hoofdzonde van hoogmoed- de grootste hinderpaal is voor de roeping die wij
van de Heer hebben gekregen. Dat is wat gezinsleven en vriendschap kwaad doet,
wat ons ware geluk het meest van alles in de weg staat. Het is de meest
effectieve medewerker die de duivel heeft, om het werk van de Heilige Geest in
onze ziel teniet te doen.
Nederig zijn is meer dan alleen de gevoelens van trots,
zelfzucht en ijdelheid te verwerpen. In feite ondervonden Jezus en Maria, die
de deugd van nederigheid ten volle bezaten, nooit enige neiging tot trots. Het
woord 'nederig' is afgeleid van het Latijnse woord 'humus'. Etymologisch
betekent nederig geneigd tot de aarde; de deugd van nederigheid bestaat in
neerbuigen voor God en alles wat van God in schepselen is.6 Praktisch gezien leidt het ons ertoe onze minderwaardigheid
te erkennen, onze kleinheid en behoeftigheid. De heiligen scheppen grote vreugde
in het niets worden ten aanzien van God, erkennend dat alleen Hij groot is en
dat alle menselijke grootheid in vergelijking met Hem leeg is en een leugen.
Nederigheid is gebaseerd op waarheid7,
en vooral op de grote waarheid dat de afstand tussen het schepsel en de
Schepper oneindig is. Daarom moeten wij vaak de tijd nemen om ons eraan te
herinneren en te overtuigen dat al het goede in ons van God komt, en dat al het
goede dat wij hebben gedaan, begonnen is en vrucht gedragen heeft door Hem,
door zijn genade. Wij uiten geen enkel verlangen zonder de ingeving en genade
van de Heilige Geest.8 De gebreken, zonden en
zelfzucht zijn van ons. «Deze ellenden zijn minder dan niets, want zij zijn een
wanorde en verlagen onze ziel tot een waarlijk jammerlijke staat.»9 Genade, van de andere kant, doet onze ziel glanzen
zodat zelfs de engelen verbaasd staan over de glans van de goddelijke gave.
De Kananese vrouw voelde zich niet vernederd door Jezus'
vergelijking die het verschil tussen de Joden en de heidenen benadrukte. Zij
was nederig en wist haar plaats met betrekking tot het uitverkoren volk. Omdat
zij nederig was, geneerde zij zich niet om vol te houden, zich voor Jezus neer
te werpen niettegenstaande de schijnbare afwijzing. Wegens haar nederigheid,
durf en volharding, verkreeg zij een grote gunst. Nederigheid heeft niets te
maken met bedeesdheid, met wispelturigheid of met een onbeduidend leven zonder
verlangens en zonder hoop. Nederigheid ontdekt dat al het goede in ons, zowel
in de orde van de natuur als in de orde van de genade, aan God toebehoort want
uit zijn volheid hebben wij alles ontvangen.10
En zo'n overvloed van gaven zet ons aan dankbaar te zijn.
33.3 «Met de vraag, 'hoe zal ik nederig worden?' stemt het onmiddellijke
antwoord overeen: 'Door de genade van God'... Alleen de genade van God kan ons
een heldere kijk geven op onze ware toestand en het bewustzijn van de
waardigheid die voortkomt uit nederigheid.»11
Daarom moeten wij naar deze deugd verlangen en er onophoudelijk om vragen,
overtuigd dat wij God ermee zullen liefhebben en niettegenstaande onze
zwakheden tot grote ondernemingen in staat zijn...
Te zamen met dit verzoek moeten wij de vernederingen-meestal
kleine- die zich elke dag op verschillende manieren kunnen voordoen aanvaarden:
tijdens ons werk en in onze omgang met anderen, wanneer we ons bewust zijn van
onze zwakheid of vergissingen begaan, groot of klein. Er wordt verteld dat de
heilige Thomas van Aquino eens bij het lezen tot de orde werd geroepen voor een
veronderstelde grammaticale fout. Hij verbeterde die zoals aangeduid. Naderhand
vroegen zijn metgezellen hem waarom hij dat had gedaan, omdat hijzelf moest
weten dat hij het eerst goed had voorgelezen. «Ten aanzien van God», antwoordde
de heilige, «beter een grammaticale fout dan een fout in gehoorzaamheid en nederigheid.»
Wij gaan de weg van de nederigheid als wij vernederingen aanvaarden, grote en
kleine, en wanneer wij onze gebreken aanvaarden en strijden om ze te overwinnen.
Wie nederig is heeft geen lofprijzing of vleierij in zijn
werk nodig omdat zijn hoop rust in de Heer, die de ware bron is van zijn bezit
en geluk, en betekenis geeft aan al wat hij doet. «Eén van de redenen waarom
mensen zo geneigd zijn elkaar lof toe te zwaaien, hun eigen waarde en
kundigheden te overschatten, zich te storen aan alles wat hen in hun eigen ogen
of in de ogen van anderen dreigt te verlagen, is dat zij geen hoop hebben op
geluk buiten henzelf. Daarom zijn zij vaak zo overgevoelig, zo geprikkeld
wanneer zij worden bekritiseerd, zo kwaad op iedereen die hen tegenspreekt, zo
koppig om hun zin te krijgen, zo vastbesloten hun omgeving te overheersen. Zij
verankeren zich aan zichzelf zoals een schipbreukeling zich vasthoudt aan een
strohalm. En het leven gaat door, en zij verwijderen zich verder en verder van
het geluk...»12
Wie probeert nederig te zijn zoekt geen lofprijzing, en als
er lof komt, verwijst hij dat naar God, de auteur van alle goede dingen.
Nederigheid bestaat niet zozeer uit zelfverachting als uit zichzelf vergeten en
op een vreugdevolle manier beseffen dat wij niets hebben wat wij niet gekregen
hebben. Het brengt ons ertoe Gods kleine kinderen te worden, die al hun kracht
vinden in de sterke hand van hun Vader.
Wij leren nederig te zijn door de Passie van de Heer te
beschouwen, door zijn grootheid te overwegen ten overstaan van zoveel
vernederingen; hoe Hijzelf als een lam voor zijn scheerders werd geleid, zoals
voorspeld was13; hoe Hij door zijn nederigheid
in de heilige eucharistie op ons wacht opdat we Hem bezoeken en met Hem
spreken; door zijn geduld te overwegen bij zoveel beledigingen. Wij zullen
leren de weg van de nederigheid te gaan als we letten op Maria, de dienstmaagd des Heren,
die geen ander verlangen had dan de Wil van God te doen. We kunnen ons ook tot
de heilige Jozef wenden, die zijn leven doorbracht met Jezus en Maria te
dienen, de taak vervullend die God hem had toevertrouwd.
-1. Mt 15,21-28. -2. H.
Augustinus, Sermo
154, A, 4. -3. Idem, Sermo 60, A, 2-4. -4. Ibidem. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 273. -6. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, ii. -7. H. Theresia van Ávila, De Innerlijke Burcht,
VI, 10. -8. 1 Kor 12,3.
-9. R. Garrigou-Lagrange o.p., Ibidem. -10. 1 Kor 1,4. -
11. E. Boylan, This Tremendous Lover.
-12. Ibidem. -13. Jes 53,7.
|